Home » Schriftgezag

Categoriearchief: Schriftgezag

Gods Woord heeft geen redding nodig

In de discussies over de relatie tussen Bijbel, wetenschap en cultuur valt het op dat zowel verdedigers van klassiek gereformeerde standpunten als pleitbezorgers van de nieuwe hermeneutiek hoog over het Woord van God spreken. Dat lijkt mooi, maar is dat het ook?

In de hedendaagse hermeneutische benadering kan een oude tekst niet voor zichzelf spreken, omdat die is verweven met een oude cultuur. Aan ons de taak om de brug te slaan naar vandaag. Dat geldt ook voor de Bijbel. Ondertussen maakt dat de eigenschappen helderheid (claritas) en inzichtelijkheid (perspicuitas) van de Schrift voor hedendaagse bijbellezers problematisch.

De nieuwe hermeneutiek resulteert nogal eens in standpunten die, met een beroep op de bedoeling van de Heilige Geest, toch honderdtachtig graden ingaan tegen wat letterlijk in de Bijbel staat. Dat wordt overigens door meerdere scribenten ook zelf erkend. Geldt dan niet de waarschuwing van Jezus over de vruchten en de boom? Want de vrucht van deze boom is aanpassing aan het schema van de wereld en loslaten van concrete geboden van de Heere.

Buigen

Juist daarom triggert het me dat voorstanders van de nieuwe hermeneutische benadering zeggen te willen buigen voor het Woord. De Bijbel zou zelf aanleiding geven voor een minder eenduidige uitleg. Het verwijt klinkt dat de Schrift te hoog en te heilig is om je eigen uitleg te identificeren met het sola Scriptura.

Nu wil ik voluit erkennen dat het opkomen voor de hoogheid van Gods Woord de oprechte intentie is van deze theologen en christenwetenschappers. Tegelijkertijd wekt dat ook mijn argwaan: de drijfveer om het evangelie voor postmoderne mensen aanvaardbaar te maken. De prijs daarvoor is hoog, namelijk het opgeven van onvervreemdbare eigenschappen van de Schrift.

Tegen de achtergrond van de kerkgeschiedenis maakt deze drijfveer me alleen nog maar meer argwanend. Het is vaker gebeurd dat een dwaling ontstond vanuit een oprechte intentie om het overgeleverde geloof aanvaardbaar te laten zijn voor de mens van die dagen.

De historisch-kritische methode is niet uitgevonden uit haat tegen de Schrift. Integendeel, het was eerder een poging om de Schrift te redden voor de moderne verlichte mens, die niet meer in bovennatuurlijke wonderen kon geloven. Zo kwam bijvoorbeeld de Duitse lutherse theoloog R. Bultmann met de oplossing dat het zou gaan om de boodschap (het kerygma), die moest worden losgemaakt van het mythologische karakter van de Bijbel. Dat was nodig nadat het historische karakter van de Bijbel was geproblematiseerd.

Ook Arminius heeft niet anders gewild dan een gereformeerde leer te ontwikkelen, die aanvaardbaar was in zijn tijd. De leer van de totale verdorvenheid van de mens werd onder invloed van het humanisme geproblematiseerd, waarna aan de wil van de mens een grotere bijdrage werd toegeschreven, al was het maar dat de mens zelf de wedergeboorte kon tegenstaan. De prijs die daarvoor werd betaald was het opgeven van de totale afhankelijkheid van Gods genade.

Ook Arius was er niet op uit om Christus neer te halen toen hij de leer dat Jezus het meest bijzondere schepsel ontwikkelde. Hij wilde het geloof in Hem juist aanvaardbaar maken voor een Griekse denker. Maar ondertussen loochende hij wel de eeuwige Godheid van Jezus.

Een oprechte intentie is goed, maar helaas geen basis voor vertrouwen. De Schrift zelf is ons vertrouwen waard. Ook en juist als het gaat om het voor zichzelf kunnen spreken en het zichzelf kunnen uitleggen van de Schrift.

Betrouwbaarheid

Het zal niet de intentie zijn van bijbelwetenschappers die het Evangelie aanvaardbaar willen maken voor moderne mensen, maar als we deze weg inslaan, raken we meer kwijt dan ons lief is. De historische betrouwbaarheid van Bijbelse geschiedschrijving wordt problematisch. De kracht van de grote daden van God in de historie moet plaatsmaken voor de narratieve kracht van het verhaal, dat de brug slaat naar de beleving van de hedendaagse mens.

Wie eenmaal de fundamentele afslag neemt dat de Bijbel benaderd moet worden als een boek uit een oude cultuur en niet in de eerste plaats als Gods eigen springlevende Woord, gaat ook de dogma’s en de leer van de kerk benaderen als niet meer dan een interpretatiekader. Dat tast het overtuigd belijdende karakter van de kerk aan.

De communicatietheorie gaat dan heersen over de zondeleer, de gelovige lezer met zijn vooronderstellingen over de overtuigingskracht van de Geest, en de kloof van cultuur en tijd over die van de zonde.

Ten slotte heeft het gevolgen voor de visie op de Drie-enige God zelf. Woorden als liefde en rechtvaardigheid worden begrippen die in staat zijn de kloof naar de postmoderne mens te overbruggen en steeds minder voor eigenschappen van de God Die Zich openbaart. Jezus wordt steeds meer mijn belangrijkste identificatiefiguur en steeds minder mijn Borg en Middelaar door de verzoening door Zijn bloed. En de Geest wordt gekoppeld aan de culturele ontwikkeling in plaats van dat Hij ons leert buigen voor het aan ons geopenbaarde Woord.

We hoeven niet simplistisch te doen alsof de Bijbel een gemakkelijk boek is, maar laten we wel eenvoudig blijven bij wat ons geleerd en toevertrouwd is. Om datgene wat we wilden redden niet juist kwijt te raken.

Dit artikel is met toestemming van de auteurs overgenomen uit het Reformatorisch Dagblad. De volledige bronvermelding luidt: Heres, L., 2022, Gods Woord heeft geen redding nodig, Reformatorisch Dagblad 52 (230): 30-31 (artikel).

Uw gunst, Uw trouw, Uw Woord – Lezenswaardig interview met ds. W.L. van der Staaij in het Reformatorisch Dagblad

In november verscheen een lezenswaardig interview met ds. W.L. van der Staaij, predikant binnen de Christelijke Gereformeerde Kerken (CGK) te ’s-Gravenhage-Scheveningen. Het interview werd gedaan naar aanleiding van het onlangs verschenen boek ‘Uw gunst, Uw trouw, Uw Woord’.1 Een lezenswaardige bundel van diverse predikanten binnen de CGK. Hieronder een korte samenvatting van het interview, daar waar ik het relevant acht voor de discussies op deze website.2

Kerkelijke strijd

De titel van het interview luidt ‘Houvast in een kerk die kraakt en piept’. Dat is een goede samenvatting van het interview. Het genoemde boek verscheen als ‘een soort getuigenis: hier staan we voor en hier ligt ons hart’. Volgens de predikant is er vandaag de dag veel kerkelijke strijd. “De aandacht die dat krijgt, kan zomaar ten koste gaan van de aandacht voor de grote waarde van het heil en het waardevolle wat onze kerken hebben.” Het lijkt er dan op dat de kerk overal op tegen is. “Maar we zijn niet zozeer tegen van alles en nog wat. We zijn vóór het behoud van datgene waarmee we getroost kunnen leven en sterven. We zijn ervan overtuigd dat het heilzaam is voor onszelf en voor de kerken als we trouw blijven aan de Schrift en belijdenis. En dat willen we zeker onze jongeren graag voorhouden.

Groot wonder én schuld

Van der Staaij ziet het bestaan van de kerk als een groot wonder. “Het voortbestaan van onze kerken wordt helaas bedreigd door verdeeldheid en verwarring op allerlei thema’s, waardoor jongeren en ouderen afhaken. De kerk in Nederland kraakt en piept aan alle kanten. Maar we hoeven gelukkig niet enkel te somberen en te klagen. De titel van het boek zegt het al: ‘Uw gunst, Uw trouw, Uw Woord’. We moeten het hebben van Gods trouw in en door Jezus Christus.” Van der Staaij geeft aan dat we trouw moeten zijn aan het Woord, we moeten buigen voor God en Zijn Woord. Als kerken van de Afscheiding hebben we veel schuld: “Wat eeuwenlang voor vast en bondig werd gehouden, komt steeds meer op de helling: de feitelijkheid van schepping en zondeval, de verhouding van vrouw en ambt, de praktijk van homoseksualiteit en gendertransitie en de visie op de hel. Eigenlijk geldt dit voor alle kerken in Nederland: als het bij de buurman regent, drupt het bij mij ook.

Kinderen van onze tijd

We hoeven niet met de beschuldigende vinger naar een ander te wijzen. “Wij zijn kinderen van onze tijd en ademen allemaal het individualisme en het postmodernisme in.” De gereformeerde traditie wordt volgens de predikant ondergewaardeerd. We zouden het gedachtengoed uit voorgaande eeuwen weer moeten bestuderen. Onderwaardering blijkt uit ‘een verwaterde boodschap in prediking en pastoraat, waarbij het accent komt te liggen bij allerlei discussies’. Tradities bewaren bovendien voor het ‘rusteloos meedeinen op de golven van de tijdgeest’.

Vervolging vanwege visie op homoseksualiteit en genderideologie?

De verslaggever bevraagt ds. Van der Staaij op de bijdrage van ds. A.A. Egas over christenvervolging vanwege visie op homoseksualiteit en genderideologie. Van der Staaij: “Nou, ga maar na wat zich de afgelopen tijd heeft afgespeeld rond ds. Olaf Latzel in Duitsland, de politica Päivi Räsänen in Finland3 en ds. A. Kort in Nederland4 Christenen liggen onder een vergrootglas, zeker vanwege de gevoelige thema’s. Tegelijk moeten we daar niet al te benauwd over doen. (…) Natuurlijk, ik wil het liefst verdrukking en vervolging vermijden. Maar als je je houvast vindt in het Woord van God, dan hoeven we ons niet te schamen. Blijkbaar werkt de Heere op deze manier, dwars door alles heen. Hij heeft de wereld overwonnen.” Met de Schrift en de confessie hebben gereformeerde christenen goud in handen. “Daarin vinden we houvast, onze enige troost in leven en sterven.

Voetnoten

‘Kerngroep Bezinning GKV’ haakt vanwege doorwerking van moderne hermeneutiek af – Zaterdag 19 november 2022 studiedag voor verdere bezinning

Vorige week werd er door de synode van de nieuwe Nederlandse Gereformeerde Kerken vergaderd over een nieuwe kerkorde. Niet iedere kerkenraad of gemeentelid van de huidige Gereformeerde Kerken vrijgemaakt is het daarmee eens. Dat geldt bijvoorbeeld voor kerkenraden van Urk en Capelle aan den IJssel-Noord. Regio Ommen heeft scherpe kritiek op de kerkorde. Deze regio wil zelfs de complete kerkorde van tafel vegen. In dit artikel is het niet de bedoeling om de voors- en tegens te wegen, maar om de discussie te volgen dáár waar het gaat om Schriftgezag en hermeneutiek.1 Hoe lezen wij de Bijbel en is dat Woord in het geding? We maken hierbij gebruik van artikelen die verschenen zijn in het Nederlands Dagblad en het Reformatorisch Dagblad.

In de kerkorde wordt volgens de regio Ommen een ‘lossere binding aan de belijdenis’ voorgestaan. Deze regio maakt zich zorgen over kinderen aan het Avondmaal en dat niet-huwelijkse relatievormen worden gedoogd of zelfs de ruimte worden gegeven.2 Een lezer van het Nederlands Dagblad geeft aan dat de nieuw te vormen kerk, door de losse binding aan de kerkorde, een pluriforme kerk dreigt te worden. ‘Door landelijke ontwikkelingen’ zijn ‘de binding aan vaste kaders, Schriftuitleg, het belijden van de kerk en de kerkorde, steeds minder duidelijk geworden’. Deze lezer voorspelt een uittocht van leden van de GKv en de NGK. Dit komt niet omdat er ‘een of ander conflict’ zal zijn, ‘maar omdat de ruimte zo groot is geworden dat er niet eens een conflict kan ontstaan’. Hij geeft aan er een ‘Laodiceagevoel’ bij te krijgen ‘lauwheid in plaats van heet of koud’. 3

Urk

Van de kerkenraad op Urk is al langer bekend dat ze moeite hebben met de koers van de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt en het nieuw te vormen kerkverband. De kerkenraad maakt als sinds de synode van 2013 bezwaar tegen de koers van het kerkverband en heeft al een tijd een vorm van dolerende status. De Urkers hebben moeite met de openstelling van alle ambten voor vrouwen, dat kinderen aan het Heilig Avondmaal kunnen en dat er ruimte wordt geboden voor andere samenlevingsvormen naast het huwelijk tussen man en vrouw. Dat er ruimte is voor deze kwesties heeft volgens de kerkenraad te maken met ‘een nieuwe manier van bijbellezen en bijbeluitleg’. Tijdens een vergadering in oktober 2022 heeft de gemeente het standpunt ingenomen dat ze een confessioneel-Gereformeerde Kerk vrijgemaakt willen zijn en niet mee willen gaan met moderne gedachten. De gemeenteleden werden per brief op de hoogte gebracht en opgeroepen om zich achter de kerkenraad te scharen om zo trouw te blijven aan de Schrift en de belijdenis. De kerkenraad geeft aan dat predikanten ‘die Gods Woord en de gereformeerde belijdenis van harte liefhebben’ in de gemeente kunnen blijven preken.4

