Home » Paleontologie

Categorie archieven: Paleontologie

Dinosauriërs bezien vanuit het scheppingsparadigma – Dr. Matt McLain in zesdelige serie van ‘Center for Thinking Biblically’

Dr. Matthew A. McLain is een paleontoloog die het klassieke scheppingsgeloof uitdraagt en meent dat dit scheppingsgeloof ook gevolgen heeft voor de wetenschappelijke kijk op de werkelijkheid. McLain promoveerde in 2016 aan de Loma Linda University op een proefschrift met als titel ‘Taphonomy of a Lance Formation (Maastrichtian, WY) Dinosaur Bonebed with a Focus on Tooth Traces’.1 McLain vertegenwoordigt een nieuwe generatie creationisten en heeft gedegen onderwijs genoten van zijn leermeesters dr. Leonard R. Brand en dr. Arthur V. Chadwick. Momenteel is hij Associate Professor of Biology and Geology aan The Master’s University in Santa Clarita (Californië). We hebben, met Fundamentum, deze geleerde op het congres ‘Bijbel & Wetenschap 2022’ een lezing laten geven over de zogenoemde zoogdierachtige reptielen (mammal-like reptiles of synapsids).2 Begin 2022 sprak hij voor ‘Center for Thinking Biblically’ in een zesdelige korte serie over dinosauriërs.3 Deze serie is sinds het einde van 2023 door Stichting Logos Instituut ook in het Nederlands ondertiteld. Hieronder ziet u eerst de trailer (die helaas (nog?) niet is ondertiteld) en daarna een korte beschrijving van de serie met tenslotte een verwijzing.4

Inhoudelijk

In de serie wil dr. Matthew A. McLain een creationistische invulling geven van het onderwerp dinosauriërs. Deze beesten passen goed binnen het scheppingsparadigma en zijn zeker niet in strijd met het klassieke scheppingsgeloof. Wetenschap kan ons helpen om details in te vullen en zo te komen tot een gedetailleerd scheppingsparadigma. In het eerste deel van deze serie bespreekt dr. McLain de vraag waarom naturalisten en creationisten anders denken over dinosauriërs. In het tweede deel gaat de paleontoloog in op de vraag hoe we bekend zijn geworden met dinosauriërs en geeft hij fysiek (paleontologisch) en historisch bewijsmateriaal. In het derde deel van deze serie bestudeert McLain wat wél en wat géén dinosaurus is. Welke soorten vallen wél onder dinosauriërs en welke soorten niet. Hij vervolgt dit in het vierde deel als hij kijkt naar de classificatie van dinosauriërs zelf. Welke geschapen groepen (baramin) zijn er te vormen binnen de dinosauriërs. In het vijfde deel bespreekt de geleerde het vraagstuk dat door naturalisten wordt opgeworpen, namelijk de gedachte dat de hedendaagse vogels dinosauriërs als gemeenschappelijke voorouder hebben. Hoe reageren creationisten hierop? Tenslotte gaat dr. McLain in de zesde aflevering in op de vraag hoe dinosauriërs zijn uitgestorven en neemt hij het naturalistische én creationistische verhaal nog eens samenvattend door.

Praktisch

Origineel is de serie opgenomen door ‘Center for Thinking Biblically’. De serie heeft een speelduur van 1:30:29 minuten. Dat wil zeggen dat er in anderhalf uur veel te leren is over dinosauriërs. De Nederlandse vertaling is verzorgd door ‘Stichting Logos Instituut’. Op ‘Center for Thinking Biblically’ is daarvoor een speciale landingspagina aangemaakt. Deze pagina, waarop ook de video’s te zien zijn, is via de link hieronder te raadplegen. Veel zegen bij het kijken en luisteren.

https://thinkbiblically.org/series/bijbels-denken-over-dinosauriers/.

Voetnoten

Feedback & Vragen 2023: Een atheïst en naturalist leest het vogelsporenartikel niet volledig, ziet de aangebrachte nuances over het hoofd en mist daardoor het punt

Onlangs schreef ik over gevonden voetsporen van vogels (of breder: vogelachtigen) in het Trias die een uitdaging vormen voor de naturalist. Bewegingswetenschapper, atheïst en naturalist drs. Bart Klink (voortaan: Klink)1 klom in het toetsenbord en schreef een repliek. Hij verwijt mij de paper in PLOS ONE verkeerd weer te geven. Echter is het Klink die mijn artikel niet goed gelezen heeft, mijn intenties misverstaan heeft en daardoor vecht tegen een door zichzelf opgezette stroman (of: karikatuurbeeld).2 Het is dat Klink bijna smeekte om een reactie, anders had ik het artikel genegeerd. Je kunt wel op elk karikatuurbeeld reageren, maar dan heb je een dagtaak. Het ligt in de aard van een scepticus om een scepticus te blijven, ongeacht wat de opponent er tegenin brengt (we zien dat ook in het sluitstuk van dit artikel). Om niet de beschuldiging te krijgen nooit te reageren op kritiek, reageer ik hier.3 Daarnaast, om niet te vervallen in een welles-nietes-discussie is dit tevens van mijn kant het sluitstuk in deze discussie (met Klink) over deze voetsporen van vogels (of: vogelachtigen)4 in Lesotho. Hopelijk zal de tijd leren wat de sporenmakers zijn en welke kant van de boot voorlopig de beste kant was.5

Een uitdaging = geen probleem

Het gaat al mis in de eerste alinea. Klink geeft aan dat ik geschreven zou hebben dat de vogelsporen (of: sporen van een vogelachtige) ‘een probleem’ zouden opleveren voor de evolutie van vogels uit theropode dinosauriërs. Dat heb ik nergens beweerd. Ik heb wel gezegd dat het een uitdaging vormt voor naturalistische paleontologen. Een uitdaging omdat het naturalistische verhaal herschreven moet worden (wat de auteurs van de paper deels ook op hun wijze proberen te doen). Als zelfs Precambrische zoogdieren in theorie geen problemen opleveren voor het naturalistische paradigma, dan deze sporen al zeker niet. Alles past binnen het naturalistische verhaal, hetzij vanwege datamassage, herinterpretatie, convergentie of de bewering ‘dit type is toch ouder dan eerder gedacht’. Probleem? Nee. Uitdaging? Ja, want het verhaal moet (hoe dan ook) herschreven worden. De naturalistische basisovertuiging zal ongeacht wat daar tegenop komt overeind blijven, het is immers niet voor niets een basisovertuiging.

