Home » Paleontologie

Categorie archieven: Paleontologie

Zoogdieren uit de dinotijd – Een OnTopic uit Weet Magazine

Er worden er veel gevonden: fossielen van zoogdieren die volgens het standaardmodel in de tijd van de dino’s leefden. In China zijn onlangs weer twee nieuwe soorten ontdekt. Ze laten zien dat de zoogdieren ten tijde van de dinosauriërs meer gespecialiseerd waren dan gedacht.1

De Kaapse Goudmol (Chrysochloris asiatica). Bron: Wikipedia.

In China zijn fossielen gevonden van zoogdieren die nog niet eerder bekend waren. Het gaat om een klein dier met grote klauwen, dat waarschijnlijk in bomen leefde, en een klein zoogdier met graafpoten, dat waarschijnlijk tunnels groef, op zoek naar insecten. De ene soort heet Agilodocodon scansorius. Het is ‘t oudste in bomen levende zoogdier dat ooit is gevonden. Agilodocodon had verschillende kenmerken die hem geschikt maakten om te klimmen: lange klauwen, soepele, buigzame ellenbogen, polsen en enkels, en ledematen met dezelfde verhoudingen als die van andere in bomen levende zoogdieren. Uit het gebit blijkt dat de Agilodocodon een alleseter was. De andere soort heet Docofossor brachydactylus. Het is het ‘oudste’ ondergronds levende zoogdier dat tot nu toe is gevonden. Volgens de onderzoekers lijkt deze Docofossor op de hedendaagse Afrikaanse goudmol. Die leeft ondergronds, graaft tunnels en heeft een dikke pels.

Dit artikel is met toestemming overgenomen uit Weet Magazine. De volledige bronvermelding luidt: Meerten, J.W. van, 2015, Zoogdieren uit de dinotijd. Ze waren verder dan gedacht, Weet 35: 9.

Bronnen

Was het karkas, gevonden aan de kust van Nieuw Zeeland, van een hedendaagse Plesiosaurus?

In veel artikelen en boeken, van creationisten en evolutionisten, wordt verwezen naar een karkas dat voor de kust van Nieuw-Zeeland is opgevist. Er wordt gespeculeerd dat het van een moderne Plesiosaurus geweest is. Wat is de waarheid achter deze beweringen?

Op 25 april 1977 werd door een Japanse trawler, de Zuiyo-maru, een mysterieus karkas van een dier opgevist. Het karkas werd opgevist vanuit een diepte van 300 meter, ongeveer 30 mijl (zo’n 48 km, red.) ten oosten van Christchurch in Nieuw-Zeeland. Foto’s, metingen en een schets van het karkas werden gemaakt door Michihiko Yano, waarnemend sectiehoofd van de Taiyo Fishery Company, die aan boord was. Er werden ook weefselmonsters genomen en het karkas werd vervolgens weer overboord gezet. Ooggetuigenverslagen en een studie van de foto’s geven aan dat het schepsel waarschijnlijk al 6-12 maanden dood was (Seta, 1978).

Het gevonden karkas aan de kust van Nieuw-Zeeland was waarschijnlijk niet van een Plesiosaurus, maar van een reuzenhaai. Bron: Pixabay.

Toen ze van de ontdekking hoorden, nam de Taiyo Fishery Company contact op met dr. Fujio Yasuda, professor in de ichtyologie aan de Visserij Universiteit van Tokio, om hem te helpen bij de identificatie van het dier. Om hem bij deze taak te helpen, besloot Dr. Yasuda een aantal andere wetenschappers in te schakelen. Voordat deze groep experts echter conclusies had getrokken, belegde de Taiyo Fishery Company op 20 juli 1977 een persconferentie waarop ze bekendmaakten dat er een vreemd karkas was ontdekt. Binnen enkele dagen speculeerden kranten, televisie en radio over de identiteit van het dier. In een poging om uit de ontstane verwarring te komen, riep dr. Tadayoshi Sasaki, voorzitter van de Tokyo University of Fisheries, wetenschappers uit veel verschillende vakgebieden bijeen om het probleem te onderzoeken en hun conclusies te publiceren. De groep kwam twee keer samen: in september 1977 en in 1978. Hun bevindingen werden door de Société Franco-Japonaise d’Oceanographie in een verzameldocument gepubliceerd (Sasaki, 1978).

