Home » Paleontologie

Categoriearchief: Paleontologie

Overzicht van gepubliceerd naturalistisch-wetenschappelijk onderzoek van creationistisch paleontoloog dr. Marcus Ross naar Mosasauriërs en het Mesozoïcum

In 2006 promoveerde creationistische paleontoloog dr. Marcus Ross op de Mosasauriërs. Grote zeereptielen die ooit de Nederlandse Krijtzee domineerden. Dit promotieonderzoek ging niet zonder ophef. Immers, hoe kan een creationist promoveren op een naturalistisch onderzoek. Hierover hoop ik, als de Heere leven en gezondheid geeft, nog een keer over te schrijven. De bibliothecaris van de ‘University of Rhode Island’ was zo vriendelijk om het proefschrift van Ross in te scannen en te publiceren op de website van de universiteit. Het proefschrift heeft als titel: ‘Richness Trends of Mosasaurs (Diapside, Squamata) During the Late Cretaceous‘. Zijn promotieonderzoek was de reden om hem in 2021 uit te nodigen om te spreken over dit onderwerp op een congres over ‘Bijbel & Wetenschap‘.1 Zijn lezing heb ik samengevat in een artikel voor Weet Magazine2.3 Masterstudent geologie Willem Jan Blom heeft het onderzoek van Ross ook genoemd in zijn overzicht.4 Zijn overzicht is de aanleiding tot dit artikel en zorgt voor de drang om het méér compleet te maken. Daarom heb ik op deze website ook al twee overzichten gemaakt (zie voetnoot).5 Vandaag publiceer ik het overzicht rondom het onderzoek van dr. Marcus Ross naar Mosasauriërs en het Mesozoïcum. In tegenstelling tot Blom neem ik wel de abstracts van de naturalistisch-wetenschappelijke conferenties mee.6 Dit omdat je dan laat zien dat je de onderzoeksresultaten bloot wil stellen aan kritiek.

Wetenschappelijke artikelen vanuit het Mosasaurus-onderzoek

(2004) Ross, M.R., Stratigraphy and Analytic Paleontology of the Lowe Pierre Shale at Brown Ranch, Southwestern South Dakota, Proceedings of the South Dakota Academy of Science 83: 163-181.
(2006) Ross, M.R., Trans-Atlantic Correlations of Upper Cretaceous Marine Sediments: The Mid-Atlantic (USA) and Maastricht (Netherlands) Regions, Northeastern Geology and Environmental Science 28 (1): 34-44.
(2009) Ross, M.R, Charting the Late Cretaceous Seas: Mosasaur Richness and Morphological Diversification, Journal of Vertebrate Paleontology 29 (2): 409-416.
(2010) Ross, M.R., Hoesch, W.A., Austin, S.A., Whitmore, J.H., Clarey, T.L., Garden of the Gods at Colorado Springs: Paleozoic and Mesozoic sedimentation and tectonics, in: Morgan, L.A., Quane, S.L. (eds.), Through the Generations: Geological and Anthropogenic Field Excursions in the Rocky Mountains from Modern to Ancient, Geological Society of America Field Guide 18: 77-93.

Abstracts vanuit het Mosasaurus-onderzoek gepresenteerd op conferenties van de Geological Society of America

(2003) Ross, M.R., Cuffey, R.J., Chondrichthyan and Reptilian Fossils from the Upper Cretaceous Peedee Formation at Elizabethtown, Southeastern North Carolina, and Comparison to New Jersey Faunas, Geological Society of America Abstracts with Programs 35 (1): 66.
(2006) Ross, M.R., Fastovsky, D.E., Resolving Mosasaur (Diapsida, Squamata) Extinction Across the Atlantic, Geological Society of America Abstracts with Programs 38 (7): 401.
(2010) Ross, M.R., Integrative Approaches to Late Cretaceous Marine Biostratigraphy and Biogeography, Geological Society of America Abstracts with Programs 42 (5): 510.