Capelle aan den IJssel-Noord en vrouwenvereniging Hanna te Assen

De kerkenraad Capelle aan den IJssel-Noord heeft, net als Urk, besloten niet mee te gaan met de fusie.5 Een vrouwenvereniging uit Assen (Hanna) heeft ook moeite met de ontwikkelingen binnen de GKv. In een briefje in het Nederlands Dagblad laat een lid van deze vereniging weten zorgen te hebben: “Met name ook over de ontwikkelingen wat betreft huwelijk en seksualiteit. Het huwelijk is een verbond tussen man en vrouw en alleen daar heeft seksualiteit een plaats. We vinden het moeilijk dat veranderde standpunten steeds meer ons kerkelijk leven binnensluipen.6

Kerngroep Bezinning GKV

In week 45 (van 2022) trad ook de werkgroep ‘Kerngroep Bezinning GKv’ meer naar buiten. Deze groep gaat ervan uit dat er op 1 mei 2023 D.V. een groep vrijgemaakten, waarvan de omvang onbekend is, buiten het nieuw te vormen kerkverband zal komen te staan. Mogelijk zal deze groep aansluiting zoeken bij de eerder uitgetreden leden van de GKv. Deze eerder uitgetreden leden hebben twee kerkverbanden gevormd (nl. DGK en GKN), die momenteel zelf ook gesprekken voeren over eventuele fusie.7 De Kerngroep Bezinning GKv bestaat uit Wim Jol, Frans Pansier, mr. dr. Pieter Pel, Rufus Pos, Henk Room en Dick Slump.8 Op 10 november 2022 hadden twee leden van deze Kerngroep Bezinning GKv (mr. dr. Pieter Pel en ds. Henk Room) een interview met het Reformatorisch Dagblad. Hierin geven ze aan dat, als je werkelijk confessioneel-gereformeerd wilt zijn, je niet mee kunt gaan met de fusie. Predikant Room gaf aan dat het voor de kerngroep een gewetenskwestie is: “De ontwikkelingen in onze kerken gaan zo hard en zijn zo fundamenteel. In betrekkelijk korte tijd heeft een nieuwe omgang met de Schrift ingang gevonden bij voorgangers en in gemeenten. De Bijbel functioneert als een bron, maar is niet meer dé norm.” Mr. dr. Pel is het daar mee eens. “Die verandering in denken lijkt onder ons voortdurend sneller te gaan.” Als voorbeelden neemt hij het boek over homoseksualiteit van prof. dr. Ad de Bruijne (Verbonden voor het leven) en het boek van prof. dr. René Erwich en dr. Almatine Leene (Vuur dat nooit dooft). Deze twee uitgaven zijn volgens de geïnterviewden geen incidenten. “Daaronder ligt een nieuwe vorm van omgaan met de Schrift. Streefden we voorheen in onze exegese naar eenheid in uitleg, nu klinkt dat de Bijbel over één thema twee heel verschillende dingen kan zeggen, die ook eigenlijk onverenigbaar zijn. Dan moet jij als gelovige maar de uitleg kiezen die jou het meest aanspreekt.

De kerngroep is er door zelfstudie én door lezingen van prof. dr. Henk van den Belt en dr. Gert van den Brink9 achter gekomen dat achter de nieuwe visie op ‘vrouw in het ambt’ een andere manier van denken schuilt. Maar ook een andere manier van bijbellezen’. “Hierbij verschuift het accent van de zeggenschap van de Bijbel naar de eigen uitleg van de lezer.” Volgens mr. dr. Pel is dit in strijd met de artikelen drie tot en met zeven van de Nederlandse Geloofsbelijdenis (NGB). De Schrift is haar eigen uitlegster. De kerkorde staat, volgens de geïnterviewden, dit moderne denken niet in de weg maar biedt daar juist ruimte voor. “De kerkorde bevestigt de toegenomen individualisering in de kerk. Om al dat soort redenen kunnen wij volgend jaar niet mee met de fusie.” Volgens de kerngroep dendert de trein met de nieuw te vormen Nederlandse Gereformeerde Kerken gewoon door en wordt er alleen nog marginaal aan de kerkorde gesleuteld. Als bezwaar maken geen nut heeft, waarom dat toch een kerngroep? “Wat ons als kerngroep nu te doen staat, is onze broeders en zusters in de GKV bewust te maken van wat er in en met hun kerk gebeurt en hen te waarschuwen voor de ontwikkelingen. (…) We heffen als het ware een banier op, en roepen tegen allen die net als wij verontrust zijn over de koers van ons kerkverband en over de komende fusie: “Verzamelen!” Om ons zo met elkaar te verbinden en om hierin samen verder op te trekken.” Pel voert daarbij aan dat de fase van advisering voorbij is, ‘nu het gezag van de Schrift zelf in het geding komt’. De bezinningsgroep wil vanaf heden meer kerkelijke richting gaan wijzen. Mogelijk door verbinding te zoeken met de Gereformeerde Kerken Nederland (GKN) en De Gereformeerde Kerken (DGK). Pel en Room zien de mensen in deze kerken als broeders en zusters ‘geënt op dezelfde historische wortels’. Maar ook willen ze open gesprekken voeren met de Hersteld Hervormde Kerk (HHK). De aanstaande fusie raakt de predikant en de kerkrechtjurist ook persoonlijk. Pel: “Maar het meest pijnlijke is dat het in de GKV niet meer veilig is en dat je tot deze keuze gedwongen wordt.10

Het Woord in geding

De Kerngroep Bezinning GKv wil binnenkort een boek uitbrengen onder de titel Het Woord in geding.11 In het boek ‘Het Woord in geding’ worden een serie studies gepresenteerd rondom Schriftgezag en Hermeneutiek gepresenteerd. Volgens de website is er ‘aan deze uitgave (…) met zorg en passie gewerkt. De bijdragen in deze bundel gaan over actuele en wezenlijke zaken rond de uitleg van de Bijbel, die ook ons praktisch geloofsleven direct raken’.12

Veranderingen

De synodeleden van het nieuw te vormen kerkgenootschap Nederlandse Gereformeerde Kerken willen de bezwaarde leden van de GKv ‘vasthouden’. “We moeten er rekening mee houden, ook in onze bewoordingen, dat een aantal mensen veranderingen moeilijk kan meemaken.” Maar ‘we moeten proberen hen vast te houden, want we hebben iedereen nodig’. Een andere afgevaardigde gaf aan de ontwikkeling best wel te kunnen volgen. In het Reformatorisch Dagblad: “In dit licht noemde hij het begrijpelijk dat er nu zorgen bestaan, “omdat bezwaarden denken: Vroeger konden we elkaar in moeilijke situaties altijd nog ergens aan houden. Maar wat als ook dat gaat verdwijnen?13 Op de synode worden de bezwaarden opgeroepen om ‘gewoon’ mee te doen. De bezwaarden zullen daar vast anders over denken.14 De besloten groepsbespreking liep in ieder geval uit op een groepsgebed voor de synodeleden én de bezwaarden. In het Reformatorisch Dagblad geeft journalist Addy de Jong aan dat er de laatste decennia een ‘een ware revolutie in denken en handelen’ plaatsvond binnen de GKv. “Wat vroeger in andere kerken scherp werd veroordeeld, werd nu in het eigen kerkverband gepropageerd en gepraktiseerd: de vrouw in het ambt, een nieuw denken over schepping en evolutie, een aanvaarding van homoseksualiteit, zoals recent door hoogleraar Ad de Bruijne.15 Binnen de GKv zijn er, onder de predikanten die openstaan voor homoseksuele relaties, óók predikanten die aangeven te denken dat de nieuwe fusiekerk de Protestantse Kerk in Nederland op het punt van homoseksuele relaties op den duur links zullen inhalen.16  Synodelid Kars Veling is blij dat, met de nieuwe kerkorde, de autogordel wat losser zit. Hij geeft aan blij te zijn dat ‘er in onze kerken meer ruimte is gekomen voor het lezen van de Schrift op een wijze die, dat moeten we in alle eerlijkheid zeggen, wat afwijkt van hoe we dit vroeger deden’. Veling geeft wel aan dat we niet ‘alleen maar blij zijn dat autogordels wat losser zitten, maar ons ook blijven afvragen waar de chauffeur ons heen voert’.17

Studiedag

De Kerngroep Bezinning GKv belegt morgen, zaterdag 19 november 2022, een studiedag op Urk. Hier spreken ds. Jan Wesseling (predikant Veenendaal-West), dr. Bart van Egmond (predikant Capelle aan den IJssel-Noord) en kerkrechtjurist mr. dr. Pieter Pel.18 In het middagprogramma volgt een presentatie van ‘Kerkgroep Bezinning Gkv’. Uit deze presentatie moet duidelijk worden waar de werkgroep voor staat en welke perspectieven ze zien. Ook zal er aandacht zijn voor de nieuwe publicatie ‘Het Woord in geding’.19

Voetnoten

Heel de Bijbel had voor Luther onfeilbaar gezag

Wie zich op Luther wil beroepen om de moderne Schriftkritiek te legitimeren, behandelt de reformator niet fair. Voor de Bijbel dient men te buigen en alle bezwaren van het verstand te laten varen, luidde zijn visie.

Het artikel met als kop ”Het gevaar van Luthers stoerheid” van dr. C. P. de Boer (RD 29-10) riep bij mij vragen op. Allereerst de vraag of Luther met zijn ”was Christum treibt” een heldenstatus wilde creëren? De kop lijkt op het eerste gezicht die indruk te willen wekken. Luthers uitspraak „Wij voeren Christus aan tegen de Schrift” komt flink, sterk en onverschrokken over. Zo suggereren sommigen ook dat Luther op de Rijksdag van Worms bewust een publieke stunt wilde uithalen met zijn „Hier sta ik, ik kan niet anders”, enzovoorts.

Wilde Luther stoer doen, shockeren, met zijn bewering dat elke Bijbeltekst waarin hij Christus niet vond voor hem van minder waarde was dan de woorden waarin Hij helder straalt? Dr. De Boer zelf zegt dat niet met zoveel woorden. Hij schrijft alleen dat het „vandaag stoer klinkt”! Ja, maar voor wie? Bedoelt hij de theologen van gereformeerde origine die op de hermeneutiek van de confessie zijn uitgekeken? Wordt Luther nu de vaandeldrager van nieuwe hermeneutische inzichten? Ja, dat is inderdaad riskant. Voor henzelf en voor de gemeenten die zij dienen. Het slot van het artikel lijkt die kant op te gaan.

Ik veronderstel dat dr. De Boer wil zeggen dat hedendaagse exegeten en hermeneuten van reformatorische origine Luther goed denken te kunnen gebruiken als baanbreker om ruimte te maken voor vernieuwende inzichten, in de trant van: ”Kijk maar, Luther slikte ook niet alles wat hem in de Bijbel voorgeschoteld werd. Hij had de moed om Christus zo nodig tegen de Schrift uit te spelen.”

Vrolijke ruil

Zij die Luthers werk als vrijbrief voor moderne Bijbeluitleg denken te kunnen gebruiken, moeten wel eerst bedenken wat de reformator bewoog om uitspraken te doen als: „Wij voeren Christus aan tegen de Schrift.” Het ging Luther om het Evangelie van de vergeving van de zonden. De rechtvaardiging van de zondaar. Dat was voor hem de kern van heel de Bijbel. Hét Woord van God is de belofte van onvoorwaardelijke vrijspraak van de zondaar die door de genade van het geloof Christus aangrijpt en zodoende bevrijd wordt van schuld en eeuwige straffen. De zondaar geeft zijn zonden aan Christus en krijgt Zijn gerechtigheid ervoor terug. Ja, de ”vrolijke ruil” noemde Luther dat.

Door die persoonlijke ontdekking was Luther inderdaad zo vrolijk, dat hij in heel de Bijbel die ruil terug wilde vinden. Dit Evangelie was voor hem hét Woord van zijn God. En zij die dat hebben ervaren, weten wat hij bedoelt.

Geen heilige

Dat Luther soms onbehoorlijk kon doorslaan, is alom bekend. Zijn onstuimige boekje ”Von den Juden und ihren Lügen” zou niet voor de Nobelprijs voor de vrede in aanmerking komen. Luther zelf zou overigens geen moete hebben gehad met mensen die hem niet als een heilige en perfecte gelovige en exegeet vereren. Van Lutherverering was hij niet gediend: „Christus is heilig, ik niet.” En wij vergeven hem zijn tirade tegen Jakobus, die ons volgens Luther in zijn brief te veel werk en te weinig genade en geloof laat lezen. In zijn latere werk matigde hij trouwens zijn kritiek op Jakobus.

Voorkeuren

Eén ding is zeker: Luthers moeite met bepaalde passages in de Bijbel betreft niet de geloofwaardigheid van de Bijbel zelf. De Duitse theoloog Paul Althaus, die persoonlijk de historische kritiek op de Bijbel accepteert, heeft dat in zijn belangrijke boek ”Die Theologie Martin Luthers” duidelijk gemaakt. Luther speurde in de Schrift naar zijn lieve Jezus Christus, maar vond Hem niet altijd zo gauw als hij verlangde. „Nur da, wo Luther Verdunkelung des Evangeliums in der Schrift findet, bestreitet er den Charakter als Wort Gottes”, aldus Althaus. Maar dat de Bijbel als geheel het betrouwbare Woord van God is, daar twijfelde hij niet aan: „Das Wort sollen Sie stehen lassen!

Luther doolde als een speurhond over Gods wegen in de Bijbel om de reuk van Christus en Zijn genade te ervaren. Hij had voorkeuren, jazeker. De Bijbel bevatte voor zíjn beleving niet op elke plaats even veel karaat goud. Maar ondanks zijn voorkeur voor het Evangelie van Johannes en vooral voor de brief van Paulus aan de Romeinen bestreed hij niet het gezag van de Bijbel als geheel.