Koppensnellen

Ten tweede gaat Klink te veel af op alleen de titel. Koppensnellen is zowel letterlijk als figuurlijk geen goed idee. De kop is geschreven om te prikkelen. Dat is in het geval van Klink goed gelukt. Het heeft hem geprikkeld tot reactie. In het artikel spreek ik zelf over voetsporen van vogels (of: vogelachtigen). Waarom? Ik meen dat hier sprake is van naturalistische bias. Wanneer deze voetsporen in de aardlagen van het Krijt of Eoceen gevonden waren, dan waren ze onmiskenbaar toebedeeld aan vogels (of: vogelachtigen). Vogels (of: vogelachtigen) in het Trias zouden echter zowel in theorie als in de praktijk geen uitdaging voor naturalisten hoeven te zijn. Chatterjee, de paleontoloog die Protoavis heeft beschreven, geeft in zijn publicaties zelfs een ‘nieuwe’ fylogenetische boom voor Mesozoïsche vogels (Aves) met Protoavis. Ik ontwaar in het artikel wel degelijk een ad-hoc-oplossing vanwege een naturalistisch vooroordeel, terwijl Chatterjee jaren geleden het mogelijke nieuwe verhaal al heeft gegeven. Dit verhaal past nog steeds binnen het naturalistische paradigma. Echter, zelfs een kleine paradigmaverschuiving gaat langzaam (als een druppelende kraan) en vaak niet zonder ophef.

Overbodig betoog

Ten derde houdt Klink een, in dit opzicht nutteloos, betoog waarom het voetsporen van theropoden (Theropoda) zouden kunnen zijn. In een volgende alinea valt Klink in, een in dit opzicht nutteloze, herhaling dat het ook voetsporen van theropoden zouden kunnen zijn. Dat de voetsporen van deze schepselen zouden kúnnen zijn heb ik nergens ontkend. Sterker nog, de slotzinnen van mijn artikel houden al de, in de paper genoemde, opties open. Wel neig ik in het artikel sterk naar voetsporen van vogels (of: vogelachtigen). Waarom? Omdat de auteurs deze optie uitgebreid bespreken, omdat wanneer deze voetsporen in het Krijt of Eoceen gevonden waren vrijwel zeker vogels (of: vogelachtigen) als sporenmakers zouden worden gezien, maar ook omdat ik in dit kader een kleine paradigmaverschuiving verwacht. Namelijk van géén vogels (of: vogelachtigen) in het Trias naar wél vogels (of: vogelachtigen) in het Trias.

Niet op de hoogte

Ten vierde is Klink niet op de hoogte van de waargebeurde casus van de Santo Domingo Formation. In zichzelf is dat niet problematisch. Je kunt niet alles weten. Echter, in een repliek zou je wat meer gefundeerdere pogingen tot verdieping verwachten. Als hij de voetnoten had gelezen en de weergave van de discussie daaropvolgend (ook in de voetnoten genoemd) had beluisterd, dan had hij geweten waarom dit voorbeeld aangehaald is. Uiteindelijk werden déze sporen opnieuw gedateerd als Mioceen en was de uitdaging op deze wijze opgelost zonder te erkennen dat er sporen van vogels (of: vogelachtigen) in het Trias gevonden zijn. Wetenschappelijk kersenplukken en datamassage. Dit zou ook zó kunnen gebeuren met deze sporen. Dan werken deze sporen niet mee aan een kleine paradigmaverschuiving, maar wordt er gedaan aan datamassage en wetenschappelijk kersenplukken. Echter, wanneer er meer van dergelijke vondsten worden gedaan, dan komt er een keer een tijd dat het bestaan van vogels (of: vogelachtigen) in het boven-Trias wel moet worden erkend.

Zondvloedgeologie

Ten vijfde laat Klink in het sluitstuk van zijn artikel onbegrip zien ten opzichte van het scheppingsparadigma. Opnieuw negeert Klink de in de voetnoot (maar ook in de lopende tekst) genoemde bron. Dan blijft dit onbegrip bestaan. De bron werd aangehaald vanwege de gedachte dat in de aardlagen eerst de voetsporen zouden kunnen voorkomen en daarna (dus hoger in de aardlagen) de lichaamsfossielen. Binnen de korte chronologie (waarbinnen zondvloedgeologie wordt bedreven) is dit geen reden tot zorg omdat tussen het afdrukken van de voetsporen en het begraven van het lichaamsfossiel maar een korte tijd ligt. Hoeveel tijd hangt af van de keuze voor de zondvloedgrens. Nergens heb ik beweerd dat deze voetsporen tijdens de zondvloed moeten zijn afgezet. Zondvloedgeologie is niet hetzelfde als de bewering dat álle aardlagen door de zondvloed zouden zijn afgezet. Voor wat betreft het Trias (en de rest van het Mesozoïcum) zie ik het Rekolonisatiemodel als interessante werkhypothese. Maar zelfs áls je ervan uit gaat dat de aardlagen van het Mesozoïcum tijdens de zondvloed zijn afgezet, dan heb je niet gelijk een bak met water waar alle sedimenten als bij toverslag zijn afgezet. Dr. Tim Clarey, die er van uit gaat dat het Mesozoïcum tijdens de zondvloed is afgezet, geeft aan dat de zondvloed een progressieve wereldwijde zondvloed was. Bij Klink zien we dus een negeren van de voetnoot, een misverstaan van de auteursintentie en onbekendheid met zondvloedgeologie. Deze onbekendheid komt opnieuw openbaar in de tweede stelling. De aardlagen die afgezet zouden zijn door de zondvloed weerspiegelen het leven vóór de zondvloed. Wanneer er dan vogelsporen (of: van een vogelachtige) voorkomen in aardlagen die tijdens de zondvloed zijn afgezet, dan weerspiegelt dát de vogels (of: vogelachtigen) van de eerste wereld (het begin). In deze creationistische visie leefden Cambrische fossielen gelijktijdig met Mesozoïsche fossielen. Ze zijn alleen relatief gezien eerder afgezet.6 De tweede stelling is dus een oneigenlijke stelling voortkomend uit een poging om de zondvloed te verklaren of weg te verklaren vanuit een naturalistische tijdschaal (van miljoenen jaren eerder en miljoenen jaren later). Wanneer je de naturalistische tijdschaal gaat toepassen op de creationistische tijdschaal (of: Bijbelse tijdlijn) dan kom je per definitie scheef uit. Dit heb ik al vaker genoemd naar Klink, dus het is vreemd dat deze kwestie hier opnieuw herhaald wordt alsof er geen enkel weerwoord is geweest.