Abstracts vanuit het Mosasaurus-onderzoek gepresenteerd op overige wetenschappelijke congressen

(2004) Ross, M.R., Fastovsky, D.E., Refining Global Mosasaur Biostratigraphy, Presented at the First Mosasaur Meeting.
(2004) Ross, M.R., Fastovsky, D.E., Quantitative Approaches to Late Cretaceous Shallow-Marine and Shelf Stratigraphy of Marine Vertebrates, Presented at the meeting of the Society of Vertebrate Paleontology (SVP).
(2007) Ross, M.R., Fastovsky, D.E., New Tools to Uncover Trends in Mosasaur Richness and Morphology Stratigraphically Correlated Assemblages, Presented at the Second Mosasaur Meeting.

Bachelor- en Mastertheses en Dissertaties vanuit het Mosasaurus-onderzoek

(1998) Ross, M.R., A Faunal Assemblage Study of the Peedee Formation, North Carolina, and Comparison with New Jersey Formations, Bachelorthesis Pennsylvania State University.
(2002) Ross, M.R., Stratigraphy and Paleontologic Resources of the Lower Pierre Shale at Brown Ranch, Masterthesis South Dakota School of Mines and Technology.
(2006) Ross, M.R., Richness Trends of Mosasaurus (Diapsida, Squamata) During the Late Cretaceous, Ph.D. Dissertation University of Rhode Island.

Voetnoten

Unfiltered: Matt McClain on Feathered Dinosaurs

Op Unfiltered 2017 (een worldview summit gehost door The Master’s University) hield paleontoloog dr. Matt McLain een korte presentatie (van bijna zeven minuten) over gevederde dinosauriërs. Met dank aan The Master’s University is deze presentatie opgenomen op het YouTube-kanaal van deze universiteit geplaatst.

Feedback & Vragen 2023: Dr. Gerdien de Jong grijpt Mesodma-artikel aan om zondvloedgeloof in het algemeen te verwerpen

Evolutiebiologe dr. Gerdien de Jong is een website begonnen om het Nederlandstalige ‘creationisme’ te weerspreken.1 In een kort artikel bespreekt ze mijn artikel over Mesodma.2 Het valt op dat de kritiek niet opbouwend is, maar er slechts op gericht lijkt te zijn om zondvloedgeloof in het algemeen te verwerpen vanwege natuurwetenschap.3

Hell Creek State Park, het hart van de Hell Creek Formation. In de Hell Creek Formation worden fossielen van Mesodma gevonden. Bron: Wikipedia.

Geen opbouwende kritiek

De samenvatting van het eerste stukje is correct. De uitdaging is dat Mesodma binnen een model dat de K/Pg-zondvloedgrens wil verdedigen, vóór de zondvloed precies op dezelfde plaats leefde als ná de zondvloed. De kritiek van De Jong is niet opbouwend en meedenkend. Zo zou dr. De Jong kunnen helpen met het ontrafelen van de vraag of Neoplagiaulacidae een holobaramin vormt en vast te stellen hoe groot de variatie is binnen het dan vastgestelde holobaramin (haar expertise). Bovendien gaat ze in het artikel ook niet in op de oplossingsrichtingen die je vanuit de K/Pg-zondvloedgrens zou kunnen aandragen. Het artikel lijkt er slechts op gericht om op basis van het Mesodma-artikel zondvloedgeloof in het algemeen te verwerpen.

Alle basisovertuigingen verwerpen vanwege uitdagingen?

Bij dr. Gerdien de Jong zien we een sciëntistische wetenschapsopvatting. Wetenschapsbeoefening leidt dan tot absolute waarheid. ‘Problemen’ kunnen/mogen niet en moeten daarom zo snel mogelijk opgelost worden. Dr. De Jong reageert op een quote uit het Mesodma-artikel, namelijk: “De uitdaging is echter dat wáár je de zondvloedgrens ook plaatst, je tegen geologische of paleontologische problemen aan zult lopen.” Volgens haar zou je op basis van deze uitsprak ‘het idee zondvloed’ moeten ‘verwerpen als in strijd met de gegevens’. Erkennen van het bestaan van de zondvloed is geen ‘idee’ maar een geloofsuitspraak op basis van Schriftgegevens. Dat geloof hangt samen met de interpretatie dat de Schrift Gods Woord is. Dat is een geloof ongeacht natuurwetenschap (NGB artikel 74).