Althaus onderstreept dat in zijn boek over Luthers visie op de Schrift. De Schrift is voor hem boven alles het door de Heilige Geest opgestelde Boek en als zodanig van onfeilbaar gezag. Voor dat Boek dient men te buigen en alle protesten en bezwaren van het verstand te laten varen.

Tijdgeest

Luther is geen baanbreker voor de 18e-eeuwse Verlichting, die de Bijbel, met zijn ”onbegrijpelijke” teksten over wonderen, verzoening, opstanding, verkiezing en voleinding, de oorlog verklaarde. En wat er verder volgde. Nee, Luther is zeker geen vader van de historisch-kritische hermeneutiek. Zijn heel persoonlijke christocentrische benadering van Bijbelteksten is van een radicaal ander gehalte dan het loslaten van de onstabiele tijdgeest op Gods openbaring in de Bijbel.

Bij Luther vindt het omgekeerde plaats. Hij gaat juist heel flink en onverschrokken met de Bijbel op de tijdgeest af en laat er niets van heel. Want het is een geest die de eigen vroomheid boven Christus verkiest. De tijdgeest heeft geen verstand van de ”vrolijke ruil”. Toen niet en nu ook niet.

Moderne exegeten en hermeneuten willen Luther voor hun karretje spannen, maar Luther leent zich daar niet voor. Hij trekt dat niet, om zo te zeggen. Moderne exegeten zijn Luthers vrienden juist niet, omdat zij, anders dan de reformator uit Wittenberg, de confrontatie ontlopen. Zij trekken Christus steeds weer de modieuze kleren van hun eigen tijd aan en maken van Hem een herkenbare en acceptabele moraalridder. De eindeloze aanpassingen aan de smaak van het publiek getuigen niet van moed. Ze bieden ook geen uitkomst. Het gevolg is de ontkerstening van Christus en daar moet je bij Luther niet mee aankomen.

Wie met een beroep op Luthers vermeende stoerheid uitdraagt dat actuele filosofische en psychologische inzichten in de hermeneutiek de dienst moeten gaan uitmaken, moet Luther met rust laten. Die tapte echt uit een ander vaatje.

Dit artikel is met toestemming overgenomen uit het Reformatorisch Dagblad. De volledige bronvermelding luidt: Meij, L.W. van der, 2022, Heel de Bijbel had voor Luther onfeilbaar gezag, Reformatorisch Dagblad 52 (189): 38-39 (artikel).

Een nieuwe manier van Bijbellezen? – Dr. J.M.D. de Heer schrijft een serie artikelen in De Saambinder over de wissels die omgaan

Het is soms haast niet bij te houden. De moderne maatschappij ontwikkelt zich heel snel. Maar ook kerken lijken op drift te raken. Onderwerpen als vrouwelijke ambtsdragers en homoseksualiteit staan regelmatig op de agenda van synodes. Het lijkt wel of de ene kerk na de andere ‘om’ gaat. Wat is de achtergrond van dit alles? En, raakt het ons? Steeds blijkt dat de manier waarop de Bijbel wordt gelezen sterk uiteenloopt.1 Met deze woorden start predikant en theoloog dr. J.M.D. (Jaco) de Heer zijn artikelenserie in De Saambinder over de moderne hermeneutiek.2 In dit artikel wil ik deze serie artikelen samenvatten.

Welke wissels gaan er om als de hermeneutiek een verandering ondergaat? Bron: Pixabay.

Wissels

Aanleiding van de serie is de synode van de Christelijke Gereformeerde Kerken (CGK) over vrouw-in-het-ambt.3 Ook in de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt, volgens de auteur ‘lange tijd een bolwerk van rechtzinnigheid’, zijn belangrijke wissels omgezet inzake deze discussie. En binnen de Protestantse Kerk in Nederland (PKN) is deze discussie al lange tijd passé. Is eenzelfde trend waarneembaar als het gaat om de acceptatie van homoseksualiteit? De Heer: “De synode van de PKN heeft relaties van mensen van hetzelfde geslacht volledig geaccepteerd. Eigenlijk is er nog maar één drempel waar de synode, omwille van het behoudende deel van de kerk, nog niet overheen is gegaan. Dat is volledige gelijkschakeling van het Bijbelse huwelijk van man en vrouw met het homohuwelijk. Het vooruitstrevende deel van de kerk wenst al langere tijd zo’n gelijkschakeling.” De Heer merkt op dat ook binnen de CGK en de GKv ruimhartige geluiden inzake homoseksualiteit te horen zijn. Maar er zijn meer onderwerpen waar de kerk mee te maken krijgt, zoals het brede onderwerp ‘gender’. “Het heeft er veel van weg dat kerken hierover geen uitspraken doen, wellicht omdat het onderwerp nieuwer is dan dat van homoseksualiteit. Een andere oorzaak kan zijn dat de gebrokenheid in het leven van transgenders vaak intenser wordt ervaren dan bij mensen met een homoseksuele geaardheid. Daarom is een pastorale houding zo belangrijk. Dat geldt ook voor homoseksualiteit. Maar, de Bijbel kan alleen de doorslag geven hoe we moeten leven.4

Schriftgezag

De Bijbel heeft voor de predikant en theoloog absoluut gezag. “Het spreken van God tot de mens, door Zijn Woord, is een spreken met gezag. De Bijbel is niet zozeer een boek waar mensen hun ervaringen met God onder wooden brengen. Het is Gods openbaring, waarin Hij Zichzelf bekendmaakt. Daarvoor schakelde de Heilige Geest mensen in. In dit proces drukten de Bijbelschrijvers – in zichzelf mensen met gebreken – Gods wil volkomen uit. Daar zorgde de Heere Zelf voor. We noemen dit de inspiratie van de Bijbel.5

Verlichting en Romantiek

In navolging van prof. dr. Andres Kinneging (die overigens niet bij naam genoemd wordt) gaat dr. De Heer in op de oorzaken van de verandering van het Westerse wereldbeeld.6 Deze verandering had ook gevolgen voor de aard van het Schriftgezag en de nieuwe manier van Bijbellezen. Die liggen volgens De Heer in de Verlichting en Romantiek. Met name de Verlichting ziet De Heer als oorzaak van de verandering in het denken over God, de mens en de Schrift. De Verlichting zette het verstand van de mens centraal, zoals bijvoorbeeld te zien is bij René Descartes. Oudvaders uit de Nadere Reformatie hebben dit gedachtengoed bestreden. Maar de tijdgeest ging, ondanks de waarschuwingen, door: “In het spoor van de Verlichting ging de mens een andere plaats innemen ten opzichte van de Bijbel. Hij staat niet meer onder het absolute gezag van Gods Woord, maar gaat zelf bepalen welke waarde de Bijbel heeft. De Bijbel wordt onderworpen aan het menselijke verstand. Niet meer openbaring door God, maar het begrijpen door de mens staat op de eerste plaats. In feite kwam de Bijbel op de snijtafel van het verstand te liggen.” De zogenoemde historisch-kritische uitleg stelt overal rationele vragen bij. Zelfs het leven, sterven en de opstanding van de Heere Jezus werd betwijfeld. “De historisch-kritische manier van bijbeluitleg groeide uit tot een machtig blok dat veel universiteiten beheerst. En juist dáár worden ook predikanten opgeleid. Hoeveel predikanten hebben de kerkgangers in Nederland een vage, arme boodschap voorgehouden. Op hoeveel plaatsen gebeurt dat nog? Geeft dat ons verdriet?7

De Heer wijst ook op een andere geestesstroming die invloed heeft (gehad) op onze manier van Bijbellezen: de Romantiek. Nu geen nadruk op het verstand maar op het gevoel. De predikant en theoloog verwijst hierbij naar een interview met de orthodoxe dr. Carl Trueman in het Reformatorisch Dagblad (zie voetnoot).8 De Heer: “Met name op het gebied van seksualiteit leidde dit tot een aarrverschuiving. Niet meer de bedoeling die God in Zijn Woord openbaart, is leidend, maar de beleving van de mens. Gods Woord openbaart hoe Hij het huwelijk heeft bedoeld: een levenslange verbintenis tussen man en vrouw, waarbinnen seksualiteit en het krijgen van de kinderzegen aan elkaar zijn verbonden. In plaats daarvan is de seksuele revolutie gekomen en daarbovenop de homo-emancipatie. Je kiest zelf de relaties die bij je passen.” Dit leidt ook tot intolerantie naar degenen die Gods Woord wél centraal willen stellen. “Het accent op het eigen ik leidt er ook toe dat het afwijzen van homoseksuele contacten wordt ervaren als een aanval op iemands hele menszijn.” Het is echter nog verder gegaan. Bleef bij de homo-revolutie het man-vrouw-zijn nog intact, dit is anders bij de ideologie van het transgenderisme. “Niet het lichaam waarmee je bent geboren, maar je gevoel bepaalt of je man of vrouw bent. De innerlijke psychische overtuiging wordt bepalend, het lichaam mag daar eventueel aan worden aangepast.” Ziedaar de ultieme invloed van de Romantiek. De Heer sluit het tweede artikel af met de opmerking dat deze ontwikkelingen (de tijdgeest) de kerken ook niet voorbij gaan. 9

“Onder invloed van de tijdgeest ziet de theoloog de manier van uitleg van de Bijbel veranderen. Het is daarom belangrijk om stil te staan bij de manier waarop we de Bijbel uitleggen. De regels die gebruikt worden bij de uitleg van Gods Woord wordt hermeneutiek genoemd.” Bron: Pixabay.

Regels bij de uitleg van de Bijbel

Hierboven zagen we dat de Verlichting en Romantiek een stempel hebben gezet ‘op het geestesklimaat in de westerse wereld’. Volgens De Heer krijgt de mens zo ‘een zelfstandige plaats ten opzichte van God en Zijn Woord’ en dat heeft gevolgen voor het lezen van de Heilige Schrift. De Bijbel is duidelijk, maar ‘tegelijkertijd vraagt de Bijbel om uitleg’. Onder invloed van de tijdgeest ziet de theoloog de manier van uitleg van de Bijbel veranderen. Het is daarom belangrijk om stil te staan bij de manier waarop we de Bijbel uitleggen. De regels die gebruikt worden bij de uitleg van Gods Woord wordt hermeneutiek genoemd.10 De Heer geeft aan dat het belangrijk is dat we de uitlegregels bij Gods Woord uit Gods Woord zelf halen. “God bepaalt hoe Zijn Woord wordt uitgelegd. Een basisregel voor de uitleg van de Bijbel vinden we in 2 Petrus 1:20 (…).” De predikant verwijst daarbij ook naar kanttekening 75 bij de Statenvertaling. “Juist daarom zijn de tekstverwijzingen in de Bijbel zo belangrijk. De ene tekst legt de andere uit. Een moeilijkere tekst kan met behulp van eenvoudiger teksten worden uitgelegd. We spreken hier over de klassieke hermeneutiek.” Deze uitlegregel ligt op de snijtafel van de Verlichting en de Romantiek. “De méns ging de Bijbel uitleggen, niet meer vanuit de Bijbel, maar vanuit zijn verduisterde verstand.” De theoloog laat zien dat deze manier van uitleg grote invloed heeft (gehad) op de protestantse kerken. “In de Gereformeerde Kerken bijvoorbeeld botste de traditionele bijbeluitleg op die van verlichte geleerden. De moderne bijbeluitleg trok aan het langste eind. Kerkelijk ging er een wissel om toen het kerkverband in 1980 het rapport ‘God met ons, over de aard van het Schriftgezag’ aanvaardde. In het rapport staat het zogeheten ‘relationele waarheidsbegrip’ centraal. Dat wil zeggen dat waarheid ontstaat in de wisselwerking tussen de mens en de Bijbel. De waarheid van de Bijbel komt dus niet meer met Goddelijk gezag tot ons. De mens krijgt hierdoor een grotere plaats in de toepassing van de Bijbel in veranderende omstandigheden.” Dit veroorzaakte ook op het gebied van medische ethiek een grote verschuiving. De Romantiek had ten gevolge dat de beleving van de lezer bij de bijbeluitleg een zelfstandige plaats inneemt. “Het gaat niet zozeer om de oorspronkelijke bedoeling van de Heere – de zin en mening van Gods Geest – maar vooral om de wijze waarop ik de tekst uitleg en beleef. De lezer zoekt niet alleen naar de betekenis van de tekst, maar gééft de tekst ook betekenis.” Zo worden ‘Bijbelteksten buiten werking gesteld’, omdat wanneer de lezer zich niet in de teksten herkent (in de beleving), ze kunnen beslissen dat de tekst hen niet raakt.11

Gevoel leidend

De wegen van de klassieke en de nieuwe hermeneutiek gaan uiteen. “De klassieke manier van Bijbeluitleg onderwerpt zich onvoorwaardelijk aan het spreken van God in Zijn Woord.” De denkstappen voor Bijbeluitleg vanuit de Verlichting is volgens De Heer ‘tamelijk herkenbaar’. Dat ligt bij de ‘nieuwe hermeneutiek (…) misschien ingewikkelder, omdat deze een appel doet op ons invoelingsvermogen’. En verder: “Het persoonlijk gevoel is bepalend voor wat de Bijbel zegt. En juist dit appél op het gevoel doet het in onze tijd goed.” De Heer gebruikt twee voorbeelden: de discussie vrouw in het ambt binnen de CGK en de discussie homoseksualiteit binnen de GKV. Tegenstanders van de klassieke hermeneutiek (zoals dr. Bert Loonstra) komen met het verwijt van ‘een statistisch waarheidsbegrip’. Oude teksten zouden dan, volgens Loonstra, zomaar op nieuwe situaties geplakt worden en mensen zouden daardoor ongeoorloofd veroordeeld worden. Volgens De Heer spreekt Loonstra daarmee niet de Schrift na, maar het hart van ‘de moderne mens bij wie de eigen beleving bepalend is’.12

“Volgens predikant en theoloog dr. J.M.D. de Heer gaat de beïnvloeding door de tijdgeest zover, dat we denken de Bijbel serieus te nemen maar toch meegaan met de tijdgeest.” Bron: Pixabay.