De kersenpluk van Klink

Ten zesde lijkt het er op dat Klink de paper zelf niet goed gelezen heeft en daarom de spanning of uitdaging (die de auteurs goed hebben weergegeven) ook niet ervaren heeft of vanwege een naturalistisch vooroordeel niet kan (of: wil) zien. Dit blijkt hieruit dat hij met geen woord rept over het (in de paper genoemde) omstreden fossiel van Protoavis, wat één van de kernfossielen is in mijn artikel. Bovendien lijkt Klink ichnologie als wetenschapsonderdeel van de paleontologie enigszins te bagatelliseren. Als de lichaamsfossielen (mogelijk) vooralsnog ontbreken, maar ook als ze er wel zijn, is ichnologie een zeer nuttig en bruikbaar onderdeel. Van sommige beesten zijn alleen de ichnofossielen bekend (ichnospecies).7 De voetsporen van Ipolytarnóc bijvoorbeeld zijn zeer beroemd.8 Ichnologie is een volwaardige tak van sport binnen de paleontologie en de resultaten moeten we (niet alleen als het uitkomt) zeer serieus nemen.

Dino-vogel-hypothese als naturalistische basisovertuiging

Ten zevende betreffende het niet geheel omstreden zijn van de dino-vogel-hypothese geeft Klink mij indirect een punt. Volgens hem gaat het dan om de timing die niet geheel omstreden is. Dat was exact mijn intentie met het geschrevene: discussie over de timing laat zien dat onderdelen van deze hypothese in de praktijk niet geheel onomstreden is. De dino-vogel-hypothese is niet alleen praktische theorievorming, maar zeker al vóór Thomas Henry Huxley (1825-1895), óók een naturalistische basisovertuiging.9 Deze basisovertuiging wordt te vuur en te zwaard verdedigd en wordt vaak als frame over de vondsten gelegd.

Meten met twee maten

Volgens de auteurs van de paper zijn er ten minste drie opties qua sporenmakers. In deze spreekwoordelijke boot hang ik aan de kant van vogels en/of vogelachtigen. Ik meen dat naturalistische bias de onderzoekers er van weerhoudt om volop te kiezen voor vogels (of: vogelachtigen) als sporenmakers. Net als bij de relatief grotere Mesozoïsche zoogdieren en de vogels van het Krijt heb ik goede hoop dat ook hier een kleine paradigmaverschuiving zal plaatsvinden. Over vijftig jaar vinden we vondsten van vogels (of: vogelachtigen) in het Boven-Trias waarschijnlijk heel gewoon. De tijd zal leren of ik daar gelijk in heb. In ieder geval heb ik de paper in PLOS ONE niet verkeerd weergegeven (of: begrepen). Al heb ik wel aan één kant van de boot gehangen, heb ik toch de andere mogelijkheden niet uitgesloten. Wat ten slotte nog opvalt is dat er meer populairwetenschappelijke websites waren die een dergelijke titel gebruikten.10 Déze titels worden door Klink echter niet bekritiseerd, mogelijk omdat de auteurs van die artikelen vanuit een naturalistische basisovertuiging opereren. Naast dat Klink het prikkelende karakter van de titel over het hoofd ziet, meet hij hier ook nog eens met twee maten.11

Voetnoten

Voetsporen van vogels uit het Trias van Lesotho vormen een uitdaging voor naturalistische paleontologen

In het bekende en toonaangevende tijdschrift PLOS ONE verscheen eind vorige maand een belangrijk artikel met implicaties voor de veel gepropageerde dino-vogel-evolutie. In het zuiden van Afrika (Elliot Formation, Maphutseng, Lesotho) zijn voetafdrukken van vogels gevonden die, binnen de naturalistische tijdschaal, maar liefst 60 miljoen jaar vroeger voorkomen dan de eerste onbetwiste fossielen van vogelachtigen (zoals Archaeopteryx). De vondst was al langer bekend, maar is nu opnieuw in detail bestudeerd en beschreven.1

Grotten in de Elliot Formation van Lesotho. De vogelsporen zijn in deze formatie gevonden. Bron: Wikipedia.

Wel of geen vogelsporen?