Zelf heb ik een andere wetenschapsopvatting dan dr. Gerdien de Jong. Ik zie meer in een model van consonantie/dissonantie met de basisovertuiging.5 Dus eerlijk met de data omgaan en aangeven waar de data (voorlopig) consonant of dissonant is met de basisovertuiging. Qua zondvloedmodellen hanteer ik zelf een docta ignorantia. Gekscherend noemde ik mijzelf eens een Geologisch-Agnostisch Catastrofist (GAC). Dat zorgt voor een zekere ontspannenheid in de discussie. Want als je omwille van uitdagingen basisovertuigingen moet verwerpen, dan houd je niets meer over. Zelfs de basisovertuiging van Universele Gemeenschappelijke Afstamming moet dan wankelen. Bij het laatste denk ik bijvoorbeeld aan de argumenten in een lezing van dr. Günter Bechly over Fossil Discontinuities.6 We zien bij UGA vanwege basisovertuiging ook datamassage bij fossiele vogelsporen van de Santo Domingo Formation of datamassage na het vinden van een ‘te oude’ Basilosaurus-achtige in de La Meseta Formation. Is dat erg? Wat mij betreft niet. Het toont wel aan dat een basisovertuiging niet zomaar bij de minste of geringste tegenstand omvalt. Beter is het dus om in bescheidenheid wetenschap te bedrijven in een poging om uitdagingen aan te gaan. Dat werkt vaak nog vruchtbaar ook.7 Ik zou dr. Gerdien de Jong willen aanmoedigen om mee te denken in het Mesodma-vraagstuk. Bijvoorbeeld door de vraag te beantwoorden of Neoplagiaulacidae een holobaramin vormt.

Voetnoten

Fossil Discontinuities: Refutation of Darwinism & Confirmation of Intelligent Design – Dr. Günter Bechly sprak voor Forum of Christian Leaders (FOCL)

In 2018 hield paleontoloog dr. Günter Bechly (geen jongeaardecreationist) een lezing voor Forum of Christian Leaders (FOCL) over discontinuïteit in het fossielenarchief.1 Deze lezing is de moeite van het kijken/luisteren waard. Met dank aan FOCL kunnen wij deze lezing terugkijken via het YouTube-kanaal van de organisatie.

Op het YouTube-kanaal wordt ook een soort samenvatting gegeven: “The fossil record is dominated by abrupt appearances of new body plans and new groups of organisms. This conflicts with the gradualistic prediction of Darwinian Evolution. Here 18 explosive origins in the history of life are described, demonstrating that the famous Cambrian Explosion is far from being the exception to the rule. Also the fossil record establishes only very brief windows of time for the origin of complex new features, which creates a ubiquitous waiting time problem for the origin and fixation of the required coordinated mutations. This refutes the viability of the Neo-Darwinian evolutionary process as the single conceivable naturalistic or mechanistic explanation for biological origins, and thus confirms Intelligent Design as the only reasonable alternative.

Voetnoten

Waggelden er pinguïns rond in de leefomgeving van de dinosauriërs?

Pijlsnel vliegt het dier door het water, klapwiekend met zijn vleugels om vooruit te komen. De kop van het dier gaat even omhoog, even richten – en dan als een raket omhoog. Met een glijdende smak komt het dier terecht op het ijs. Pijn lijkt het niet te doen want het dier staat al snel op de poten en waggelt verder. Pinguïns zijn prachtige en schattige beesten. Maar hoe zijn ze ontstaan? Dat is wetenschappelijk gezien een raadsel… Een vondst van een fossiel dat deze maand beschreven werd in het naturalistische tijdschrift The Science of Nature maakt dat raadsel niet kleiner, maar eerder groter.1