Tijdgeest

De artikelenserie kan maar enkele zaken aanstippen als het gaat om hermeneutiek. De Heer verwijst daarom voor een uitgebreidere bespreking naar het tweede en derde deel van de Semper Reformanda-serie met als titel ‘Het onfeilbare Woord’.13 In het vijfde deel van deze serie gaat De Heer in op het voorbeeld rond vrouw-in-het-ambt en de omgang met homoseksualiteit. Ik bespreek hier alleen kort wat de centrale vraag ‘Hoe lezen wij de Bijbel?’ raakt. Er wordt in de verschillende kerken steeds meer gecapituleerd voor de tijdgeest. Het adagio is: “De kerk moet niet wereldvreemd zijn, anders raakt de boodschap van de kerk de moderne mens niet meer.” De Schrift is volgens voorstanders als het gaat om vrouw-in-het-ambt niet duidelijk. “Als gevolg van deze onduidelijkheid is er de vrijheid van de Geest, boven de letter van het Woord.” De snelle wending van de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt liet ‘de Schriftgetrouwe professor J. van Bruggen (…) ‘met enige verbijstering’ afvragen ‘wat er met zijn kerkverband was gebeurd’. Op het gebied van homoseksualiteit worden ook (langzaam?) de bakens verzet. “Het lijkt een signaal te zijn dat het kerkverband [de GKV, JvM] op termijn het onderwerp in zijn geheel gaat vrijgeven. Een schip op het strand, is een baken in zee!14

Het zesde deel in deze serie gaat vooral over synodebesluiten en hoe een lokale gemeente daarmee om moet gaan. De Heer hekelt dat sommige kerken ondanks de synodebesluiten toch een tegenovergestelde keuze maken in zaken die de scheppingsorde aangaan. We laten deze kerkrechtelijke zaken in dit samenvattende stuk rusten, het gaat ons immers om hermeneutiek.15 In het zevende deel in deze serie sluit De Heer aan bij het zesde stuk over de synode van de CGK rondom vrouw-in-het-ambt. Met vooral een praktische insteek, namelijk kijkend naar de reacties op de synode. Ook dat laten we hier rusten.16

De lessen voor ons

In het achtste en laatste deel van de serie over hermeneutiek in De Saambinder gaat dr. De Heer in op de lessen voor het kerkverband van de Gereformeerde Gemeente. Hij vraagt zich af of discussies rond vrouw-in-het-ambt en homoseksualiteit ook dit kerkverband kunnen gaan roeren. De Heer is hierover heel helder: “We moeten ons niet vergissen. De tijdgeest waait door alle kerken heen, beïnvloedt menden, ambtsdragers. Dus ook ons!” Volgens de theoloog gaat de beïnvloeding door de tijdgeest zover, dat we denken de Bijbel serieus te nemen maar toch meegaan met de tijdgeest. “We kunnen denken ‘geestelijke pioniers’ te zijn en met verve nieuwe inzichten verdedigen, terwijl een ‘kracht der dwaling’ (2 Thess. 2:11) ons in de greep houdt.” Dit kan als een oordeel over ons komen. “We kunnen de leugen voorstaan, terwijl we denken voor de waarheid op te komen.” Volgens De Heer is een ‘wantrouwen tegen alle gedachten die uit ons menselijk hart opkomen’ het medicijn hiertegen. “Wie zichzelf leert kennen als ‘onbekwaam tot enig goed en geneigd tot alle kwaad’ zal niet snel het stempel van Gods Woord op eigen opvatting zetten.” Daarnaast kan ook de satan overkomen als een engel des lichts.

Het gezonde wantrouwen van onszelf wordt, volgens De Heer, gemist in de vooruitstrevende kerken. “Opvallend is dat moderne opvattingen vooral ingang vinden bij kerken of delen van kerken waar de ontdekkende prediking van Gods wet naar de achtergrond verdwijnt.” Deze prediking staat volgens de predikant ‘haaks op ons gevallen bestaan’. De wet verdwijnt dan achter de liefde. “Zo gaat de autonome mens bepalen wat de wet zegt, terwijl de wetsprediking juist nodig is om onze autonomie te breken.17

De gevolgen van de zondeval

Het erkennen van de zondeval is hier belangrijk. “Functioneert de zondeval niet meer, dan wordt het uitgangspunt de gelovige mens. Deze gaat ervan uit dat Gods Geest in hem woont en vertrouwt erop de juiste keuzes te maken.” De Heer geeft aan dat daar ‘waar een bijbels-separerende prediking ontbreekt’ er ‘gemakkelijk’ allerlei ‘vernieuwingen (…) doorgevoerd. Die vernieuwingen worden vervolgens in de Bijbel ingelezen.” Als voorbeeld neemt De Heer Galaten 3:27-28. Op grond daarvan gaat de deur open richting vrouw-in-het-ambt en transgenderisme. “Op grond van Galaten 3:27-28 vindt een gereformeerd vrijgemaakte predikant zelfs dat we rustig genderneutraal kunnen spreken en de gemeente in de kerkdienst mogen begroeten met ‘goedemorgen mensen’. Christenen verabsoluteren immers het verschil tussen man en vrouw niet meer.” Dit soort redeneringen schuiven de scheppingsorde opzij. “Maar Paulus grijpt juist daarop terug als hij, door de Heilige Geest geïnspireerd, het verschil tussen man en vrouw uitlegt (1 Tim. 2:9-15).

Het gaat hier om een nieuwe manier van Bijbellezen, een nieuwe hermeneutiek. De Heer besluit zijn artikelenserie af met een oproep om de tijdgeest te doorgronden. “Een vanouds traditioneel kerkverband als de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) wordt in rap tempo een moderne kerk, waarin de boodschap van zonde en genade steeds vager klinkt en de moderne mens het steeds meer voor het zeggen heeft. Wat ons daarom te doen staat? De tijd doorgronden, de geesten beproeven en veel bedelen om het licht van Gods Geest.18

“Bijbeluitleg in het spoor van de Verlichting neemt echter het verstand en de natuurwetenschap als uitgangspunt.” Bron: Pixabay.

Schepping en Evolutie

De predikant ziet ook op het gebied van schepping-en-evolutie wissels omgaan. Ook hier is de manier waarop we de Bijbel lezen belangrijk. De Heer: “Steeds opnieuw is de vraag: Hoe lezen we de Bijbel en welk gezag heeft het spreken van de Heere voor ons?19 In het vierde deel van deze serie komt opnieuw het schepping-evolutie-debat aan de orde. Binnen de klassieke Bijbeluitleg wordt onvoorwaardelijk onderworpen aan het spreken van God. “Spreekt de Heere over zes scheppingsdagen? Wordt dat in het vierde gebod van Gods wet herhaald? Wel, dan biedt de Bijbel geen ruimte om de scheppingsdagen uit te leggen als lange perioden.” Bijbeluitleg in het spoor van de Verlichting neemt echter het verstand en de natuurwetenschap als uitgangspunt. “Het verstand van de mens trekt conclusies uit de waarnemingen in de natuur. Als daaruit blijkt dat het heelal en ook de aarde miljarden jaren bestaan, dan moet Genesis 1 wel op een andere manier woerden uitgelegd.” De vragen die vanuit de natuurwetenschap gesteld worden zijn natuurlijk niet simpel. “Het kan knap lastig zijn als we met een overvloed aan ‘bewijs’ worden geconfronteerd.” Toch wil dr. J.M.D. de Heer op dit punt niet afwijken van Gods Woord. “En toch, de Heilige Geest inspireerde Genesis 1 zoals het hoofdstuk in onze Bijbel staat. Pogingen om schepping en evolutie20 met elkaar te combineren knagen aan het gezag van Gods Woord.”21

Scheppingsorde

Volgens diverse voorstanders van nieuwe hermeneutiek is er een ontwikkelingslijn te zien van schepping naar herschepping. Bij Christus’ opstanding waren vrouwen betrokken, dit is ‘een signaal dat ze in de kerk van het Nieuwe Testament ook mogen prediken’. “De orde in de schepping – eerst de man en dan de vrouw – is niet meer zo toe te passen op het heden.” Een minderheid (binnen de CGK Synode 1998) ‘vond dat de scheppingsorde als een raster werd gelegd op de verhouding man en vrouw’. De helderheid van de Schrift mag echter ‘niet worden verduisterd door allerlei culturele ontwikkelingen. Bovendien wordt de orde van de schepping – de mans als hoofd van de vrouw – niet opgeheven door het verlossingswerk van Christus’.22

Ten slotte

Het is goed om te zien dat er ook binnen de Gereformeerde Gemeenten herhaaldelijk aandacht is voor hermeneutiek, exegese en Schriftgezag.23 In de artikelenserie van dr. J.M.D. de Heer geen zelfverheffing, maar de hand ook in eigen boezem. Immers: “En deze dingen alle zijn hunlieden overkomen tot voorbeelden; en zijn beschreven tot waarschuwing van ons, op dewelke de einden der eeuwen gekomen zijn. Zo dan, die meent te staan, zie toe, dat hij niet valle. Ulieden heeft geen verzoeking bevangen dan menselijke; doch God is getrouw, Die u niet zal laten verzocht worden boven hetgeen gij vermoogt; maar Hij zal met de verzoeking ook de uitkomst geven, opdat gij ze kunt verdragen.” (1 Korinthe 10:11-13, SV) In dit verband zou het goed zijn om de ‘krachten’ te bundelen (zoals onlangs ook in de hartenkreet van dr. C.P. de Boer te horen was24). Niet omdat we het moeten verwachten van mensen (want dan is het hopeloos), maar omdat de Heere wil werken door de middelen.

Voetnoten

Paul en Hoek schrijven over een belangrijk onderwerp – Bespreking ‘Een stem uit de hemel’

Een stem uit de hemel‘ Dit boek bestaat uit twee delen. Deel A is van de hand van prof. dr. M.J. Paul en deel B is door prof. dr. J. Hoek geschreven. Dr. Paul schrijft over Gods spreken in de Bijbel, dr. Hoek over het Schriftgezag in deze tijd. Samen hebben ze elkaars hoofdstukken doorgesproken, zodat het boek toch een eenheid vormt.

Paul bespreekt allerlei (alle?) facetten van zijn onderwerp, zoals de manier van Gods spreken (niet alleen door mensen, maar ook vanaf het verzoendeksel, in de geschiedenis, en dergelijke). Het is te veel om op te noemen. Paul gebruikt hierbij wel enkele honderden Bijbelteksten. Daarna schrijft hij over buiten-Bijbelse dingen die met zijn onderwerp te maken hebben, zoals het ‘spreken’ van andere goden, Gods spreken in apocriefen en pseudepigrafen. Na dat alles noemt Paul de consequenties uit wat hij geschreven heeft voor het lezen van Genesis 1 tot en met 3, Job, Jesaja, Jona en Openbaring. Hoek bespreekt het gezag van Gods Woord voor een groot deel in confrontatie met andere theologen, bijvoorbeeld Kuitert, Berkhof en Bavinck. Daardoor is zijn bijdrage moeilijker te lezen dan die van Paul.

Een belangrijk onderwerp is de hermeneutiek. Daarbij is het de vraag in hoeverre je er bij de uitleg van de Bijbel rekening mee moet houden dat de Bijbelschrijvers in een andere cultuur leefden dan wij nu. Dat aspect staat momenteel in delen van de gereformeerde gezindte ter discussie. Heel actueel dus. Hoek neemt het orthodoxe standpunt in. Er komen nog tal van andere aspecten van het Schriftgezag voorbij. Een stem uit de hemel is een waardevol en actueel boek, met de nodige registers en een literatuuropgave.

Dit artikel is met toestemming overgenomen uit de GezinsGids. De volledige bronvermelding luidt: Methorst, W., 2022, Schriftgezag. Een stem uit de hemel, GezinsGids 75 (6): 72.

‘Adam is een historisch figuur en niet een ‘leermodel’ of iets anders’ – ‘Verklaring van gevoelen’ roept op tot Schriftgetrouwe hermeneutiek

In juni 2021 kwam een aantal predikanten binnen de Christelijke Gereformeerde Kerken (CGK) naar buiten met de zogenoemde ‘Verklaring van gevoelen’. De predikanten uitten in die verklaring hun zorg over de koers van de CGK. De verklaring werd gestuurd naar alle predikanten van het kerkverband.1 De verklaring gaat over het functioneren van Schriftgezag en de zogenoemde nieuwe hermeneutiek. In één punt kwam de lezing van Genesis 1-3 aan de orde. In dit artikel zal, na een samenvatting van de ‘Verklaring van gevoelen’, hierop de focus liggen.2

‘Verklaring van gevoelen’

De ‘Verklaring van gevoelen’ werd opgesteld door de predikanten en theologen prof. dr. A. (Arie) Baars, dr. C.P. (Pieter) de Boer, ds. A.A. (Anton) Egas en drs. J.M.J. (Jaap) Kieviet. Volgens de opstellers is alleen de Schrift de norm en bron voor leer, geloof en leven. Voor de predikanten is zowel het Sola Scriptura als het Tota Scriptura fundamenteel. “De gehele Schrift geldt als gezaghebbende en onfeilbare Woord van God.” Zoals ook verwoord is in de Nederlandse Geloofsbelijdenis artikel 5.3 Predikanten hebben de roeping om recht te doen aan het geheel van de Heilige Schrift. “Als er zich een kwestie voordoet inzake de ware en volle betekenis van de een of andere Schriftplaats, dan moet men die opsporen en leren kennen met behulp van andere plaatsen die meer duidelijk spreken.” Hierbij moet in gedachten worden gehouden dat de Heilige Schrift Gods Woord is. De opstellers zien vrijheid van exegese als groot goed, maar deze is niet ongelimiteerd.4

Hermeneutiek

Hermeneutiek is belangrijk. Het gaat hier om ‘het geheel van regels die in acht genomen worden bij de uitleg van de tekst’.5 Hieronder een opsomming die gemaakt wordt in ‘Verklaring van gevoelen’:

  • De erkenning van de Schrift als het Woord van God.
  • De noodzaak van het getuigenis van de Heilige Geest.
  • De Schrift als haar eigen uitlegster.
  • De tijdbetrokkenheid van de Schrift.
  • Het rekening houden met het onderscheid in literaire vormen en genres.
  • Etc.