Uiteraard is er veel discussie over deze vondst. Vogelsporen in het zogenoemde Trias zou wel erg opmerkelijk zijn, zeker voor de naturalistische tijdschaal en de vermeende dino-naar-vogel-transitie. Overigens is deze gedachte niet zo heel vreemd, fossielen van vogels uit het Trias zijn zeer zeldzaam of ontbreken. Het enige bekende fossiel van een vogelachtige uit het Boven-Trias is Protoavis, maar deze vondst wordt om verschillende redenen in twijfel getrokken en op zijn minst als ambigu aangemerkt. Fossielen van de eerste vogelachtigen, zoals Aurornis, Anchiornis, Archaeopteryx en Xiaotingia, worden al gevonden in het Midden- en Boven-Jura. Fossielen van de eerste échte vogels (Neornithes) worden echter pas ‘veel later’ gevonden, in het Boven-Krijt. Hoewel de sporen een duidelijke vogelachtige voetmorfologie laten zien en lijken op Cenozoïsche en moderne vogelvoetsporen, menen de onderzoekers dat het hier hoogstwaarschijnlijk gaat om sporen van een andersoortige (waarvan het fossiel mogelijk nog gevonden moet worden) drietenige of -vingerige archosaurus. Archosauriërs zijn uitgestorven reptielen die fossiel gevonden worden in onder andere aardlagen van het Perm en Trias.2 Hoewel de onderzoekers de ‘vogels’ niet helemaal uitsluiten, denken ze, vermoedelijk vanwege naturalistische bias, toch aan een ander diersoort. Bijzonder is hoe daarmee opnieuw de dino-vogel-hypothese leidend is bij het interpreteren van de gegevens. De auteurs geven overigens wel aan dat deze vermeende dino-naar-vogel-transitie nog steeds niet geheel onomstreden is. Hoewel deze sporen duidelijk lijken op voetsporen van Cenzoïsche en moderne vogels, is het vanuit een naturalistisch paradigma natuurlijk niet mogelijk en ook niet verwacht dat zulke vogels deze voetsporen zouden hebben achtergelaten. Die waren er immers toen nog niet. Des te opmerkelijker is het dat, in plaats van dat Protoavis opnieuw wordt afgestoft en gezocht wordt naar fossielen van vogelachtigen in het Boven-Trias, het er op lijkt dat er een ad hoc-hypothese opgesteld wordt om de verschijnselen te verklaren. Dit voorbeeld doet denken aan de gevonden vogelsporen in de Santo Domingo Formatie (Argentinië). Hier werden toen ook vogelsporen uit het Boven-Trias gevonden. Na wetenschappelijk kersenplukken werden deze voetsporen uiteindelijk wél gezien als vogelsporen en gedateerd als Cenozoïsche voetsporen.3

Tenslotte

Voor de dino-vogel-hypothese zijn deze vogelsporen uit het Trias kennelijk (maar zelfs binnen het naturalistische paradigma ten onrechte) niet te verteren. Creationisten die niet uitgaan van de dino-vogel-hypothese hebben het hier, vanwege de tijdschaal, veel eenvoudiger. Deze vondst past goed binnen het scheppingsparadigma, zelfs als onomstotelijk zal blijken dat Protoavis geen goed fossielmateriaal is of ambigu blijft. In 1982 schreef dr. Leonard R. Brand in het blad Origins van Geoscience Research Institute al waarom we, binnen de zondvloedgeologie, eerst de voetsporen vinden en daarna (dus hoger in de geologische kolom) pas de fossielen.4 Vogelsporen in het Trias terwijl we de fossielen pas hoger in de geologische kolom vinden? Binnen zondvloedgeologie is dat goed mogelijk, omdat er niet zoveel tijd zit tussen de sporen en de eventuele sporenmakers. Wanneer er toch een vogelfossiel, zoals Protoavis, in het Trias wordt gevonden, vormt dat ook geen uitdaging voor het scheppingsparadigma! Kennelijk is het beestje dan kort na zijn voetafdruk omgekomen. Kan het ook anders zijn? Natuurlijk! We volgen de discussie over deze vogelsporen daarom op de voet.

Op dit artikel kwam commentaar, onder andere van drs. Bart Klink. Op zijn commentaar heeft Jan van Meerten een weerwoord geschreven. Dit weerwoord is hier te vinden.

Voetnoten

Dino’s in de Arnhemse dierentuin

Dinosauriërs spreken tot de verbeelding. Al jong kunnen kinderen helemaal weg zijn van deze imposante dieren. Zet dinosauriërs in bij een actie voor kinderen en je hebt gegarandeerd succes. En terecht! Veel van deze beesten zijn om van onder de indruk te raken. Het zijn indrukwekkende hoofdstukken uit het Scheppingsboek van onze Schepper. Afgelopen maand (oktober 2018) pakte de Arnhemse dierentuin Burgers’ Zoo ook uit met haar dino’s.1 Gisterenmiddag (25 oktober 2018) bezocht ik deze dierentuin om te kijken hoe er over de dino’s gesproken wordt.

Variatie

In Burgers’ Zoo worden de volgende dinosauriërs weergegeven: Brachiosaurus, Pachycephalosaurus, Ankylosaurus, Kosmoceratops, Tochisaurus, Therizinosaurus, Spinosaurus, Triceratops, Herrerasaurus, Stegosaurus, Velociraptor, Dromaeosaurus, Baryonyx, Tyrannosaurus, Dilophosaurus, Cryolophosaurus, Oviraptor, Carnotaurus, Shunosaurus en de Wuerhosaurus. Daarnaast zijn er enkele soorten die geen dinosauriërs zijn, namelijk de Pterodactylus, Dimetrodon, Confuciusornis en de Plesiosaurus. Hierdoor leren de kinderen bekende dinosauriërsoorten beter kennen. Al worden er in de dierentuin slechts een tiental dinosauriërs tentoongesteld, de kinderen krijgen wel een indruk van de rijke variatie die er onder de dino’s geweest is. Zo zien ze de verschillende variaties binnen het basistype van de tyrannosaurus. Ze komen daardoor meer onder de indruk van de Schepper en Zijn schepping. Vanuit het oergenoom kwam een rijke schakering aan eigenschappen tot uitdrukking. De dierentuin wil ook spannend avontuur bieden aan de kinderen en laat hen daarom ‘Gigantisch apenkooien tussen de dino’s’. Leuk om de kinderen daarmee bezig te zien. De reconstructies van de dinosauriërs zijn vermoedelijk afkomstig uit de tentoonstelling World of dino’s, die afgelopen zomer in de jaarbeurshallen gehouden werd.

Veren

In de dierentuin krijgt de Velociraptor mongoliensis veren op zijn kop. Bij dit beest is er geen direct bewijsmateriaal dat het dier veren heeft gehad.2 We moeten echter voorzichtig zijn en zolang er geen veren gevonden zijn ze niet op deze beesten plakken. Als ze wel gevonden worden (iets wat bij de velociraptor zeer goed mogelijk of zelfs waarschijnlijk is), moeten we niet langer in de ontkenningsfase blijven zitten maar de gegevens accepteren. Er worden verschillende dinosauriërs met veren gevonden, daar hoeven we niet om heen te draaien, maar als ze (nog) niet zijn gevonden moeten we ze er ook niet opplakken. Het feit dat sommige dinosauriërs veren hebben gehad zegt overigens niets over een mogelijke afstamming van vogels van dino’s. Er bestaat een discontinuïteit tussen de verschillende vogelgroepen enerzijds en de verschillende dinosauriërgroepen anderzijds.3 Gelukkig wordt de Tyranosaurus rex in deze dierentuin niet uitgebeeld met veren. De Dromaeosaurus albertensis krijgt in de dierentuin een harige vacht, terwijl het beest in andere reconstructies juist veren heeft.4 Het blijkt daarmee niet altijd even gemakkelijk om een waarheidsgetrouwe reconstructie te maken. Wees daarom voorzichtig met reconstructies en zie ze vooral niet als feitelijke weergave.