De fossiele pinguïn werd gevonden in de Waipara Greensand ten noorden van Christchurch, de derde grootste stad van Nieuw-Zeeland. De fossielvindplaatsen langs de Waipara rivier staan bekend om de vondsten van meerdere zeevogels. De pinguïns zijn naturalistisch ouder dan gedacht, dat is de toch wel onverwachte conclusie van de onderzoekers die de nieuwe vondst presenteerden in The Science of Nature.2 De vondst ziet er volgens de co-auteur van de officiële publicatie, dr. Paul Scofield, net zo uit als moderne pinguïns.3 Op basis van het fossiel schatten de onderzoekers dat het gevonden exemplaar groter was dan de huidige pinguïns. De hoofdauteur, dr. Gerald Mayr zegt: “The leg bones we examined show that during its lifetime, the newly described penguin was significantly larger than its already described relatives. Moreover, it belongs to a species that is more closely related to penguins from later time periods.4 In leven was de pinguïn ongeveer 150 centimeter. Daarmee komen de onderzoekers tot de conclusie dat gigantisme onder de pinguïns al heel vroeg voorkwam. Omdat het slechts om een klein deel van één pinguïn gaat, heeft het soort nog geen naam gekregen.

Het fossiele archief van de pinguïns is de afgelopen jaren intensief bestudeerd en vele nieuwe taxa zijn tevoorschijn gekomen. Door meer onderzoek te doen naar deze prachtige schepselen blijkt dat deze groep een grote variatie heeft gekend in het verleden. Kennis over de vroegste periode die geleid heeft tot de huidige variatie van pinguïns is echter zeer fragmentarisch en hoe de pinguïns naturalistisch ontstaan zijn is een groot raadsel. Deze vondst maakt dat raadsel voor naturalisten niet kleiner maar eerder groter. Uit de vondsten in het zogenoemde Paleoceen (naturalistisch gedateerd op 66-56 miljoen radiometrische jaren geleden) blijkt dat de diversiteit onder pinguïns veel groter is dan gedacht. In de publicatie vergelijken de auteurs de vondst met de andere vondsten uit hetzelfde ‘tijdperk’. Dr. Scofield zei: “We believed up until this specimen was discovered there was very little variation among these Paleocene penguins”.5 Dr. Scofield verwacht dat er nog meer soorten pinguïns uit die tijd gevonden zullen worden in de Waipara Greensand: “We’ve really only scratched the surface of what was around at this time”.6 De onderzoekers houden het zelfs voor mogelijk dat er al pinguïns rond waggelden ten tijde van de dinosauriërs. Of creationistisch gezegd: dat er ook pinguïns voorkwamen in het leefgebied van de dinosauriërs en daarmee tegelijkertijd zijn afgezet.

Creationistische visie op pinguïns

Aangezien het artikel ‘vers van de pers’ is, heb ik nog geen officiële reactie gezien van creationistische paleontologen. De creationist en bioloog dr. Todd C. Wood schrijft in zijn monograaf over de Galápagos eilanden dat de huidige soorten pinguïns waarschijnlijk één holobaramin vormen. Hij schrijft: “Considering the general evidence of discontinuity (drom discontinuity criteria) and the statistical support for significant negative baraminic distance correlation between penguins and non-penguin, I conclude that discontinuity surrounds the penguins. As a group that shares continuity within and discontinuity with outgroups, the penguins therefore fulfill the definition of a holobaramin.7 Om het eenvoudig te zeggen: God schiep één paar pinguïns met de mogelijkheid zich te kunnen voortplanten en zich te kunnen aanpassen aan de omgeving. De huidige en ook fossiele variatie pinguïns is dan uit dit oerpaartje ontstaan.

WANNEER LEEFDE DEZE PINGUÏN?
Om de geologische en paleontologische geschiedenis te beschrijven zijn er vier hoofdstromingen te onderscheiden binnen het scheppingsmodel, de zondvloed is daarbij de sleutel tot het verstaan van de geologische geschiedenis

Het model van Setterfield

Dit model stelt dat alleen het Precambrium door de zondvloed is afgezet. Alles wat na dit Precambrium komt dateert van vlak na (toen Noach nog in de ark was) tot ver na de vloed. Voor de pinguïn wil dat zeggen dat het dier omkwam ná de zondvloed.

Het model van Scheven-Hoogerduijn-De Wit

Dit model stelt dat de aardlagen van het Precambrium/Cambrium tot en met het Carboon/Perm leven bevat dat vóór de zondvloed voorkwam. Het Perm zou dan een afzetting zijn die afgezet is toen de aarde droog kwam te liggen, maar de ark zich nog op de bergen van Ararat bevond. Alles van ná Perm dateert van ná de zondvloed. Dat wil net als het model van Setterfield zeggen dat de pinguïn na de zondvloed is omgekomen in een turbulente periode.