Omdat het onmogelijk was om een volledige kopie van dit rapport in Verenigd Koninkrijk te krijgen, heb ik een aanvraag ingediend bij Dr. Makoto Manabe, Curator van Fossiele Reptielen in het National Science Museum in Tokio. Hij was zo vriendelijk mij een kopie te sturen. Enkele van de belangrijkste punten zijn hieronder samengevat.

Omura, Mochizuki en Kamiya (1978) wijzen erop dat het karkas borst- en rugvinnen had met vinstralen. Deze zijn kenmerkend voor vissen, wat het idee tegenspreekt dat het karkas van een Plesiosaurus was. Zeereptielen en zoogdieren hebben bindweefsel. Bovendien, als het dier een Plesiosaurus was, zouden de ledematen in dit stadium van de ontbinding moeten zijn losgekomen van de ruggengraat. De foto’s van het karkas laten zien dat de ledematen van het dier er nog aan zaten (Hasegawa en Uyeno, 1978). Maar als het geen Plesiosaurus was, wat was het dan wel? Elektronenmicroscopie en chemische analyse van hoornvezels die door de heer Yano uit de borstvin van het dier werden gehaald, ondersteunen de conclusie dat het karkas van een haai was. De hoornvezels waren qua morfologie en aminozuursamenstelling vrijwel identiek aan het elastodine van de reuzenhaai (Kimura, Fujii, Sato, Seta en Kubota, 1978). Metingen door de heer Yano naar de lichaamsverhoudingen ondersteunen deze identificatie ook. De ribben waren bijvoorbeeld 40 cm lang. Te kort voor die van een gewerveld dier, uitgezonderd de kraakbenige ribben van haaien (Hasegawa en Uyeno, 1978).

Obata en Tomoda (1978) waarschuwen dat het niet met zekerheid te zeggen is of het karkas van een reptiel of een haai is. Ze suggereren zelfs dat als het een haai is, het tot een nieuw geslacht zou kunnen behoren. Ze geven echter toe dat de chemische analyses van de hoornvezels die van de vin van het schepsel zijn genomen ‘de gedachte sterk ondersteunen‘ dat het dier een haai was en dat ‘er geen bekende fossiele reptielen zijn die overeenkomen met het onderzochte dier‘ (p.52).

Reuzenhaaien worden tijdens ontbinding soms ‘pseudo-Plesiosauriërs’ genoemd, vanwege hun gelijkenis met uitgestorven zeereptielen. Een vergelijking van het karkas uit Nieuw-Zeeland met een foto van een karkas van een reuzenhaai, gepubliceerd in het tijdschrift Diving World, laat zien dat ze qua uiterlijk veel op elkaar lijken (Anon, 1978). Het Nieuw-Zeelandse karkas was niet het eerste karkas dat zo’n verwarring veroorzaakte. Een ander geval was dat van een ‘zeeslang’ die in september 1809 aanspoelde bij Stronsay. Volgens commandant Rupert T. Gould, die in 1933 wervels van het karkas onderzocht, was dit dier ongetwijfeld een reuzenhaai (Dinsdale, 1966). Veel meer voorbeelden van karkassen van reuzenhaaien die werden aangezien voor Plesiosaurussen of zeeslangen worden gegeven in een klassiek boek over dit onderwerp door cryptozoöloog Bernard Heuvelmans (1968).

Een verwante mythe, die vaak wordt herhaald, is dat er in 1977 in Japan een postzegel met een Plesiosaurus werd uitgegeven om deze gedenkwaardige ontdekking te herdenken. In feite werd de postzegel uitgegeven om de 100ste verjaardag van het National Science Museum in Tokio te vieren en had dit waarschijnlijk niets te maken met het Nieuw-Zeelandse karkas (Boyle, 1994).