Deze set regels zijn er om te komen tot een verantwoorde Bijbeluitleg. Hermeneutiek moet dienstbaar zijn aan het spreken van de Schrift. We moeten ons daarbij niet laten leiden door ‘de autonome verstaanshorizon van de moderne mens’. De Schrift moet niet worden ‘benaderd als tijdgebonden’. Ook de ´huidige cultuur’ mag de uitkomst van de uitleg van Schrift niet bepalen.

Rationalisme

De punten 5 tot en met 7 van de ‘Verklaring van gevoelen’ zijn voorbeelden uit de praktijk, waarbij we hieronder op punt 7 nog terugkomen. De hierboven geschetste opvattingen aangaande de omgang met de Schrift wordt (bijvoorbeeld door prof. dr. Arnold Huijgen6) als eenzijdig rationalistisch bekritiseerd. De geleerde bepleit daar tegenover een meer literaire of meditatieve lezing van de Schrift. “Opmerkelijk is dat binnen deze manier van lezen de neiging tot rationaliseren evenzeer opduikt. En zelfs op een gevaarlijke manier. Dat blijkt wanneer er een schifting plaatsvindt tussen de diverse historische feiten in de Schrift. De opstanding zou wel historisch zijn, maar andere als feiten beschreven gebeurtenissen (met name die niet natuurwetenschappelijk verklaard kunnen worden) niet per se.” De opstellers noemen dit het toepassen van ‘een eigenmachtig selectiecritierium’ en wijzen erop dat hier ernstig tekort wordt gedaan aan ‘de autoriteit van het Woord van God’. De predikanten stellen daar ‘tegenover dat van ons wordt gevraagd de Schrift gehoorzaam en eerbiedig te lezen, omdat God door haar tot ons spreekt, Zichzelf openbaart en Zijn werken verkondigt’. “Anders gezegd, in liefde tot Hem te luisteren, dat is: met heel ons hart, met heel onze ziel, met heel onze kracht en met heel ons verstand. Deze laatste functie hoort er dus wel degelijk bij, al heeft ze niet de eerste rechten.” De Schrift is gegeven ‘opdat wij God en Christus leren kennen en door het werk van de Heilige Geest uit Hem gaan leven’. De levensvraag zou moeten zijn: ‘Heere, wat wilt U dat ik doen zal?’ De opstellers denken dat discussies over nieuwe hermeneutische inzichten ‘de gemeenten in verwarring brengen’. De ‘vastheid van Gods Woord’ wordt aangetast en er blijven slechts, naar 1 Korinthe 2:4, bewegelijke woorden van menselijke wijsheid over.

Genesis

De ‘Verklaring van gevoelen’ besteedt ook aandacht aan het begin van de Bijbel. Genesis 1 tot en met 3 dienen zich voor de predikanten ‘aan als een beschrijving van een historische werkelijkheid’. Hier is uiteraard niet alles mee gezegd. De opstellers vergelijken het met de opstanding van Christus. “Maar hoe dan ook, het is onmiskenbaar: de heilige Schrift beschrijft de schepping als feitelijk gebeuren.” In de ‘Verklaring van gevoelen’ wordt hierbij verwezen naar de decaloog (de Wet des Heeren). Hieruit blijkt ‘dat de scheppingsdagen gewone dagen van 24 uur zijn geweest’. Ook wordt er een historische Adam verdedigd. Adam is ‘blijkens alle gegevens uit de Schrift een historische figuur en geen ‘leermodel’ of iets dergelijks’. Ter ondersteuning van deze zin wordt een publicatie van wijlen prof. dr. J.P. Versteeg aangehaald, met als titel ‘Is Adam in het Nieuwe Testament een ‘leermodel’’.7 De opstellers zijn wars van een bepaalde vorm van evolutiedenken. “Wie het begin van de Bijbel onder het raster van een bepaalde vorm van evolutiedenken legt, ontkent in feite ook de historiciteit van de zondeval, en daarmee van het ontstaan en de aard van de zonde. Dat heeft desastreuze gevolgen, niet het minst voor de leer van de verlossing (Rom. 5: 12vv, 1 Kor. 15:45vv) en voor de erkenning van de scheppingsorde.

In de vereenvoudigde versie voor gemeenteleden wordt de historische schepping ook aangehaald. De Schrift beschrijft, volgens de opstellers de schepping ‘als een historische werkelijkheid, een feitelijk gebeuren’. Hiervoor wordt eveneens verwezen naar de Tien Geboden. Ongetwijfeld blijven er rond de schepping nog vragen over. “Maar het gaat erom of we willen buigen onder het duidelijke spreken van het Woord van God.” Het evolutiedenken wordt opnieuw afgewezen: “Wie onder invloed van het evolutiedenken vragen stelt bij de historiciteit van de schepping kan ook de feitelijkheid van de zondeval niet meer staande houden. Op dat hellende vlak zullen ook de ernst van de zonde en het wonder van de verlossing op losse schroeven komen te staan. En nog veel meer!

Ten slotte

We zijn blij met dit heldere geluid van de predikanten en hopen dat er veel steun is voor het Christelijk Gereformeerd Beraad.8 Ook is het goed dat er een heilige verontwaardiging doorklinkt als het gaat om het evolutiedenken. Dit evolutiedenken is als een zuurdesem dat de moderne tijdgeest doortrokken heeft. Het is een verademing als er nog geluisterd kan en mag worden naar de eenvoud van Gods Woord. Dat alle vragen hiermee niet zijn opgelost staat buiten discussie. Goed dat de opstellers onderstrepen dat Genesis niet alleen gaat om historiciteit, maar óók historisch is. De Schrift is namelijk géén geschiedenisboek of natuurkundeboek. De geschiedenissen in de Schrift hebben ook een diepere geestelijke betekenis. Wie dat uit het oog verliest wordt eenzijdig en doet de Schrift tekort.

Voetnoten

Irenaeus van Lyon en het gezag van de Bijbel – Dr. Bart van Egmond houdt een lezing over de Vroege Kerk

Op 22 juni 2021 plaatste ‘Samen Gereformeerd’ een lezing van dr. Bart van Egmond over de Vroege Kerk. De titel van de lezing luidt: ‘Irenaeus van Lyon en het gezag van de Bijbel‘. Hieronder wordt de lezing gedeeld.

Het gezag van de Schrift (2-slot): Waarom is het zo moeilijk voor de mens de Bijbel te aanvaarden en absoluut gezag toe te kennen?

“De scheppingsordening van het huwelijk wordt in het Nieuwe Testament zelfs geïntensiveerd. De verhouding van man en vrouw moet een afspiegeling zijn van de verhouding van Christus en Zijn kerk.” Bron: Pixabay.

De heilige kus en over slavernij

Ter onderbouwing van de zienswijze dat ook het Nieuwe Testament niet direct relevant kan zijn, wordt bijvoorbeeld gewezen op de opdracht elkaar een heilige kus te geven. Iets wat in de kerken van de gereformeerde gezindte niet gebeurd. Nu kan daar eenvoudig op worden geantwoord dat wij gehoor geven aan deze apostolische opdracht middels een cultureel equivalent van de heilige kus, namelijk een hartelijke handdruk.

Echter, zo horen we, wij wijzen toch terecht slavernij af en het Nieuwe Testament doet dat niet. Als wij hier lijnen doortrekken waarom dan niet als het gaat om de positie van de vrouw of het Bijbelse getuigenis van huwelijk en seksualiteit? Inderdaad, erkent het Nieuwe Testament slavernij als een maatschappelijke realiteit. Daarbij schrijft Paulus wel aan de gemeente van Korinthe: ‘Zijt gij, een dienstknecht zijnde, geroepen, laat u dat niet bekommeren; maar indien gij ook kunt vrij worden, gebruik dat liever.’ (1 Kor. 7:21).

Aan Filemon schreef Paulus over de weggelopen slaaf Onesimus het volgende: ‘Want wellicht is hij daarom voor een kleinen tijd van u gescheiden geweest, opdat gij hem eeuwig zou weder hebben. Nu voortaan niet als een dienstknecht, maar meer dan een dienstknecht, namelijk een geliefden broeder, inzonderheid mij, hoeveel te meer dan u, beide in het vlees en in den Heere.’ (Filemon 15–16). Niet onmogelijk is dat Paulus er op zinspeelt dat Onesimus wordt vrijgelaten. Zeker is dat in de mozaïsche wetgeving een Hebreeër nooit langer dan zes jaar slaaf kon zijn. In het zevende jaar werd hij vrijgelaten. De teneur van de Bijbel is dat slavernij nooit blijvend mag zijn.

Van belang is wel dat wij de complexiteit van het verschijnsel van slavernij onderkennen. We denken vaak aan de slavernij van Afrikanen en de Afrikaanse slavenhandel. Zeker is dat ook in de oudheid heel kwalijke vormen van slavernij voorkwamen. Slaven konden echter ook hoge posities bekleden. Slavernij stond niet los van de economische realiteit van schuld en de noodzaak van vast arbeidskrachten. Dan moeten we beseffen dat economische realiteiten die wij heel gewoon vinden, feitelijk in het licht van de oudheid als slavernij moeten worden gezien.

Bijvoorbeeld: een bedrijf betaalt je studie op voorwaarde dat je na afronding ervan minimaal vijf jaar bij dat bedrijf werkt. In het licht van de oudheid betekent dit vijf jaar slavernij, maar kwalijk kun je het moeilijk noemen. Anders ligt het met banken die zulke hoge leningen aan ondernemers verstrekken dat zij feitelijk een slaaf worden van de bank. Zij kunnen bepaald niet doen en laten wat zij willen. Nog altijd geldt dat het eerste doel van het Evangelie verzoening met God is en niet een totale vernieuwing van de maatschappij. Pas in het nieuwe Jeruzalem zal het zijn, zoals het zal moeten zijn.

Plaats van de vrouw

Nu is de slavernij geen scheppinginstelling. Dat geldt wel voor het huwelijk en daaraan gerelateerd de verhouding man en vrouw. De scheppingsordening van het huwelijk wordt in het Nieuwe Testament zelfs geïntensiveerd. De verhouding van man en vrouw moet een afspiegeling zijn van de verhouding van Christus en Zijn kerk. Een man moet voor zijn vrouw opkomen en haar beschermen, zoals Christus dat deed en doet voor Zijn kerk. De vrouw behoort haar man te gehoorzamen. Een getrouwde vrouw wordt zalig in het baren van kinderen. Een christelijk huwelijk vooronderstelt de bereidheid kinderen te ontvangen.

Dat is anders dan wat nu gangbaar is in onze westerse wereld, maar het Bijbelse getuigenis moet ons leven en wie weet vervolgens de cultuur stempelen. Het moet niet zo zijn dat de cultuur de inhoud van het getuigenis dat de kerk geeft, gaat bepalen. Dan is het kerkelijke getuigenis niet meer het Bijbelse getuigenis. Dat zien we zeker als het gaat om de positie van de vrouw.

Als het gaat om de zaligheid en het dienen van de Heere telt het onderscheid van man en vrouw niet. Dat neemt niet weg dat man en vrouw ook onder de nieuwe bedeling een eigen taak houden in het gezin, in de kerk en dat heeft dan ook zijn uitstraling naar de samenleving. Wie het Nieuwe Testament hier cultuurgebonden ziet, doet dat eigenmachtig zonder dat het Nieuwe Testament daar enige grond voor biedt.

Het beroep op de grote plaats van vrouwen rondom Jezus onder wie Maria in het Nieuwe Testament doet daar niets van af. De vrouwen die de boodschap van engelen over de opstanding hoorden, krijgen de opdracht dit de discipelen van Jezus te vertellen. Zij nemen niet hun plaats en taak over. Vrouwen hadden een een plaats in de eerste christelijke gemeenten.
We kunnen bijvoorbeeld denken aan Phebe. Zij is ongetwijfeld een wat rijkere vrouw geweest en een soort patrones geweest van de gemeente van Kenchreeën. In 1 Timotheüs 5 schrijft Paulus over de weduwen die diaconale diensten verleenden en door de gemeente werden onderhouden. Misschien is zij bedoeld met de vrouw die Paulus noemt in 1 Tm. 3:11, hoewel het waarschijnlijker lijkt dat de vrouwen van ouderlingen en diakenen zijn bedoeld.

Wie stelt dat het Nieuwe Testament de vraag naar de vrouw in het ambt open laat, leest het Nieuwe Testament wel heel bevooroordeeld. De uitspraken van Paulus in de pastorale brieven zijn volstrekt eenduidig en helder. Een ambtsdrager (diaken, ouderling onder wie ook wat wij een predikant noemen, is begrepen) is een man. Nergens geeft Paulus aanleiding tot de gedachte dat hij zich hierbij aanpast aan de omliggende cultuur.