Volgens Burgers’ Zoo stammen de vogels overigens wel van de dinosauriërs af. Er wordt op het bordje bij de oervogel Confuciusornis geschreven dat ‘deze oer-vogel een afstammeling is van de dino’s. De hedendaagse vogels zijn heel nauw verwant aan dino’s.’ Hierboven verwees ik al naar de studie van McLain et al. dat laat zien dat er sprake is van discontinuïteit tussen de dinogroepen en de vogelgroepen.5 Hier presenteert de dierentuin een naturalistische vooronderstelling als feit. Tegenover onze kinderen is dat misleidend. Overigens laat de reconstructie ook hier te wensen over. We zien als reconstructie een megavogel met een spanwijdte van meer dan twee meter en een hoogte van op zijn minst 1,5 meter. Terwijl de Confuciusornis in werkelijkheid een spanwijdte van rond de 1 meter had en niet meer dan 1 kilo woog. Is de reconstructie bewust zo gemaakt om het voor kinderen aannemelijker te maken dat vogels afstammen van dino’s?

Opgravingen in de woestijn

In deze tijdelijke tentoonstelling vinden we geen verwijzing naar de naturalistische miljoenen jaren. Wel worden kinderen indirect met het naturalistische wereldbeeld geconfronteerd. Op het bordje bij de Dimetrodon staat bijvoorbeeld dat dit beest leefde ‘voor de tijd van de dinosauriërs’. Met de huidige kennis was het beter te zeggen dat dit beest niet voorkwam in het leefgebied van de dinosauriërs of dat de resten van dit beest (nog) niet samen gevonden zijn met de resten van de dinosauriërs. Er wordt op de bordjes bij de dinosauriërs ook gesproken over ‘tijdperk’ met erachter bijvoorbeeld ‘Laat-Krijt’. Als je voor ‘tijdperk’ en ander woord in gedachten houdt zoals ‘leefgebied’ of ‘aardlaag’ is er niets aan de hand. Dat ligt anders in het woestijnecosysteem van Burgers’ Zoo. Daar vinden we, in de hoek van het gebouw, de opgraving van een schedel van een Tyrannosaurus rex in de Amerikaanse woestijn. Het bord bij deze opgraving luidt als volgt: “De dinosaurus Tyrannosaurus rex leefde 70-65 miljoen jaar geleden in het gebied dat vandaag het Westen van de Verenigde Staten is. (…) Nog veel ouder zijn de stukken van versteende boomstronken aan de andere kant van het pad. Ze zijn van naaldbomen die 250-200 miljoen jaar geleden in Noord-Arizona groeiden. (…)” Deze jaartallen worden sterk in twijfel getrokken door creationisten. Allereerst worden er in dinosauriërsbotten zacht weefsel en eiwitten gevonden die onmogelijk miljoenen jaren bewaard kunnen blijven.6 Ten tweede zijn radiometrische dateringsmethoden niet betrouwbaar als het gaat om absolute leeftijden.7 Door deze tekst worden onze kinderen (maar ook hun ouders en/of opvoeders) op en dwaalspoor gezet.

We moedigen kinderen aan deze dino’s, waar ook tentoongesteld, te bekijken en er veel over te lezen. Er ligt daarbij een taak voor de ouders om met de kinderen de feiten te scheiden van de naturalistische interpretatie. Dinosauriërs zijn indrukwekkende dieren. Hoofdstukken in Gods scheppingswerk. Daar mogen wij van genieten en onder de indruk van zijn.8 Naturalistische natuurfilosofie is echter schadelijk voor onze kinderen en zorgt ervoor dat verwondering kan omslaan in ongeloof.

Voetnoten

‘Is Genesis History? Mountains after the Flood’ eindelijk verschenen – Geologische processen en paleontologische vondsten na de zondvloed

Twee jaar geleden werd via deze website het verschijnen van de opvolger van de bekende documentaire ‘Is Genesis History?’ bekend gemaakt. Nu is ‘Is Genesis History? Mountains after the Flood’ eindelijk verschenen. In deze documentaire komt vooral geologie naar voren en wordt ingezoomd op geologische processen en paleontologische vondsten ná de zondvloed.1

De documentaire werd al op de negende International Conference on Creationism getoond.2 We wisten daardoor dat het niet meer lang zou duren voordat deze documentaire zou verschijnen. De documentaire wordt gestreamd via de website van ‘Is Genesis History?’ en wordt ook verkocht als DVD of BlueRay.3 Tijdens het proces heeft de organisatie al diverse tipjes van de sluier opgelicht. Deze video’s delen we hieronder (helaas zijn de video’s zonder Nederlandstalige ondertiteling). We hopen dat deze documentaire wel van Nederlandse ondertitels zal worden voorzien. De eerste documentaire heeft heel wat discussiestof opgeleverd, we hopen dat dát met deze tweede documentaire ook zal gebeuren. Warm aanbevolen!

Creationistisch onderzoek

Solid Rock

Kruisbedding

Voetsporen in de Grand Canyon</h3<

Afdrukken van regendruppels

Metingen

Sand Injectites

Voetnoten

‘Understanding a Gigantic Mass-Kill Fossil Deposit within the Redwall Limestone of Grand Canyon’ – Dr. Steven Austin sprak voor de livestream van Logos Research Associates

Dr. Steven Austin heeft onderzoek gedaan naar fossielen van Nautilussen in de Redwall Limestone van de Grand Canyon. Hij presenteerde zijn werk op een conferentie van de Geological Society of America (GSA) in 19991, maar heeft dit onderzoekswerk helaas niet gepubliceerd in naturalistische vaktijdschriften. Wel presenteerde hij zijn onderzoek in 2003 (met een paper) voor de International Conference on Creationism (ICC).2 De host voor de avond is dr. Del Tackett, bekend van de documentaire ‘Is Genesis Geschiedenis?‘ die ook bij Weet Magazine is verschenen.3 Met dank aan Logos Research Associates4 was dr. Austin te gast in de livestream van de organisatie en is deze livestream hieronder terug te kijken.