Het model van Wise-Wood-Whitmore-Garner

Dit model plaatst de zondvloedgrens min of meer gelijk met de Krijt-Tertiair-grens. Krijtafzettingen zijn dan nog van vóór de zondvloed, Tertiairafzettingen zijn dan van ná de zondvloed. De pinguïn zou dan omgekomen zijn ná de zondvloed. Het gigantisme onder de pinguïns is het resultaat van snelle differentiatie en variatie binnen het pinguïnbaramin.

Het model van Whitcomb-Morris-Holt-Oard

Dit model plaatst de zondvloedgrens hoog in de geologische kolom, veelal tussen het Plioceen en Pleistoceen. Sommigen zijn van mening dat de grens nog hoger moet liggen. Alles wat zich onder het Plioceen bevindt is zondvloedafzetting. Dat wil voor de pinguïns zeggen dat zij omgekomen zijn tijdens de zondvloed.

Dit artikel is in 2017 geschreven.

Missouri’s Mastodon Graveyard – Virtual Field Trip

Missouri Association for Creation is een Amerikaanse creationistische organisatie. Onlangs brachten ze samen met Visual Time Capsule Productions een YouTube-video uit over Mastodon State Historic Site. Host van de video is sofware engineer Zachary Klein en als gastsprekers worden paleobioloog Paul Garner (MSc.), bioloog en biochemicus dr. Todd C. Wood en meteoroloog en atmosferisch wetenschapper Michael Oard (MSc.) aan het woord gelaten. Laatstgenoemde heeft de laatste decennia een ijstijdmodel ontwikkeld. Samen denken ze na over hoe deze fossielenlocatie past binnen een korte chronologie. Helaas is de video Engels gesproken en niet ondertiteld. Toch vond de redactie het de moeite van het delen waard. Veel zegen bij het kijken en luisteren!

Mesodma, een biostratigrafische uitdaging voor een K/Pg-zondvloedgrens

Mesodma. Een boombewonend zoogdiertje zo groot al een muis. Als omnivoor een overlevende van de grootste ramp aller tijden (de zondvloed). Mesodma zorgt bij sommige creationisten voor hoofdbrekens. Het is namelijk een zoogdier dat, volgens sommige creationisten, aan boord van de ark zat en precies naar dezelfde plaats terugkeerde waar het voor de zondvloed leefde. Dat is wel heel toevallig!

Figuur 1: Locaties waar fossielen van Mesodma worden gevonden. Het betreft alleen fossielen uit het Mesozoïcum. Voor fossielen uit het Kenozoïcum (Paleogeen) zie figuur 2. Bron: Screenshot The Paleobiology Database met als zoekterm ‘Mesodma’ en filter ‘Cretaceous’. 

Mesodma

Onlangs ontving ik het in het Nederlands vertaalde boek ‘Fossils and the Flood’ van de paleobioloog Paul Garner (MSc.).1 Wat ik waardeer aan dit boek is dat Garner ook onbekendere soorten weergeeft, zoals Mesodma en Alphadon. Dit waren kleine zoogdieren die volgens Garner leefden in het leefgebied (bioom) van de dinosauriërs. Paul Garner verdedigt de K/Pg-grens als de grens tussen de zondvloed en de tijd ná de zondvloed (in het vervolg zondvloedgrens genoemd). Iets wat ik beschouw als een interessante werkhypothese. Alphadon (behorend tot de familie Alphadontidae) lijkt goed te passen binnen deze werkhypothese. We vinden volgens PaleoBiology Database (PBDB) dit soort in het Mesozoïcum van Noord-Amerika (en mogelijk in Portugal).2 In het Paleogeen (Eoceen) vinden we dit soort alleen in Algerije. Alphadon leefde voor de zondvloed dus in een andere streek dan ná de zondvloed. Fossielen van Mesodma zijn echter een flinke uitdaging voor creationisten die de K/Pg-zondvloedgrens als werkhypothese hanteren.