Als betuigt dat hij de Joden ene Jood en de Grieken een Griek is (vgl. 1 Kor. 9:20v.), mogen we dat beginsel niet zo toepassen dat afstand nemen van zaken waaraan de Schrift ons uitdrukkelijk bindt. Concreet denkt Paulus aan de spijs- en reinheidswetten en wie zijn toespraak in Handelingen leest, bemerkt dat hij bij zijn boodschap zich rekenschap geeft van de voorkennis van zijn gehoor. Het laat ons zien hoe wij het genoemde beginsel moeten hanteren.

“Ingrijpender nog dan het relativeren van het Bijbelse getuigenis over man en vrouw is dat van het niet ernstig nemen van het getuigenis over huwelijk en seksualiteit. Dat is daarom ingrijpender, omdat volgens de Bijbel zelf men hiermee zijn zaligheid op het spel zet.” Bron: Pixabay.

Huwelijk en seksualiteit

Ingrijpender nog dan het relativeren van het Bijbelse getuigenis over man en vrouw is dat van het niet ernstig nemen van het getuigenis over huwelijk en seksualiteit. Dat is daarom ingrijpender, omdat volgens de Bijbel zelf men hiermee zijn zaligheid op het spel zet. In 1 Kor. 6:9-11 lezen we het volgende: ‘Of weet gij niet, dat de onrechtvaardigen het Koninkrijk Gods niet zullen beërven? Dwaalt niet; noch hoereerders, noch afgodendienaars, noch overspelers, noch ontuchtigen, noch die bij mannen liggen, noch dieven, noch gierigaards, noch dronkaards, geen lasteraars, geen rovers zullen het Koninkrijk Gods beërven. En dit waart gij sommigen; maar gij zijt afgewassen, maar gij zijt geheiligd, maar gij zijt gerechtvaardigd, in den Naam van den Heere Jezus, en door den Geest onzes Gods.’

Belangrijk is te beseffen dat alle seksualiteit buiten het huwelijk voor de Bijbel een vorm van hoererij is. (vgl. ook Deut. 22:22-30). Daarmee is niet ontkend dat de ene vorm van hoererij ingrijpender is dan de andere. De wissel gaat niet om bij het al dan niet accepteren van stabiele homoseksuele relaties of transitie, maar bij het accepteren van seks voor het huwelijk. De eeuwen door werd hierover schuldbelijdenis noodzakelijk geacht. Een schuldbelijdenis die een publiek karakter had als de zonde ook publiek was. Zonder schuldbelijdenis daarover kon men immers het koninkrijk van God niet ingaan.

Als men dit niet meer nodig acht, is acceptatie van homoseksuele relaties en van transitie een kwestie van tijd. Immers niet de Bijbel is dan maatgevend – zeker niet als het gaat om het beërven van Gods koninkrijk – maar de maatschappelijke consensus. Dan zie je wel dat kerken en christenen die consensus nog een Bijbelse en christelijke kleur willen geven.

Juist op het gebied van huwelijk en seksualiteit moeten de kerk en een tegencultureel geluid laten horen en een tegenculturele houding tonen. Dat hebben de eerste christenen gedaan. Dat deed de Vroege Kerk en wij moeten het ook doen. Wat wij zien is dat christenen die in de brede zin van het woord orthodox willen zijn, met een beroep op de grote nood van mensen een transitie of stabiele homoseksuele relatie als noodoplossing geoorloofd zien.

Ik wil de nood van hen die transgendergevoelens of homoseksuele gevoelens hebben niet ontkennen, maar de vraag is of wij die nood onder de koepel van het Bijbelse getuigenis moeten zetten of het Bijbelse getuigenis onder de koepel van die nood. Wie dat laatste doet, zal dat ook moeten doen bij singles met heteroseksuele gevoelens voor wie het gemis van seksueel contact ondraaglijk wordt.

Bij deze benadering is de gedachte dat God anders zal oordelen dan Hijzelf in Zijn Woord heeft geopenbaard. Maar waar is die gedachte op gegrond. Vaak wordt dan gezegd: wij moeten het oordeel aan God laten, maar dat betekent toch niet dat wij moeten aannemen dat God anders is dan Hij Zichzelf heeft geopenbaard. We moeten dan aannemen dat er op de regel dat een mens wedergeboren moet worden uitzonderingen zijn. Dat kan je alleen aannemen als je een verschil ziet tussen de Bijbel en het Woord van God. Dan verwijst de Bijbel wel naar Gods Woord, maar is niet meer dan een eerste en primaire neerslag ervan.

Mij is in dit verband wel gezegd: U zou hier toch ook anders over kunnen gaan denken? Ik meen van niet, omdat Gods Geest Gods Woord in mijn hart heeft geschreven. Echter, met het oog op de argumentatie wil ik er dan vanuit gaan. Dan is mijn antwoord: Ga er dan niet van uit dat God anders zal oordelen, omdat ds. De Vries van gedachten is veranderd. Zijn Woord is waar, los van wat ik geloof. Dat staat om maar zo te zeggen los van mijn bevinding.

De Bijbel leert ons dat bij het kennen van Christus navolging van Christus behoort. Navolging betekent ook zelfverloochening en in Zijn kracht tegen jezelf strijden. Aan de navolging van Christus is voor de één een hogere prijs verbonden dan voor de ander. De één zal een zwaardere strijd moeten voeren dan de ander. Laat echter dit duidelijk zijn dat genade zonder zelfverloochening en een levenslange strijd tegen jezelf, goedkope genade is en niet de genade die God ons om Christus’ wil schenkt en waarin Hij ons doet delen door de kracht van Zijn Geest.

Bijbel en wetenschap

Hoe verhouden zich de Bijbel en de wetenschap? Bijbel en wetenschap hebben elk hun eigen focus. De Bijbel is ons gegeven opdat wij als gevallen mensen God weer echt leren kennen en dat door Zijn Zoon Jezus Christus. De wetenschap doorzoekt deze werkelijkheid. Elke wetenschap heeft zijn eigen terrein en in overeenstemming daarmee ook weer eigen regels.

In een aantal gevallen is er niet tot nauwelijks sprake van overlap. Ik denk aan chemie, economie, wiskunde. Hoewel als je wiskunde onderzoekt, kan je je de vraag stellen, waarom is wiskunde mogelijk? Waarom kunnen we met wiskundige formules deze werkelijkheid beschrijven? Het antwoord op die vraag blijkt altijd wetenschappelijk gekleurd.
Er zijn ook meerdere terreinen waarop overlap is tussen de Bijbel en wetenschap, maar waar het eigen perspectief van elk sterk naar voren komt. Ik noem als voorbeelden psychologie en sociologie. Je kunt bekering ook vanuit psychologisch perspectief beschrijven en de vroegste christelijke kerk vanuit sociologische categorieën beschrijven. Van groot belang is dan wel te beseffen dat dit deelperspectieven zijn. Zij onthullen niet wat bekering en wat de christelijke kerk in de diepste zin van het woord zijn. De waarheidsvraag blijft buiten beschouwing.

Ook van de natuurwetenschappelijke beschrijving van de werkelijkheid moet je zeggen dat het een perspectief is en bepaald niet aan de volledige werkelijkheid recht doet. Inmiddels al weer heel wat jaren geleden heeft de Delftse hoogleraar A. van den Beukel, die overigens geen orthodox christen is, daarop gewezen in zijn boek De dingen hebben hun geheim. Een natuurwetenschappelijke beschrijving is per definitie een reductie.

Als het gaat om de Bijbel en wetenschap, dan moet de Bijbel het primaat hebben. Met betrekking tot wetenschap is van belang een verschil te maken tussen harde feiten en theorieën gebaseerd op die feiten. Wanneer we het over de Bijbel hebben, moeten wij beseffen dat wij als het gaat om het verstaan ervan ten dele kennen. Wel is van belang in overeenstemming met het zelfgetuigenis van de Schrift, vast te houden aan het gegeven dat de Bijbel de stem is van God en objectieve en vaste inhoud heeft.

We miskennen de aard van de Schrift, als voor ons de Schrift niet meer is dan de eerste en primaire neerslag van menselijke reacties op de openbaring. Dan krijgt de menselijke factor een zelfstandige betekenis. De Bijbel is dan niet langer rechtstreeks het Woord van God en de Bijbelschrijvers kunnen niet meer als secretarissen van de Heilige Geest worden gezien (een beeld dat niet wijst op de modus maar het resultaat van de inspiratie). De Bijbel wordt dan het boek van God én mensen.

“De Bijbel leert ons dat de mensheid afstamt van één mensenpaar die aanvankelijk het paradijs als woonplaats hadden. Wie de evolutieleer aanvaardt, moet het historische paradijs opgeven. Zondige gevoelens en begeerten zijn dan niet zozeer verbonden met erfzonde, maar een restant van dierlijk gedrag dat te maken heeft met het proces van evolutie.” Bron: Pixabay.

Kan aanvaarden van de evolutietheorie samengaan met geloof in de Bijbel?

Ik kan niet alle vragen op het gebied van het Bijbels getuigenis over het ontstaan van de wereld en wetenschappelijke inzichten daarover beantwoorden. De Bijbel zegt ons niet welke processen God heeft gebruikt in de zesdaagse scheppingsweek. Wel is duidelijk dat de mens wezenlijk van de rest van de schepping, ook van de bezielde schepping is onderscheiden. Dit is niet te verenigen met onvoorwaardelijke acceptatie van de evolutieleer.

De Bijbel leert ons dat de mensheid afstamt van één mensenpaar die aanvankelijk het paradijs als woonplaats hadden. Wie de evolutieleer aanvaardt, moet het historische paradijs opgeven. Zondige gevoelens en begeerten zijn dan niet zozeer verbonden met erfzonde, maar een restant van dierlijk gedrag dat te maken heeft met het proces van evolutie. De dood van de mens is geen gevolg van de zonde, maar behoort bij het leven.

Lezenswaardig is in dit verband nog altijd het boek Ik ben de Alpha van ds. G. Boer, een bundel Bijbellezingen (gehouden in de Hervormde gemeente van Huizen in 1964) over Genesis 1. De auteur worstelde ook met vragen rond de ouderdom van de aarde, maar als het gaat om zaken als pre-adamieten is hij volkomen duidelijk. Boer schrijft dan onder andere:

‘Maar weet ge, de gedachte dat Adam en Eva schimachtige figuren zijn, wint hand over hand veld, ook in kringen waar wij dit niet verwacht hadden. Daarom wil ik u wapenen voor een strijd die op de scholen reeds gaande is en van lieverlede de gemeenten binnendringt. Wie Adam laat verdampen in de nevelen van de oer¬geschiedenis, heeft de heilige Schrift naar haar zelfgetuigenis tegen zich. Ja, die heeft de Heilige Geest die van deze Schriften de auteur is tegen zich, die heeft God tegen zich. En dat heeft zich gewroken en zal zich verder wreken. Want wie Adam verliest, die verliest Christus. Wie de eerste mens afschrijft, die schrijft de tweede Mens af. Wie Adam tot een legendarische figuur maakt, die verliest de Christus der Schriften.’

Duidelijker en kernachtiger kan ik het niet zeggen. Wie overtuigt wordt in het licht van Gods heiligheid en majesteit wordt overtuigd van eigen verlorenheid en verdorvenheid, loopt vast met de evolutieleer en wie meegaat met de evolutieleer zet de deur open om het getuigenis van Gods heiligheid en onze verlorenheid steeds meer te relativeren.

Waarom is het zo moeilijk voor de mens de Bijbel te aanvaarden en absoluut gezag toe te kennen?

Heel eenvoudig, omdat ik er dan zelf aan moet. Niet mijn inzichten en gevoelens zijn het uitgangspunt en oriëntatiepunt, maar wat God zegt. Bekering betekent dat wij met Samuël leren zeggen: ‘Spreek, want Uw knecht hoort.’ En dan betekent ‘horen’ ook ‘gehoorzamen’. Intellectuele bezwaren tegen de boodschap van de Bijbel staan nooit op zichzelf. De diepste bezwaren tegen het christelijke geloof zijn altijd religieus en moreel.

Religieus, want men heeft moeite met het getuigenis dat er alleen toegang tot God is door Jezus Christus en dat er buiten het geloof in Hem geen zaligheid, is maar rampzaligheid. Moreel, want men wil een levensstijl en levenspraktijk handhaven, die strijdig is met de Schrift. Augustinus heeft zijn worsteling op dit punt uitvoerig beschreven in zijn Confessiones. In het zevende boek beschrijft hij hoe hij terugkeert naar de Kerk en zijn intellectuele bezwaren verdwijnen. Het achtste boek beschrijft hoe zijn morele bezwaren worden overwonnen. Dat is enkel te danken aan het wonder van Gods vernieuwende genade.

In de Christelijke Dogmatiek wordt uiteindelijk toch niet veel anders over realiteit van de eeuwige straf geschreven dan Berkhof en Berkouwer dat doen. Dit heft alles te maken met het feit dat Van den Brink en Van der Kooi evenals Berkouwer alleen in het kader van het (genade)verbond willen spreken en van Zijn genadige toewending tot de mens.

Huijgen lijkt nog dichter tegen Berkouwer aan te zitten. Daarbij zien we bij hem ook op dit punt heel duidelijk zijn geestverwantschap met Barth. Hij zei onlangs in een podcast van de EO het volgende: ‘Ik denk dat we moeten oppassen met het teveel invullen, maar ook moeten oppassen om te zeggen: God is zó goed, het komt allemaal in orde met ons. Daarvoor zijn de woorden van Jezus net iets te ernstig. Hoe het uitpakt is in Gods hand, daar hoeven wij geen oordeel over te hebben. Het positieve aan een oordeel is dat niet iedereen overal mee wegkomt. God neemt ons gedrag serieus.’