Concluderend lijkt het, ziende op het bewijsmateriaal, dat het karkas uit Nieuw-Zeeland een, in staat van ontbinding verkerende reuzenhaai, is. Mogelijk van een momenteel niet bekende reuzenhaaiensoort. Beweringen dat het karkas van een recent levende Plesiosaurus was, kunnen niet worden ondersteund. Het wordt sterk aangeraden dat creationisten zich daarom van dit argument onthouden.

Dit artikel is met toestemming vertaald uit Origins. De volledige bronvermelding luidt: Garner, P.A., 1996, The New Zealand ‘plesiosaur’, Origins 21: 24-25 (originele Engelstalige artikel).

Literatuur

  • Anon. (1978) Diving World No.29 (January).
  • Boyle, T.D. (1994) Letter to the editor, Creation Ex Nihilo Technical Journal, 8:155.
  • Dinsdale, T. (1966) The Leviathans, Routledge & Kegan Paul, London. p.185.
  • Hasegawa, Y., Uyeno, T. (1978), On the nature of the carcass of a large vertebrate found off of New Zealand, pp.63-65 in Sasaki, 1978.
  • Heuvelmans, B. (1968), In the wake ofthe sea-serpents, Rupert-Hart Davis, London.
  • Kimura, S., Fujii, K., Sato, H., Seta, S., Kubota, M. (1978), The morphology and chemical composition of horny fibres from an unidentified creature captured off the coast of New Zealand, pp.67-74 in Sasaki, 1978.
  • Obata,I., Tomoda, Y. (1978), Comparison of the unidentified animal with fossil animals, pp.45-54 in Sasaki, 1978.
  • Omura, H., Mochizuki, K., Kamiya, T. (1978), Identification of the carcass trawled by the Zuzyo-maru – from a comparative morphological viewpoint, pp.55-60 in Sasaki, 1978.
  • Sasaki, T. (1978), Collected papers on the carcass of an unidentified animal trawled off New Zealand by the Zuiyo-maru, La Societe Franco-Japonaise d’Oceanographie, Tokyo. pp.1-83.
  • Seta, S. (1978), On the condition of the carcass of the unidentified animal, pp.75-76 in Sasaki, 1978.

‘Dinosaur, Feathers, and Creation’ – Dr. Marcus Ross voor ISBH over gevederde dinosauriërs

Recent hield ‘The International Society for Biblical Hermeneutics’ (ISBH) een online conferentie met als thema ‘Creationism Today’. Geoloog en paleontoloog dr. Marcus Ross was ook uitgenodigd en hield een lezing over de gevederde dinosauriërs, met als titel ‘Dinosaurs, Feathers, and Creation’.1 Met dank aan ISBH is deze lezing opgenomen en terug te kijken. In het Nederlandse scheppingsdebat speelt het issue van gevederde dinosauriërs ook, zij het in mindere mate. Daarom is het nuttig om deze video van dr. Marcus Ross te kijken.2

Als de creationistische soorten (‘baramins’) overeenkomen met families uit de reguliere taxonomie en de ark geland is in het Midden-Oosten, hoe kan het dat kangoeroes alleen in Australië voorkomen? Waarom komen ook andere families uit de Australidelphia alleen in Australië voor? Hoe zijn ze daar gekomen?

Dit jaar (2020) is Logos Instituut1 begonnen met de rubriek ‘Antwoorden voor sceptici, critici en waarheidszoekers’. Atheïst en bewegingswetenschapper drs. Bart Klink heeft daarna een hele waslijst aan ‘vragen voor welwillende creationisten’ opgesteld.2 Hij deed dat samen met natuurkundige dr. Roel Andringa3, student aardwetenschappen en filosofie Willem Jan Blom4, evolutiebiologe dr. Gerdien de Jong5 en astronoom dr. Eelco van Kampen6. Het is bijzonder dat zoveel gepromoveerde naturalisten de moeite nemen om te reageren op creationisten en geïnteresseerd zijn in hun antwoorden.7 In deze lijst staat één vraag, vermoedelijk van evolutiebiologe dr. Gerdien de Jong, over de Australidelphia en hoe deze beesten in Australië zijn gekomen. Omdat de auteur daar afgelopen week nog een artikel over geschreven heeft lijkt het goed om deze vraag mee te nemen.