Figuur 2: Locaties waar fossielen van Mesodma worden gevonden. Het betreft alleen fossielen uit het Paleogeen. Voor fossielen uit het Mesozoïcum (Krijt) zie figuur 1. Bron: Screenshot The Paleobiology Database met als zoekterm ‘Mesodma’ en filter ‘Paleogene’. 

Biostratigrafie

We zouden niet verwachten dat soorten precies naar de plaats migreerden waar ze voor de zondvloed geleefd hebben. We zouden een biostratigrafisch gat verwachten tussen de Noord- Amerikaanse soorten in het Krijt en de Noord-Amerikaanse soorten in het Paleoceen.3 Zeker als we rekening houden met de theorie van Catastrophic Plate Tectonics waarbij hele continenten verschoven zijn naar andere breedtegraden en dat ecosystemen op die continenten (daardoor) drastisch veranderd zijn.4 Door verdedigers van de K/Pg-zondvloedgrens wordt dit overigens erkend. Dr. Marcus Ross deed onderzoek naar de biostratigrafische verspreiding van diersoorten in relatie tot de gepostuleerde zondvloedgrenzen.5 Hij gaf in 2019 een lezing hierover voor The Creation Summit van The Master’s University.6 Hierin verklaarde hij dat zijn voorkeur voor de K/Pg-zondvloedgrens niet perfect is, maar wel een betere kandidaat dan de, door sommige creationisten, gepostuleerde Plioceen/Pleistoceen-zondvloedgrens. Voor Noord-Amerika zag hij, in de biostratigrafische verspreiding van de placentale zoogdieren en de multituberculate zoogdieren (Mesodma), ook uitdagingen voor de K/Pg-zondvloedgrens. Deze eerlijkheid verhelpt het probleem helaas niet.

De uitdaging

Wat is de uitdaging voor creationisten inzake het zoogdiertje Mesodma? Mesodma behoort tot de familie Neoplagiaulacidae. Het betreft een familie uitgestorven multituberculate zoogdieren. Deze familie is vooral te vinden in aardlagen van het Boven-Krijt tot en met het Paleogeen (Oligoceen). Creationisten hebben nog geen baraminologisch onderzoek gedaan of deze door naturalisten geclassificeerde familie ook daadwerkelijk één holobaramin is. Dat zou nodig zijn om de uitdaging van Mesodma op te lossen. De familie Neoplagiaulacidae is namelijk breder verspreid over de wereld. Fossielen van Mesodma worden slechts gevonden in Noord-Amerika (zowel in het Krijt als in het Paleogeen). We zien in de afbeeldingen hierboven dat de fossielen van Mesodma veelal op dezelfde plaats worden gevonden. Dat geldt zowel voor het Krijt als het Paleogeen. Is dit soort na de zondvloed naar precies dezelfde plaats teruggekeerd? Dat lijkt onwaarschijnlijk. Moet de zondvloedgrens dan niet wat hoger of lager liggen? Dan zal dit biostratigrafische probleem zich hoogstwaarschijnlijk voordoen bij andere soorten. Hoe dit op te lossen?

Figuur 3: De biostratigrafische verspreiding van de familie Neoplagiaulacidae. Blauw-groen zijn vondsten uit het Mesozoïcum. Oranje zijn vondsten uit het Kenozoïcum. Bron: Screenshot van The Paleobiology Database met als zoekterm ‘Neoplagiaulacidae’

Oplossing?

We hebben gezien dat de biostratigrafische verspreiding van Mesodma een natuurwetenschappelijke uitdaging vormt voor de K/Pg-zondvloedgrens. Hoe kunnen creationisten dit oplossen?