Voetnoten

Mark H. Armitage (MSc.) presenteerde deze zomer onderzoek naar gemineraliseerde bloedstolsels in dinobotten op congres van Microscopy and Microanalysis

Mark H. Armitage (MSc.)1 doet met zijn Dinosaur Soft Tissue Research Institute onderzoek naar ‘zacht weefsel’-structuren in dinosauriërbotten.2 Hij publiceert zijn werk veelal in vakbladen voor microscopie, maar ook in chemische vakbladen. Tegelijkertijd is deze academicus ook uitgesproken creationist. Hij denkt daarom dat de dinosauriërbotten geen miljoenen, maar duizenden, jaren oud zijn. Deze zomer presenteerde hij zijn onderzoeksresultaten op een congres voor microscopie en microanalyse in Minneapolis.3

Zijn bijdrage had als titel ‘Blood Clots in Dinosaur Bones: Seemingly Permanent Organic/Mineral Interfaces in Once-living Structures’.4 Een abstract daarvan werd als bijlage gepubliceerd bij het tijdschrift ‘Microscopy and Microanalysis’. Voor zijn presentatie heeft Armitage gemineraliseerde bloedstolsels onderzocht die microvasculaire kanalen in dinosauriërbotten afsluiten. Hij heeft daarvoor gebruik gemaakt van UV-autofluorescentie microscopie (UVFL). De botten werden eerst gespoeld in zuiver water en daarna gedroogd. Vervolgens werden ze in dunne plakjes gesneden en deze werden bevestigd op glasplaatjes. Daarna werden ze blootgesteld onder UVFL en werden de botten bestudeerd op auto-fluorescerende stolsels. En inderdaad fluoresceerde de stolsels (zoals Armitage ook op de plaatjes liet zien). Dit wijst op de aanwezigheid van ijzer. Volgens Armitage zijn dit waarschijnlijk heemverbindingen (hemoglobine), de ijzerhoudende kleurstoffen in rode bloedcellen.5 Armitage uitte zijn verbazing op het congres, dat ondanks de aangenomen tijdschaal en de aantastende omgevingsfactoren er nog steeds gemineraliseerde bloedstolsels te bestuderen zijn. Volgens de geleerde moedigt dit aan tot vervolgonderzoek en het bestuderen van meer dinosauriërsbotten met behulp van deze methode.

Voetnoten

Zoogdier bijt zich vast in dinosaurus – Psittacosaurus was lekker maaltje voor Repenomamus

Het is al heel lang bekend dat zoogdieren samen leefden met dinosauriërs. Ooit werd gedacht dat deze zoogdieren niet groter waren dan een moderne spitsmuis. Dit is echter achterhaald. In 2005 werd er al een vondst gedaan van een zoogdier zo groot als een das met een jonge dinosaurus in zijn maag. Een nieuwe vondst uit China laat zien dat een dergelijk zoogdier ook gevaarlijk was voor volwassen dinosauriërs.1

Psittacosaurus lujiatunensis en Repenomamus robustus zijn verwikkeld in een dodelijke strijd. De inzetstukken tonen (van links naar rechts): de voorpoot van R. robustus houdt de onderkaak van P. lujiatunensis vast, R. robustus bijt zich vast in de onderarm van P. lujiatunensis en de achterpoot van R. robustus grijpt de achterpoot van P. lujiatunensis vast. Bron: Scientific Reports.

Zeldzaam bewijsmateriaal

Deze week werd de beschrijving van het fossiel gepubliceerd in Scientific Reports van Nature. De titel van de publicatie luidt: ‘An extraordinary fossil captures the struggle for existence during the Mesozoic’ geschreven door Chinese en Canadese wetenschappers. Het fossiel toont de strijd tussen een volwassen Psittacosaurus en het zoogdier Repenomamus. Het is een strijd tussen leven en dood. Uiteindelijk zijn de strijders samen begraven met vulkanisch materiaal (door een lahar, een modderstroom van vulkanisch materiaal) en zo bewaard gebleven. Dergelijk fossiel bewijsmateriaal is zeer zeldzaam. Het werpt daarom nieuw licht op het roofgedrag van de Repenomamus. Het fossiel is gevonden in de Lujitun Member van de Yixian Formation in China. De onderzoekers verwachten dat deze formatie nog meer fossielen zal bieden, waaruit interactie tussen zoogdieren en dinosauriërs of andere dieren zal blijken. Deze paper bevat nog veel meer interessante informatie, bijvoorbeeld over de plaats van Repenomamus in het voedselketen van dit dinoleefgebied.2