In het onderstaande korte artikel geven we eerst de vraag weer en reageren op de vraagstelling. Daarna geven we een kort antwoord op de vraag.

De vraag luidt:

Als de creationistische soorten (‘baramins’) overeenkomen met families uit de reguliere taxonomie en de Ark geland is in het Midden-Oosten, hoe kan het dat kangoeroes alleen in Australië voorkomen? Waarom komen ook andere families uit de Australodelphia [sic] alleen in Australië voor? Hoe zijn ze daar gekomen?

Bespreking van de vraag

In de vraagstelling valt op dat er niet verwezen wordt naar een creationistisch artikel dat stelt dat de baramins overeenkomen met families, maar naar een Wikipediapagina waar niets in staat over baraminologie. Krachtiger zou zijn te verwijzen naar creationistische bronnen, bijvoorbeeld een artikel van dr. Todd C. Wood uit 2006 met als titel The current status of baraminology en hier online te vinden.8 Of een artikel van dr. Jean Lightner uit 2018 met als titel The CRS eKINDS research initiative: where we have been and where we are headed from here en hier online terug te vinden.9 Het eerste deel van de vraag is over het algemeen correct, maar niet altijd zoals Lightner terecht aangeeft. Een link naar creationistische literatuur zou verhelderend zijn geweest. Waarom slechts naar naturalistische bronnen verwijzen als het ook anders kan?

De vraagsteller heeft gelijk als zij schrijft dat kangoeroes alleen in Australië voorkomen. Jan Rein de Wit schreef daar in 2017 nog een kort artikel over dat later ook op de website van Logos Instituut verscheen.10 De spelwijze van Australodelphia, door de vraagsteller zo opgeschreven, kan verwarring opleveren met een uitgestorven dolfijnensoort uit het Plioceen, waarvan de fossielen in Antarctica zijn gevonden: Australodelphis mirus.11 We begrijpen echter de bedoeling van de vraagsteller, namelijk de Australische buideldieren (Australidelphia).

Tot gisteren dacht de auteur ook dat leden van de groep Australidelphia alleen in Australië voorkwam. Nadat deze auteur het nieuwste artikel van Willem Jan Blom gelezen heeft over de buideldierachtigen, met hem correspondentie gevoerd heeft en naar aanleiding daarvan zelf kort de literatuur ingedoken is, denkt de auteur daar nu anders over. Leden van de groep Australidelphia komen niet alleen in Australië voor, maar ook in Zuid-Amerika. Het gaat om de monito del monte (Dromiciops gliroides), ook wel de colocolo genoemd. In 2017 schrijven de onderzoekers Schneider en Gurovich het volgende in hun paper in Journal of Anatomy12:

The living monito del monte is more phylogenetically related to Australasian marsupials and is part of Australidelphia (including alle the Australasian marsupial orders and Microbiotheria. This is a clade supported by morphological evidence predominantly from the ankle region, and later by skeletal, cranial and dental evidence, as well as molecular and total evidence phylogenetic analysis combining molecular and morphological data. However, phylogenetic relationships between Dromiciops and other Australasian marsupial clades still remain unresolved.

Zie ook de fylogenetische boom en de biogeografische positie van de monito del monte (Dromiciops) hiernaast.13 Ook het overzichtsartikel van Eldridge et al. laat in tabel 1 zien dat monito del monte tot de Australidelphia behoort.14 De Australidelphia komen daarom kennelijk niet alleen in Australië voor, maar ook in Zuid-Amerika. Dit doet overigens weinig afbreuk aan de vraag, omdat het leeuwendeel van de Australidelphia wél slechts in Australië voorkomt. Hoe komt dat?