In de Christelijke Dogmatiek wordt uiteindelijk toch niet veel anders over de realiteit van de eeuwige straf geschreven dan Berkhof en Berkouwer dat doen. Dat heeft alles te maken met het feit dat Van den Brink en Van der Kooi evenals Berkouwer over God alleen in het kader van het verbond en Zijn genadige toewending tot de mens willen spreken.
Zowel binnen de gereformeerde gezindte als in evangelische kring wordt door theologen en ook op het grondvlak de realiteit van de twee wegen en van de twee eindbestemmingen gerelativeerd. Met een beroep op het feit dat wij niet mogen oordelen wordt vaak gesuggereerd dat wij niet mogen uitspreken dat God Zich op de jongste dat zal houden aan de maatstaven die Hijzelf heeft geopenbaard.

Met zulke geluiden zijn we heel ver verwijderd van de gereformeerde belijdenis. Ik noem vraag en antwoord 84 van de Heidelbergse Catechismus.

Vr 84. Vr. Hoe wordt het hemelrijk door de prediking des Heiligen Evangelies ontsloten en toegesloten?
Antw: Alzo, als, volgens het bevel van Christus, aan de gelovigen, allen en een iegelijk, verkondigd en openlijk betuigd wordt, dat hun, zo dikwijls als zij de belofte van het Evangelie met een waar geloof aannemen, waarachtig al hun zonden van God, om der verdiensten van Christus’ wil, vergeven zijn; daarentegen allen ongelovigen, en die zich niet van harte bekeren, verkondigd en be¬tuigd wordt, dat de toorn Gods en de eeuwige verdoemenis op hen ligt, zolang als zij zich niet bekeren; naar welk getuigenis des Evangelies God zal oordelen, beide in dit en in het toekomende leven.

Daartegenover stel ik het getuigenis van R.C. Sproul, een man die wij als de geestelijke vader van de Chicago Statement on Inerrancy kunnen zien. Sproul groeide op in een gemeente met een liberale signatuur, maar kwam als student tot bekering. Niet lang daarna werd hij gewonnen voor de gereformeerde belijdenis. Hij was vooral bekend geworden door Ligioneer Ministries.

Sproul was ervan doordrongen dat we alleen in het licht van Gods heiligheid de grootheid van het Evangelie leren verstaan. In dit verband wees hij vaak op Jesaja 6. De profeet roept als hij zelfs maar iets van Gods heerlijkheid ziet, uit: ‘Wee mij want ik verga.’ Vele malen heeft Sproul een preek over dit hoofdstuk uit de Bijbel gehouden.
Het gemis van het besef van Gods heiligheid zag Sproul als één van de grootste bedreigingen voor de kerk. In relatie met Gods heiligheid was Sproul diep doordrongen van de werkelijkheid van de eeuwige rampzaligheid. Daarin wist hij zich een leerling van Jonathan Edwards, maar bovenal van de Schrift zelf. Meer dan eens wees hij erop dat wij binnen de Bijbel het meeste onderwijs van de realiteit van de hel vinden op de lippen van Jezus Zelf.

Op de vraag of zaken als een poel die brandt van vuur en sulfer en de buitenste duisternis geen beeldspraak is, kon hij antwoorden dat dit inderdaad het geval is, maar dat de werkelijkheid nog erger is dan zelfs deze beeldspraak ons doet vermoeden. Dat mensen moeite hadden met de realiteit van de rampzaligheid – en dan vooral het eeuwigdurend karakter ervan – kon Sproul goed begrijpen. Hij kon daar zelf ook mee worstelen, niet in de laatste plaats als het ging om mensen buiten de kerk aan wie menig christen een voorbeeld kon nemen.

Echter, zo zei hij: ‘Ik ken in ieder geval één persoon van wie het volkomen terecht is, dat hij voor eeuwig verloren gaat en dat is R.C. Sproul.’ Hij kon zeggen dat de Heere hem dat had geleerd en hoopte dat elk van zijn hoorders zo zijn eigen naam leerde invullen. Sproul betuigde ook dat hij mocht weten dat Christus hem had vrijgekocht en verlost van de toekomende toorn. Dat vervulde hem met verwondering en blijdschap.

Afronding

Ik ga afronden. Lees dagelijks biddend de Bijbel om God te leren kennen, jezelf en de Heere Jezus Christus. De Bijbel werpt licht over de gehele werkelijkheid, maar focus van de Bijbelse boodschap is toch de verzoening met God door Christus’ bloed en de vernieuwing door Gods Geest. Laten we daarom ook telkens vragen: ‘Maak in Uw Woord mijn gang en treden vast’ en ‘Heere, wat wilt Gij dat ik doen zal?’ Eenmaal wordt heel deze werkelijkheid vernieuwd. Het nieuwe Jeruzalem zal neerdalen uit de hemel, maar om die stad binnen te gaan, is het nodig om hier in dit leven de lof van het Lam te gaan bezingen.

Weggroeien van het volstrekte gezag van de Schrift is altijd verbonden met het weggroeien van deze focus. Relativering van het gezag van de Schrift staat eigenlijk niet los van het feit dat de vraag naar de persoonlijk zaligheid naar de achtergrond verdwijnt. Die wordt als vanzelfsprekend voorondersteld. Omgekeerd staat blijven bij en terugkeer tot het onvoorwaardelijk buigen voor het gezag van de Schrift nooit los van het feit dat men is geraakt door de boodschap van zonde en genade, dat Christus niet alleen voor anderen maar ook voor mij de Zaligmaker is Die redt van de toekomende toorn.

Een christen is een rentmeester en heeft hier op aarde een taak, maar bovenal is een christen een pelgrim die de Bijbel als reisgids heeft naar het nieuwe Jeruzalem. Hier wandelen we door geloof. Geloof is zowel een zeker weten als vast vertrouwen. Zeker weten dat alles wat God ons in Zijn Woord geopenbaard heeft waarachtig is. Een vast vertrouwen dat niet alleen aan anderen maar ook aan mij om Christus’ wil vergeving van zonden is geschonken en er daarom de begeerte is uit Hem, door Hem en tot Hem te leven.

Het eerste deel van dit tweeluik over Schriftgezag verscheen is hier te vinden.

Deze gastbijdrage is met toestemming overgenomen van de website van dr. P. de Vries. Het originele artikel is hier te vinden.

Het gezag van de Schrift (1): Hoe weten we dat de Bijbel het Woord van God is?

Op grond van het zelfgetuigenis van de Schrift en in overeenstemming met de gere­formeerde be­lijdenis behoren wij te belijden dat de Bijbel de uiteindelijke bron en norm van ons geloof is. In­zichten, overtuigingen uit welke bron zij ook komen, dienen ge­toetst te worden aan de Schrift. In onze tijd leeft breed de gedachte dat de Bijbel omdat zij in een bepaalde context is ontstaan, niet rechtstreeks relevant voor ons kan zijn. Daar zit dan een fase tussen.

De brug tussen de boodschap van de Bijbel in de tijd van haar ontstaan en de bood­schap van de Bijbel nu moet door de hermeneutiek – de discipline die zich op de uitleg en het verstaan van de Schrift bezint – worden geslagen. Nu is hermeneutiek een nuttige en nodige discipline. Echter, als het als taak van de hermeneutiek wordt gezien een brug te slaan tussen de boodschap van de Bijbel toen en nu, ontleent de herme­neutiek haar uitgangspunten niet louter aan de Schrift zelf. Dat moet wel tot een ver­tekening van de Bijbelse boodschap leiden.

Hoe weten we dat de Bijbel het Woord van God is?

We kunnen en moeten dat niet op een neutrale manier bewijzen. Dat is strijdig met de aard van het Woord van God zelf. Adam en Eva hadden in het paradijs van God de openbaring ont­vangen dat zij niet mochten eten van de boom van kennis van goed en kwaad. De zondeval zet zich in als Eva de mogelijkheid open gaat houden dat de slang wel eens gelijk zou kunnen hebben. Zij nam de positie in van een neutrale waarnemer, maar hier is er geen neutraliteit. Daarom verloor zij het van de slang.

Ongetwijfeld zijn er argumenten aan te voeren voor de waarheid en het gezag van Gods Woord. Daaraan vooraf gaat echter de basisovertuiging dat de Schrift hoe dan ook de stem is van de levende God. Daarvan heeft de Heilige Geest ons overtuigd. Calvijn schreef in zijn Institutie: ‘Maar aangezien geen da­ge­lijkse Godsspraken uit de hemel gegeven worden, en alleen de Schriften be­staan door welke het de Heere goed gedacht heeft Zijn waarheid tot een eeuwige gedachtenis te doen voort­leven, bezit de Schrift door geen ander recht een volle­dig gezag bij de gelovigen, dan wanneer ze gelo­ven dat ze uit de hemel is voortgekomen, even alsof levende stemmen Gods zelf vandaar ge­hoord werden.’ (Institutie, I, VII, 1).

Wie overtuigd is van het gezag van de Schrift, wie weet dat de Bijbel de stem is van de levende God is ook geraakt door haar inhoud. Er is alleen toegang tot onze Schep­per, de God en Vader van onze Heere Jezus Christus door Zijn Zoon in de kracht van Zijn Geest. Met Jesaja hebben we leren belijden: ‘Wee mijner ik verga’. (Jes. 6:5). Met hem mogen we weten dat wij aangeraakt zijn met een kool van het altaar van verzoe­ning.(Jes. 6:7).

Ik kan in dit verband niet nalaten te wijzen op het werkelijk prachtige boekje The Way of Life van de hand van de negentiende-eeuwse Amerikaanse theoloog Charles Hodge. Hodge opent met aan­wijzingen voor het gezag van de Schrift. Nadrukkelijk laat hij innerlijke aanwijzingen verbonden met haar boodschap vooraf gaan aan uiterlijke aanwijzingen. Vervolgens zet hij de Bijbelse bood­schap van zonde en genade uiteen. Voor wie niet vlot Engels leest, wijs ik erop dat een Nederlandse vertaling van dit boekje wordt voorbereid dat in de loop van volgend jaar zal uitkomen.

De historische en culturele context waarbinnen de Bijbel ontstond

De Bijbel is ontstaan binnen een bepaalde historische en culturele context. Dat bete­kent niet dat de boodschap van de Bijbel tijdbepaald en cultuur gebonden is. God leidt alle dingen naar Zijn Raad. Hij heeft ook de tijd en omstandigheden bepaald waarbin­nen de boeken van de Bijbel ontstonden.

Zeker waar is dat als iets wordt beschreven in de Bijbel het daarmee nog niet wordt voorgeschreven. Maar schrijft de Bijbel iets voor, dan mogen wij niet met een beroep op het feit dat de Bijbel in een andere tijd en cultuur is ontstaan, dit terzijde schuiven. Dat geldt ook van de leerstellige boodschap van de Bijbel. In onze tijd beweert
menig­een: dood is dood. Met de toekomende toorn en dat God ons sinds de zondeval niet aanvaardt zoals we zijn, houdt menigeen ook binnen de kerk geen rekening. Het staat ver af van het eigentijdse levensgevoel.

Onbetwistbaar is dat de Heere Jezus en de apostelen diep waren overtuigd van de realiteit van de toekomende toorn. Het werk van de Heere Jezus is alleen tegen die achtergrond te begrijpen. Hij verlost van de toekomende toorn. Zaak is dat wij onze context onder de koepel van het Bijbelse getuigenis stellen en niet omgekeerd. Wij moeten ons denken door de Bijbel laten stempelen en niet de Bijbelse boodschap aanpassen aan het eigentijdse levensgevoel. Biddende omgang met God in het on­derzoek is nodig om daarvoor te worden bewaard.

Wat is Schriftkritiek?

Onder Schriftkritiek verstaan we dat men niet zonder reserve de Bijbel als stem van de levende God aanvaardt. Concreet betekent het dat men niet uitgaat van de eenheid en innerlijke consistentie van het Bijbelse getuigenis. De Bijbel bevat in deze ziens­wijze zowel op historisch, leerstellig en ethisch gebied fouten en onvolkomenheden. Zo meent men dat wat de Bijbel als geschiedenis pre­senteert, op zijn minst ten dele fictie kan zijn. In Bijbelse geschiedschrijving zouden herhaaldelijk fictie en geschiede­nis door elkaar heenlopen en soms is er sprake van louter fictie. Het boek Jona wordt dan vaak als voorbeeld genoemd. De discrepanties tussen de vier evangeliën worden ook als een aanwijzing gezien dat de evangeliën niet zonder meer geschiedschrijving bieden al pretenderen zij dat wel.

Als het gaat om de eenheid van de leerstellige en ethische boodschap van de Bijbel moeten we altijd de gang van de oude naar de nieuwe bedeling verdisconteren. Het Nieuwe Testament is de uiteindelijke openbaring van God. Heel de Bijbel is het Woord van God. Wij kunnen het Nieuwe Testament nooit zonder het Oude Testament begrij­pen. Nu wij naast het Oude Testament ook het Nieuwe Testament hebben, moeten we het Oude Testament in het licht van de nieuwtestamenti­sche vervulling lezen.

Bij ethische onvolkomenhe­den zal men in onze tijd vaak wijzen naar het nieuwtesta­mentisch ge­tuigenis over de verhouding van man en vrouw en huwelijk en seksualiteit. Hier is deze zienswijze van de nieuwtestamentische openbaring niet toereikend. Op het punt van de verhouding man en vrouw zouden er teveel concessies zijn gedaan aan de toenmalige maatschappelijke opvattingen. Met betrekking tot transgender- en homoseksuele gevoelens zou het Nieuwe Testament tekort­schieten in het besef hoe diep deze gevoelens zitten. Wie zich dat wel realiseert, zal vanuit het Bijbelse getuige­nis van Gods liefde ruimte zien voor transitie en stabiele homoseksuele relaties.