De vondst in het Nederlandse nieuws

Verschillende Nederlandse media berichten al over deze vondst. In deze twee alinea’s wat zij te zeggen hebben over de vondst (veelal overgenomen uit de paper zelf). Ze melden dat het fossiel in 2012 al is gevonden in de Chinese kustprovincie Liaoning. De beesten zijn gevonden in het onder Krijt (125 tot 105 miljoen naturalistische jaren geleden). Dit gebied wordt, ziende op de resten van vulkanische modderstromen, ‘het Pompeï van de dinosauriërs’ genoemd. Het fossiel kwam, vermoedelijk via de zwarte markt, in handen van paleontoloog dr. Gang Han. Dr. Han moest daarna eerst uitsluiten of dit fossiel niet gewoon een nepfossiel is. Immers een dinoaanvallend zoogdier ‘is te mooi om waar te zijn’. Het fossiel blijkt wel degelijk echt. Een genot voor paleontologen! Canadese onderzoeker dr. Jordan Mallon is ook blij verrast met de vondst. Tegenover de Amerikaanse nieuwszender CNN (via Nu.nl) geeft hij een beschrijving: ‘De twee dieren zijn samen in gevecht, intiem met elkaar verweven. Het is een van de eerste bewijsstukken die laten zien dat een zoogdier roofachtig gedrag vertoont tegenover een dinosaurus’. Mogelijk is de quote verkeerd weergegeven, maar er zijn meer aanwijzingen. Bijvoorbeeld de vondst uit 2005 waarbij Repenomamus gevonden is met een juveniele Psittacosaurus in zijn maagstreek. Deze moet toch eerst opgegeten zijn wil het beest in de maagstreek belanden. Het was in 2005 niet duidelijk of dit zoogdier ook joeg op dinosauriërs, hij zou zich immers ook tegoed gedaan kunnen hebben aan een karkas. Scientias verwoordt de quote meer genuanceerd. Hier wordt onderzoeker Mallon in de mond gelegd dat dit ‘een van de eerste directe bewijzen van roofdierachtig gedrag’ is. Hoe het ook zij, kleine plantenetende dino’s moesten niet alleen uitkijken voor roofdinosauriërs, maar ook voor de roofdieren onder de zoogdieren.

Omdat de skeletten nagenoeg compleet waren valt er veel uit deze vondst te halen. De dinosaurus ligt languit met zijn achterpoten gevouwen langs het lichaam. Het zoogdier zit bovenop zijn prooi met de tanden in de voorpoot. Het fossiel kent ook prachtige details (zie hierboven). Zo heeft het zoogdier met één poot de onderkaak vast. Dr. Mallon: “Het kan niet anders dan dat we hier met een actieve aanval te maken hebben, die ruw verstoord werd door de gevolgen van een vulkaanuitbarsting over modderstroom.” Zat Repenomamus niet boven op het karkas te knagen aan de dino? Nee, want de botten van de dinosaurus hebben geen tandafdrukken. De verstrengelde positie past ook meer bij een roofzuchtige aanval en een gevecht op leven en dood. Volgens Scientias is het niet vreemd dat kleinere roofdieren zich op grotere planteneters storten. Denk maar aan de veelvraat die schapen, of zelfs rendieren, aanvalt. Helaas kon dit vroegere zoogdier zijn maaltijd niet afmaken.3

Ten slotte

Deze vondst kan weer aan de groeiende lijst toegevoegd worden.4 Repenomamus wordt als een van de grootste zoogdieren van het dinoleefgebied gezien. Hoewel zijn rol in het verleden klein is geacht, blijkt nu dat hij een belangrijke plaats had in het voedselketen. Deze vondst zet dus ‘alles op z’n kop’ (in de woorden van dr. Mallon). Het is een van de zovele vondsten die laten zien dat zoogdieren rijk vertegenwoordigd waren in het dinoleefgebied, volop meededen én niet leefden in de schaduw van de dinosauriërs. Zoogdieren hadden een duidelijke positie in het voedselketen van eten en gegeten worden. Mooi om te zien dat nu zelfs de meest verstokte naturalist (of creationist) dit zal moeten erkennen. Overigens zijn deze Mesozoïsche zoogdieren niet alleen een uitdaging voor naturalisten, maar ook voor creationisten.5 Wanneer deze beesten in de creationistische tijdschaal omgekomen zijn, hangt af van het zondvloedmodel. Sommige creationisten beweren dat deze beesten tijdens de zondvloed omgekomen zijn, anderen zullen erop wijzen dat deze condities beter passen bij de turbulente tijd na de zondvloed.6 Hoe het ook zij: een prachtige vondst!

Voetnoten

Dinsdag 18 juli 2023 – Tweede officiële presentatiedag van de ICC

Vanmorgen een vooruitblik en een hypothetisch gekozen route van de tweede dag rond de International Conference on Creationism (ICC). Gisteren zagen we dat er mooie onderwerpen de revue passeerden. De conferentie is erg nuttig voor verdere uitbouw van het scheppingsparadigma.1

De schedel van Cynognathus, een van de grootste roofdieren onder de Synapsiden van het Trias. Dr. McLain presenteerde (samen met anderen) een abstract over Synapsiden op de ICC. Bron: Wikipedia.

Om moverende redenen kan ik dit keer niet aanwezig zijn op de ICC en ben ik genoodzaakt om de conferentie op het bed te volgen. Voor zo ver dat gaat, want helaas staan de papers en abstracts nog steeds niet online. Welke route zou ik genomen hebben, als ik wel aanwezig zou zijn?

Tijdlijn

Van 7 tot 8 uur zou ik in de ontbijtzaal te vinden zijn. De eerste sessie is om acht uur in de ochtend. Ik zou hier kiezen voor zaal HSC 107, waar dr. Marcus Ross et al. een paper presenteren met als titel ‘Human History: From Adam to Abraham’.2 Dit is een belangrijk paper. Helaas is er geen archeoloog, paleoantropoloog én theoloog betrokken bij het samenstellen van een tijdlijn van Adam tot Abraham. Dit wel een must om (snelle) uitglijders te voorkomen. De hoop is dat er alsnog theologen, paleoantropologen en archeologen betrokken raken bij dit project. Interdisciplinair onderzoek is in dit geval noodzakelijk. Enfin, toch belangrijk dat een dergelijke paper gepresenteerd wordt.3 Deze eerste sessie is om 8.50 uur afgelopen. De volgende sessie begint 10 minuten later. Deze keer zou ik de presentatie van Boyle et al. in zaal HSC 107 bijwonen, onder de titel ‘Testing the Cavefish Model: An Organism-focused Theory of Biological Design’. Dit is namelijk eigen creationistisch onderzoek, dat ik binnenkort nog een keer wil samenvatten voor deze website.