Antwoord op de vraag

Creationisten hebben daar nog geen goed antwoord op. Afgelopen week schreef de auteur dat de Australidelphia een groot probleem vormen voor creationisten. Hij stelt heel voorzichtig en sterk hypothetisch een oplossingsrichting voor. Willem Jan Blom heeft daar al weer op gereageerd.15 De auteur komt in het voorjaar met een repliek daarop, maar wil eerst de fossielen overzichtelijk op een rij hebben én heeft bovenal andere prioriteiten. Gisteren verscheen van de hand van ing. Stef Heerema een ander antwoord op de website van Logos Instituut. Het feit dat er verschillende antwoorden worden gegeven, laat zien dat creationisten nog geen consensus hebben rond de vraag hoe de Australidelphia in Australië zijn gekomen. Voor details van de antwoorden verwijzen we graag naar de artikelen van de auteur16 en het artikel van Stef Heerema17 Hoe zijn de Australidelphia in Australië gekomen? Daar is véél meer creationistisch onderzoek voor nodig. De auteur is aangemoedigd om te zoeken rond de hypothetisch voorgestelde paleobiogeografische verspreidingsroute 1 in het vorige artikel van de auteur.17 Er zijn namelijk wel Australidelphia aanwezig in Zuid-Amerika, wat een ‘oversteek’ via Antarctica naturalistisch (maar mogelijk ook creationistisch) waarschijnlijk maakt. Voor meer bewijsmateriaal moeten we opgravingen doen in Antarctica.

Literatuur

  • Eldridge, M.D.B., Beck, R.M.D., Croft, D.A., Travouillon, K.J., Fox, B.J., 2019, An emerging consensus in the evolution, phylogeny, and systematics of marsupials and their fossil relatives (Metatheria), Journal of Mammology 100 (3): 802-837.
  • Fordyce, R.E., Quilty, P.G., Daniels, J., 2002, Australodelphis mirus, a bizarre new toothless ziphiid-like fossil dolphin (Cetacea: Delphinidae) from the Pliocene of Vestfold Hills, East Antarctica, Antarctic Science 14 (1): 37-54.
  • Heerema, S.J., 2020, Letter to editor; The marsupial fossil record is not compelling evidence for a K-Pg Flood boundary, Creation Research Society Quarterly 56 (4): 264-265.
  • Lightner, J.K., Anderson, K., 2018, The CRS eKINDS research initiative: where we have been and where we are headed from here, in: Whitmore, J.H. (Ed.), Proceedings of the Eighth International Conference on Creationism, (Pittsburgh: Creation Science Fellowship), blz. 185-190.
  • Nilsson, M.A., Churakov, G., Sommer, M., Tran, N.V., Zemann, A., Brosius, J., Schmitz, J., 2010, Tracking Marsupial Evolution Using Archaic Genomic Retroposon Insertions, Plos Biology 8 (7): 1-9.
  • Schneider, N.Y., Gurovich, Y., 2017, Morphology and evolution of the oral shield in marsupial neonates including the newborn monito del monte (Dromiciops gliroides, Marsupialia Microbiotheria) pouch young, Journal of Anatomy 231 (1): 59-83.
  • Wood, T.C., 2006, The Current Status of Baraminology, Creation Research Society Quarterly 43 (3): 149-158.
  • Wit, J.R. de, 2017, Hoe overleefden kangoeroes de zondvloed?, Weet 47: 48.

Voetnoten

Hoe (vroege) buideldieren uit het Midden-Oosten ons bezig blijven houden – Een reactie op Willem Jan Blom

Enkele maanden geleden (april 2020) was er tussen de auteur en diverse sceptici en critici een discussie over de vraag ‘Zijn er fossiele (vroege) buideldieren gevonden in het Midden-Oosten?’. Deze discussie werd gevoerd naar aanleiding van commentaar van een scepticus op het artikel van Jan Rein de Wit in Weet-Magazine.1 De scepticus stelde dat er géén buideldieren in het Midden-Oosten zijn gevonden. De auteur van het artikel stelde dat dit wél het geval was. Student aardwetenschappen en filosofie Willem Jan Blom reageerde op het eerste artikel van de auteur.2 Daarna is het van onze kant stil gebleven. We willen deze stilte verbreken door een reactie te geven op de repliek van Willem Jan Blom.3