De Kerk der eeuwen heeft de Bijbel altijd als eenheid gelezen. Kerkvaders en Refor­matoren spra­ken over de Bijbelschrijvers als secretarissen van de Heilige Geest. Daar­mee wilden zij duidelijk maken hoe het proces van de inspiratie was. Ook zij wisten dat er dan tal van verschillen kunnen zijn. Van directe Godspraak bij de profeten tot nauw­keurig onderzoek voorafgaande aan schrifte­lijke vastlegging, zoals Lukas dat ver­woord. Het ging hen om het resultaat van de inspiratie. De woorden van de Bijbelschrij­vers zijn de woorden van God. Via de woorden van de Bijbelschrijvers horen we echt de stem van God Zelf.

Meer dan eens is gepoogd om Luther en Calvijn als wegbereiders van het kritisch lezen van de Bijbel te zien. Dat is geheel ten onrechte. De apocriefe boeken als Judith en Tobith laten hun niet-canonieke karakter volgens Luther zien in het feit dat zij his­torisch niet betrouwbaar zijn. Dat ligt bij het boek Jona anders. Daar wordt werkelijk geschiedenis beschreven.

Bij de discrepanties tussen de vier evangeliën heeft men de eeuwen door naar harmo­niserende verklaring gezocht. Augusti­nus zegt in zijn boek De consensu evange­listarum dat niemand wil dat de evangelisten elkaar tegenspre­ken, behalve mensen die liever geloven dat het evangelie liegt. Wie de uitleg van Calvijn op de evangeliën leest, komt telkens weer harmoniserende verklaring tegen.

Een heel enkele keer neemt Calvijn aan dat er in bestaande manuscripten een over­schrijffout is geslopen. Het bevat dan een fout die niet in het oorspronkelijke hand­schrift voorkwam. Deze oplossing stelt hij bijvoorbeeld in Mat. 27:9 voor. Bij het over­schrijven zou de naam van Zacharia door die van Jeremia zijn vervangen. Calvijn ge­bruikt hier namelijk het woord ‘obrepserit’ (inge­slopen). In de Engelse vertaling van William Springle wordt ‘obrepserit’ vertaald als ‘put down by mistake’. In de Neder­landse vertaling van A. Brummelkamp lezen we de weergave ‘’mistasting’.

Als het gaat om leerstellige tegenstelling in de Bijbel, wordt onder andere gewezen op het verschil tussen Paulus en Jacobus over de rechtvaardiging door het geloof. Het antwoord is dat het om een schijnbare en niet om een werkelijke tegenstelling gaat. Paulus en Jacobus gebruiken zowel de woorden ‘geloof’ als ‘rechtvaardigen’ op een verschillende wijze. Zakelijk zeggen zij hetzelfde. Het werk van Christus is de enige grond van zaligheid en een levend geloof is nooit zonder vruchten of goede werken.

Maar is juist hier Luther niet een wegbereider van de Schriftkritiek? Immers ook hij nam tussen deze twee nieuwtestamentische getuigen een werkelijke tegenstelling aan? Dat is juist, maar daarom betwijfelde Luther of Jacobus wel een door Gods Geest geïnspi­reerd Bijbelboek was en in het Nieuwe Testament thuishoorde. Hij zou zijn doctorsba­ret wel willen geven aan de theoloog die de overeenstemming tussen Paulus en Jaco­bus kan laten zien. Dan alleen zou hij kunnen aanvaarden dat ook de brief van Jacobus een canoniek Bijbelboek is.

Het grote verschil tussen Luther en Schriftcritici is dat voor Luther canoniciteit en wer­kelijke tegenstellingen onverenigbaar zijn. Dat is voor hen die de Schriftkritiek aan­vaarden geen probleem. De consequentie is dat de Bijbel niet de uiteindelijke bron en norm van het geloof kan zijn.

Wat is tekstkritiek?

Zowel van het Oude Testament als het Nieuwe Testament hebben we tal van hand­schriften. Tussen de handschriften van het Oude Testament bestaan feitelijk slechts geringe verschillen, maar niet altijd is de tekst van het Oude Testament goed te verta­len. De Hebreeuwse tekst is een tekst bestaande uit medeklinkers. Daarbij zijn later klinkers gezet. Soms kan men aannemen dat er toch andere klinkers moeten worden geplaatst. Of dat de ene medeklinker moet worden vervangen door een medeklinker die er op lijkt. Het kan zijn dat een medeklinker beter aan een volgend woord kan worden verbonden. Blijkt dat de alleroudste vertalingen – en dan denk ik vooral aan de Septuaginta – daarvan uitgaan, dan is dat een krachtig argument om die te volgen.

Tussen de handschriften van het Nieuwe Testament bestaan grotere verschillen. Een heel groot deel van de verschillen is gemakkelijk te verklaren als overschrijffouten. Men sloeg een woord of een zin over, enz. Een aantal verschillen is belangrijker. We moe­ten wel beseffen dat welk handschrift we ook volgen – en dat geldt zowel het Oude als het Nieuwe Testament – de boodschap van de Bijbel niet behoeft te worden bijgesteld.

Tekstkritiek is er op uit vast te stellen hoe het oorspronkelijke handschrift eruit zag. Elke uitgave van het Oude of Nieuwe Testament gaat uit of van één handsschrift óf van meerdere handschriften die met elkaar zijn vergeleken. Altijd is er op een of andere manier sprake van het wegen van de handschriften. Welke is de beste? Welke moeten we volgen? Tekstkritiek is dan van een geheel andere orde dan Schriftkritiek.

Heeft de Bijbel wel direct gezag?

Dit wordt steeds meer ontkend. Allerlei argumenten worden aangehaald. Juist als men op een be­paalde wijze nog orthodox wil zijn, wil men niet zomaar zeggen dat de bood­schap van de Bijbel gedateerd is. Iets wat voor liberale theologen geen probleem is. Allereerst moeten we zeggen dat wij altijd de gang van de oude naar de nieuwe bede­ling moeten verdisconteren. God Zelf heeft door de kruisdood van Zijn Zoon de muur van afscheiding tussen Israël en de volkeren afgebroken. Christenen uit de heidenen zijn niet gebonden aan de spijs- en reinheidswetten van Mozes en voor Joodse volge­lingen van Jezus hebben zij alleen culturele betekenis. Als het gaat om het huwelijk kent de nieuwe bedeling niet de tolerantie (wat iets anders is dan goedkeuren) van polygamie en echtscheiding die er onder de oude bedeling was.

Beslissend is Gods uiteindelijke openbaring in het Nieuwe Testament. Met het Nieuwe Testament is de openbaring en de canon afgesloten. Reeds in de tweede eeuw na Chr. worden de grenzen van de canon duidelijk. Bepalend voor de canoniciteit van een nieuwtestamentisch Bijbelboek was dat het boek apostolisch van inhoud of oorsprong was. Het laatste hield in dat het óf door een apostel óf door een van zijn directe mede­werkers was geschreven.

Met het wegvallen van de apostelen en hun directe medewerkers bleven hun schrifte­lijke getuige­nissen over. Beslissend voor de kerk was of een zienswijze daarmee in overeenstemming was. Het is waar dat wij geen nieuwe openbaring verwachten, maar mogen en moeten we echt niet boven het Nieuwe Testament uit­gaan? Als er een ont­wikkeling is van de oude naar de nieuwe bedeling mag die ontwikkeling niet doorgaan? Deze zienswijze is in Nederland al in de negentiende eeuw verdedigd door de zoge­naamde ethische theologen.

Niet de Schrift is de uiteindelijke bron en norm van het geloof, maar Christus Die door Zijn Geest in Zijn gemeente woont. De Schrift is middel om het geloof te werken en te versterken, maar niet zonder voorbehoud de uiteindelijke norm en bron van het geloof. De klassiek protestantse Schrift­visie was, zo meende men, niet vrij van rationalistische trekken. Daar tegenover stelde men dat de waarheid ‘ethisch’ was. De waarheid moet op het hart beslag leggen. Dat laatste is natuurlijk waar, maar dan is toch de vraag: wat is de inhoud van de waarheid.

De Bijbel is de primaire neerslag van het Woord van God, maar niet zondermeer in directe zin het Woord van God. Op die primaire neerslag moet elke volgende generatie zich weer oriënteren om geleid door de Heilige Geest te weten wat God nu van hen vraagt. De leiding van Gods Geest gaat zo boven de concrete inhoud van de Schrift uit.

Tegenwoordig wordt het wel zo verwoord: ‘Wij moeten het Nieuwe Testament niet van­uit onze context uitleggen, maar hoeven ook niet vanuit de context waarbinnen het Nieuwe Testament ontstond haar boodschap voor ons toe te passen.’ Concreet bete­kent dit bijvoorbeeld dat al geeft het Nieuwe Testament geen ruimte voor vrouwelijke ambtsdragers of stabiele homoseksuele relaties, wij moeten verbinden met de context van toen. In de vertolking van de boodschap naar het heden is die context voor ons niet normgevend.

Op deze wijze kan trouwens ook de boodschap van de eeuwige rampzaligheid worden gerelativeerd. Je moet die dan zien binnen de context van het Jodendom van de Tweede Tempel en in het bijzonder de apocalyptiek. Echter vanuit de centrale bood­schap van Gods liefde, zo is dan de argumentatie, mogen we gegevens over de eeu­wige straf relativeren.

Alom zien we een revival van de ethische theologie en met name de ethische Schrift­opvatting. Ik denk aan de Christelijke Dogmatiek van Gijsbert van den Brink en Kees van der Kooij. Zij schrijven over de Bijbel als het boek van God én mensen. Daarmee bedoelen zij meer dan dat God mensen gebruikt heeft om Zijn Woord op schrift te stellen. De menselijke factor heeft voor hen een zelfstandige betekenis ten opzicht van die van God.

In dit verband noem ik ook het boek Lezen en laten lezen van Arnold Huijgen. Dat is geen dogmatiek, maar een hermeneutische studie. Huijgen pleit voor bevindelijk Bijbel lezen. Door het gebruik van ‘bevindelijk’ wordt ongetwijfeld gepoogd bij een aantal le­zers een stuk vertrouwen te wekken. Dat is echter niet terecht. Het gaat bepaald niet om bevinding in de zin van persoonlijke doorleving van de Bijbelse bood­schap van zonde en genade.

Bevindelijk betekent bij Huijgen dat je nooit over de inhoud van de Schrift los van jouw omgang met de Schrift kunt spreken. Je mag de inhoud van de Bijbel niet als objectief typeren. Ik kan het ook zo zeggen wat Huijgen ‘bevindelijk’ noemt, noemde het Schrift­rapport God met ons dat de Gereformeerde Kerken in 1979 uitgaven ‘relationeel’. Bij Huijgen zie je ook dezelfde afstand tot de betrouwbaarheid van de Bijbelse geschied­schrijving als in God met ons.

Bij de Christelijke Dogmatiek is de lijn als het gaat om personen nog directer. Kees van der Kooij is een leerling en theologische geestverwant van Jan Veenhof, een van de opsteller van het rapport God met ons. Ik wil niet zeggen dat God met ons, de Christelijke Dogmatiek en Lezen en laten lezen dezelfde accenten leggen als het gaat om het gezag en begrijpen van de Bijbel.

Vergeleken met God met ons moeten we zeggen dat Christelijke Dogmatiek Bijbel­wetenschap nadrukkelijker ten dienste staat van de dogmatiek dan in God met ons. Het valt niet uit te sluiten dat als Veenhof het rapport alleen had geschreven de betrokkenheid tussen Bijbelwetenschap en dogmatiek sterker was beklemtoond.

Het eigene van Huijgen is dat hij in de lijn van Karl Barth en vooral ook zijn Nederlandse geestverwant Oepke Noordmans wil gaan als het gaat om de wijze waarop we de Schrift moeten zien. Uitgangspunt is Gods openbaring en dat Gods openbaring ons wil lezen. Echter, die openbaring valt niet samen met de Bijbel als het onfeilbare Woord van God.

Wat God met ons, de Christelijke Dogmatiek en Lezen en laten lezen met elkaar ver­bindt, is er een distantie is van de klassiek visie op de aard en de reikwijdte van het gezag van de Schrift. Trouwens ook Gereformeerde hermeneutiek vandaag kan in dit verband worden genoemd. Op een enkele bijdrage na ademt deze uitgave van de Theologische Universiteit Kampen de geest van de nieuwe hermeneutiek.

Genoemde geschriften weerspiegelen en stimuleren een andere wijze van omgang met de Schrift. Is dat erg? Destijds is vanuit de kring van de Gereformeerde Bond, de Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt en de Christelijke Gereformeerde Kerken zeer kri­tisch gereageerd op het rapport Gods met ons. Via de Evangelische Omroep werden in het programma De Bijbel in de beklaagdenbank de bezwaren wereldkundig gemaakt.

Waren die bezwaren achteraf gezien niet onbillijk en overtreffen? Die vraag kan men stellen als men let op de veelal welwillende ontvangst van Christelijke Dogmatiek en Lezen en laten lezen en ook Gereformeerde hermeneutiek vandaag. Bezwaren zijn veel minder fundamenteel. En als er fundamentele bezwaren worden die veel minde breed gedragen dan destijds de kritiek op God met ons. Ik kan niet anders zeggen dat sprake is van stille en innerlijk erosie van het onvoorwaardelijke buigen voor het gezag van de Schrift. De enige oplossing is bekering tot God. Dan laten wij onze gedachten gevangen nemen tot gehoorzaamheid aan Christus zoals Hij tot ons spreekt door Zijn Woord.

Het tweede deel van dit tweeluik over Schriftgezag verscheen is hier te vinden.

Deze gastbijdrage is met toestemming overgenomen van de website van dr. P. de Vries. Het originele artikel is hier te vinden.