Synapsiden

Om tien uur gaat de keuze uit naar de presentatie van dr. Kurt Wise en Donna Richardson (in zaal HSC 105), met als titel ‘What Biostratigraphic Continuity Suggests About Earth History?’ Net zoals ik gisteren aangaf een belangrijk thema voor zondvloedgeologie.4 Om elf uur is de keuze bijzonder lastig. Alles is interessant. De voorgang van het Coconino-onderzoek is goed om te volgen (maar dat kan ook door de paper te lezen). Het vaststellen van het aantal mensenapenbaramins (mijn voorkeur heeft overigens ‘apes’ boven ‘mensapen’5) is ook nuttig in het creationistisch-paleoantropologisch onderzoek. Harry Dickens doorbreekt met zijn paper het idee dat een groot deel van de geologische kolom is afgezet tijdens de zondvloed. Hij gaat net als drs. Hans Hoogerduijn er van uit dat alleen (een groot deel van) het Paleozoïcum is afgezet tijdens de zondvloed.6 Prachtig dat hij de gelegenheid heeft gekregen om deze publicatie te presenteren. Toch ga ik deze keer voor de twee abstractpresentaties. Dit is werk van dr. Matthew McLain aangaande de synapsiden. McLain heeft dit al eerder eens gepresenteerd op een congres van Fundamentum, ‘Bijbel & Wetenschap 2023’.7 Het is belangrijk om de progressie in dit onderzoek te volgen.

Middagprogramma

Na het diner zou ik deelgenomen hebben aan de presentatieserie/ronde-tafel-discussie over zondvloedgrenzen. Dit is een belangrijke discussie onder creationisten over wanneer in de aardlagen de zondvloed is begonnen en waar deze is geëindigd. Zelf geloof ik dat alle zondvloedmodellen grote mankementen hebben, maar het goed om dat met elkaar te bediscussiëren.8 De veldexcursie zou ik gisteren al gevolgd hebben en de presentatie over de James Webb Space Telescope zou ik bewaard hebben voor morgen D.V. Na het diner zou ik de avondsessies hebben bijgewoond en genetwerkt hebben met de mensen van de Institute for Creation Research.

Ten slotte

Ook vandaag weer een boeiend programma. Er werd een paper gepresenteerd over een antropocentrische tijdlijn. Een groot gemis is dat hier geen archeoloog, theoloog en paleoantropoloog bij betrokken is geweest (tenminste niet als auteur). Terwijl het, in mijn ogen, een zeer belangrijk paper is. De paper is nu geschreven door een paleontoloog (gepromoveerd op de Mosasauriërs), een bioloog/biochemicus en een student. Dat kan inhoudelijk prima goed gaan, maar het is in mijn ogen toch beter om experts te betrekken. Bij presentatie van creationistisch toponderzoek zou ik hogere standaarden hanteren, net zoals we bijvoorbeeld bij de bundel Inzicht: Wetenschap voor Gods Aangezicht gedaan hebben.9

Voetnoten

Dr. Todd C. Wood prominent aanwezig op de ICC – Geleerde presenteert maar liefst vijf papers, veelal over paleoantropologie en de implicaties voor het klassieke scheppingsparadigma

Langzaam, maar zeker, komt de International Conference on Creationism (ICC) dichterbij. De organisatie is nog bezig met het programma, maar dr. Todd C. Wood laat via zijn blog weten dat hij aanwezig is met maar liefst vijf papers. Ik weet dat ook andere onderzoekers zoals Paul Garner (MSc.)1, dr. Mátyás Cserhati2 en dr. Marcus Ross3 werk zullen presenteren. Terwijl we wachten op het programma werpen we een blik in de keuken van dr. Wood.4

De eerste paper draagt als titel: ‘Testing the order of the fossil record: Preliminary observations on stratigraphic-clade congruence and its implications for models of evolution and creation’. Het gaat hier om een gezamenlijke studie. Met welke andere wetenschappers deze studie gedaan is wordt niet vermeld. Mogelijk zijn Paul Garner (MSc.), dr. Kurt Wise en dr. Marcus Ross hierbij betrokken. Volgens Wood waren de resultaten ingewikkeld maar buitengewoon interessant. “We found a lot of patterns that we didn’t expect and really didn’t have a good explanation for.” Hij verwacht dat dit interessante gesprekken zal gaan opleveren.

De tweede paper draagt als titel: ‘A preliminary evaluation of ape baramins’. Wood heeft deze paper geschreven samen met een student. Welke student dat is blijft nog een verrassing? Onderzoek naar het baramin van de mensen is ook naar de mensapenbaramins kijken. Wood noemt de onderzoeksresultaten wat rommelig, maar ziet dit als een begin en hoopt dat er in de toekomst meer zal volgen.

De derde paper draagt als titel: ‘Essentialism and the human kind, or experiments in character weighting’. Deze paper begon als een reactie op critici, maar leverde ook meer interessante zaken op. De paper probeert de vraag te beantwoorden of het mogelijk is dat we mensen kunnen identificeren op basis van slechts een handjevol kenmerken. Wood geeft aan dat getest te hebben en dat deze test niet goed uitviel. De bioloog vermoedt dat hij over deze kwestie zal moeten nadenken tot hij daadwerkelijk de presentatie geeft. Hij geeft aan dat dit zijn enige ‘solo’-paper is.

De vierde paper draagt als titel: ‘Human history from Adam to Abraham: Integrating paleoanthropology with a young-age creation perspective’. Wood had veel meer te zeggen en wenste dat hij meer ruimte had gekregen. De paper is op zoek naar een creationistische consensus op het gebied van de paleoantropologie. Wood dacht met zijn medeonderzoekers na over hoe paleoantropologie verweven kan worden met een tijdlijn waarbij uitgegaan wordt van het klassieke scheppingsgeloof. Naar deze paper zie ik het meest uit, omdat deze ook relevant is voor het archeologische vraagstuk in Nederland.5

De vijfde paper draagt als titel: ‘Human baraminology in postcranial perspective’. Deze paper presenteert Wood samen met een student. Ik vermoed dat deze student Peter Brummel is. In eerder werk aangaande de baraminologie van mensen gebruikte Wood vooral schedelmateriaal. In dit onderzoek kijkt hij naar het complete skelet. Het lichaam kan ons namelijk meer vertellen dan alleen de schedel. Wood noemt het onderzoek veel werk, maar is tevreden met de resultaten die het onderzoek opleverde.

N.a.v.: Coming up at the International Conference on Creationism (http://toddcwood.blogspot.com/2023/06/coming-up-at-international-conference.html).

Voetnoten