  • Het probleem laten staan (in de ijskast). We zouden kunnen zeggen dat alle zondvloedgrenzen problemen hebben en dat er veel aanwijzingen zijn voor deze specifieke zondvloedgrens. We parkeren Mesodma in de ijskast en laten het zo lang liggen totdat er een gelegenheid voordoet dat de biostratigrafische verspreiding van Mesodma wél verklaard kan worden. We hebben immers nog niet alle puzzelstukjes.
  • Fossielen van Mesodma op andere plaatsen ter wereld vinden. We gaan bijvoorbeeld in Paleogene aardlagen van Europa, Afrika en Azië op zoek naar fossielen van Mesodma. We laten het probleem niet passief in de ijskast staan, maar gaan actief op zoek. Immers, als Mesodma op veel meer plaatsen gevonden wordt dan in Noord-Amerika alleen is dat een aanwijzing dat Mesodma na de zondvloed niet slechts naar Noord-Amerika migreerde maar zich over de hele wereld verspreidde.
  • Baraminologisch onderzoek. Volgens naturalisten behoort Mesodma tot de familie Neoplagiaulacidae. Zoals gezegd hebben creationisten nog nauwelijks baraminologisch onderzoek gedaan naar Neoplagiaulacidae. De meeste baramins (‘naar hun aard’) liggen op het niveau van familie, dus het ligt voor de hand dat dit hier ook geldt. We zien via PaleoBiology DataBase (PBDB) dat soorten uit de familie Neoplagiaulacidae over de wereld verspreid voorkomen tot en met het Oligoceen (Noord-Amerika, Europa en Azië). Waarbij deze familie in het Krijt slechts uit Noord-Amerika bekend is. De familie heeft zich dan na de zondvloed beter over de wereld kunnen verspreiden dan vóór de zondvloed. We moeten dan alleen nog verklaren dat de typespecifieke kenmerken van Mesodma uit het Krijt ook terugkomen in Mesodma uit het Paleogeen.
  • Reworking. Mesodma wordt in Noord-Amerika vooral gevonden in de eerste laag ná de K/Pg-zondvloedgrens (het Paleoceen). Omdat het om een betrekkelijk klein fossiel gaat, waarbij vaak ook nog eens slechts de tanden worden gevonden, zou hier sprake kunnen zijn van reworking. Mesodma heeft dan zelf de zondvloed niet overleefd. De fossielen zijn losgeraakt uit de Krijtafzettingen en opnieuw afgezet in het Paleoceen. Omdat naturalisten ook geïnteresseerd zijn in het vraagstuk welke soorten de meteorietinslag aan het einde van het Krijt hebben overleefd kunnen zij creationisten hierbij helpen en omgekeerd. Als het om reworking gaat dan zijn het fossielen uit het Krijt en was Mesodma in het Paleoceen uitgestorven. Probleem is dat het dan wel om héél veel fossielen gaat waarvoor reworking geldt. Intensief onderzoek is nodig!
  • Verhogen of verlagen van de zondvloedgrens. Er zijn creationisten die het probleem inzake Mesodma zullen aandragen als één van de redenen voor het verlagen of verhogen van de zondvloedgrens. Ze zullen zeggen: ‘Zie je wel, naast een waslijst aan problemen voor deze zondvloedgrens is Mesodma er opnieuw één. Verlagen of verhogen die zondvloedgrens!’ De uitdaging is echter dat wáár je de zondvloedgrens ook plaatst, je tegen geologische of paleontologische problemen aan zult lopen. Biostratigrafie geeft problemen zowel voor de Plioceen/Pleistoceen-zondvloedgrens als voor de Perm/Trias-zondvloedgrens. Verhogen of verlagen heeft dus voor wat betreft biostratigrafie weinig zin.
  • God-of-the-gaps. Er zijn creationisten die deze biostratigrafische uitdagingen wegverklaren met een beroep op het directe handelen van God. De Heere heeft de soorten dan direct geleid naar de plaats waar ze voor de zondvloed leefden. Het probleem valt dán voor alle zondvloedgrenzen weg en dr. Ross heeft nutteloos werk verricht om voor twee voorgestelde zondvloedgrenzen dit in kaart te brengen. Tegenwerping is echter dat voor een direct handelen van God bij de biogeografische verspreiding van soorten, in Genesis geen aanwijzingen zijn. De soorten kwamen volgens de openbaring in Genesis wel op Goddelijke aanwijzing naar de ark. De biogeografische verspreiding van de soorten ná de ark volgt echter Gods gewone weg (namelijk via de door Hem gestelde ‘natuurwetten’). Soorten krijgen de opdracht zich te verspreiden over de aarde, uiteraard in Zijn voorzienigheid. Niets wijst er echter op dat de Heere ook directe gebieden aanwees voor de soorten. Het zou kunnen, maar het is niet geopenbaard of aangetoond en daarmee ad hoc.
  • Toeval. Het geldt alleen voor Mesodma dat deze precies terugkeerden naar het leefgebied waar ze voor de zondvloed leefden. We hebben gezien dat dit voor bijvoorbeeld voor Alphadon niet geldt. Het is onder samenloop van omstandigheden dat dit zo gebeurde, iets wat wij vanuit menselijk perspectief toeval zouden noemen. Helaas geldt dit probleem niet slechts voor Mesodma, maar volgens dr. Marcus Ross voor 15% van de genera (in Noord-Amerika). Dat is wel heel toevallig!
Figuur 4: De biostratigrafische verspreiding van de familie Alphadontidae. Blauw-groen zijn vondsten uit het Mesozoïcum. Oranje zijn vondsten uit het Kenozoïcum. Bron: Screenshot van The Paleobiology Database met als zoekterm ‘Alphadontidae’.

Ten slotte

We hebben gezien dat Mesodma een uitdaging vormt voor hen die een K/Pg-zondvloedgrens verdedigen. Mesodma is een wat creationisten classificeren als grensoverschrijdend soort. Sommige creationisten zullen deze uitdaging bagatelliseren. Anderen zullen actief op zoek gaan naar een verklaring of passief het probleem laten staan. Zelf ben ik er voorstander van om allereerst de uitdaging in kaart te brengen. Hoe groot is de uitdaging en wat zijn de mogelijke oplossingsrichtingen? Daarna zouden die oplossingsrichtingen stuk voor stuk en in-depth verder uitgewerkt moeten worden.7 Creationistische experts zouden hierbij niet over één nacht ijs moeten gaan. Waarom? Tot eer van de Schepper en tot heil van de naaste! Soli Deo Gloria!

Voetnoten

Rudabánya bányató het diepste meer van Hongarije – En de vindplaats van de mensaap Rudapithecus hungaricus

Rudabánya bányató is het diepste meer van Hongarije. Het meer is een volgelopen steengroeve met dagbouw. Dit meer is 300 meter lang, 80 meter breed en 60 meter diep. In de buurt van het meer worden fossielen van de Miocene mensaap Rudapithecus hungaricus gevonden. De mensaap leek wel op de huidige chimpansee. Helaas claimen sommige naturalisten deze mensaap direct als ‘menselijke voorouder’. Er is diepgravend onderzoek nodig tot de juiste creationistische indeling te komen. Een dronevideo geeft mooie beelden van het landschap. Met dank aan het YouTube-kanaal ‘FS Photo-video-drone‘ voor het plaatsen van deze video.

The Post-Flood Period: The Arphaxadian Epoch – Dr. Kurt P. Wise sprak over de nazondvloedse wereld op een congres van ‘Is Genesis History?’

In 2017 sprak de geoloog en paleontoloog dr. Kurt P. Wise op een congres van ‘Is Genesis History?’ over de nazondvloedse wereld. Hij noemt de periode na de zondvloed de ‘Arphaxadian Epoch’, naar de kleinzoon van Noach: Arfachsad. Arfachsad werd twee jaar ná de zondvloed geboren (zie Genesis 11:10). Hij gaat in op allerlei processen die mogelijk na de zondvloed zouden hebben plaatsgevonden. De lezing is in het Engels, maar via YouTube is er ook Nederlandse ondertiteling beschikbaar. Met dank aan ‘Is Genesis History?‘ voor de uitnodiging van dr. Kurt Wise én voor het plaatsen van de video op het YouTube-kanaal.

Facing the hard problems in creation geology: some encouragements and challenges – Paul Garner (MSc.) sprak op ‘Origins Conference 2020’

Jaarlijks wordt in Amerika de zogenoemde ‘Origins Conference‘ georganiseerd door CTS, CBS en CGS.1 Op het congres van 2020 sprak de Europeaan Paul Garner (MSc.) over ‘Facing the hard problems in creation geology‘. Deze lezing werd opgenomen en geplaatst op het YouTube-kanaal van Biblical Creation Trust (BCT). BCT is de organisatie waar Paul Garner als spreker en onderzoeker aan verbonden is. De video is, voor degenen die geen Engels kunnen, helaas niet ondertiteld.

Voetnoten