Een probleem

In mijn artikelen heb ik aangegeven dat de biogeografie van de buideldieren een probleem is voor creationisten. Het gaat niet zozeer om de buideldieren in het algemeen, maar de Australische buideldieren (Australidelphia) een groep binnen de Metatheria. Dat geldt zowel voor de paleontologische4 als voor de genetische5 gegevens. De huidige creationistische oplossingen voor de biogeografische verspreiding van de buideldieren variëren van een ‘God did it’-antwoord tot een ‘de buideldieren hebben de zondvloed overleefd buiten de ark’-antwoord. Deze antwoorden zijn niet overtuigend. Het ene uiterste is natuurwetenschappelijk niet overtuigend, het andere uiterste is theologisch niet overtuigend. Het probleem blijft staan ongeacht of er nu wel of geen buideldierachtigen in het Midden-Oosten gevonden zijn. De Australidelphia lijken een monofyletische oorsprong te hebben en het, in ieder geval tot 2008, oudste fossiel van de Australidelphia, de Djarthia, wordt gevonden in het Eoceen van Australië (Queensland).6 Op de ICC presenteerde bioloog Todd C. Wood samen met een studente, Thompson, een uitgebreide baraminologische studie naar Tertiaire zoogdieren.7 Bioloog Chad Arment heeft dit jaar in Answers Research Journal een baraminologische studie gepubliceerd over de buideldieren. Maar er moet nog veel meer werk verzet worden. De Anatolische buideldierachtigen worden in deze studies helaas niet eens genoemd. Zoals we in het tweede artikel aangaven blijft het interessant om uit te zoeken waar en wanneer er buideldieren geleefd hebben in het Midden-Oosten en welke migratiepatronen er te ontdekken zijn. Het fossielenarchief van het Midden-Oosten is echter zeer gebrekkig en kent veel gaten, voorlopig zit dát er daarom niet in. De intentie van de auteur was ook niet om het buideldierenprobleem op te lossen, maar de stelling aan te vechten dat er géén buideldieren in het Midden-Oosten zijn gevonden. Daarnaast stellen sommige creationisten de vraag óf we wel in het Midden-Oosten moeten zoeken voor het begin van de buideldierenverspreiding.

De vondsten

In het openingsartikel en mijn eerste reactie richting de sceptici noem ik vier vondsten van mogelijke buideldieren in het Midden-Oosten. Namelijk de Galatiadelphys minor (Herpetotheriidae), Orhaniyeia nauta (Anatoliadelphyidae), Anatoliadelphys maasae (Anatoliadelphyidae), Peratherium indet. (Didelphidae8) en een kaakfragment met twee molaren van een Marsupialia. Waar ik van vroege buideldieren sprak (Marsupialia) had ik beter van buideldierachtigen (Marsupialiformes) kunnen spreken. Had wel in de titel ‘vroege’ buideldieren geschreven om verwarring met de (moderne) Australische buideldieren (Australidelphia) te voorkomen, maar had deze woordkeuze zorgvuldiger moeten kiezen.

Blom haalt een bron aan waaruit blijkt dat de Herpetotheriidae stem groep is maar een sister groep van de Marsupialia. Het lijkt erop dat de naturalisten hier een consensus9 hebben bereikt. We kunnen dus bij de Herpetotheriidae wel spreken over buideldierachtigen (Marsupialiformes) zijn, maar niet over buideldieren (Marsupialia). Omdat creationisten geen baraminologische studies naar deze buideldierachtigen gedaan hebben, kan ik daar momenteel vanuit creationistisch perspectief geen weerwoord op formuleren. Het zou dus kunnen dat de Herpetotheriidae en de Didelphimorphia één holobaramin vormen, maar dit zou ook niet zo kunnen zijn. Een toekomstige baraminologische studie naar deze groepen zal mogelijk voor creationisten uitkomst bieden. Er is nog wel discussie over de plaats van de Herpetotheriidae in de clade Metatheria. Een andere, zeer recente, studie geeft aan dat deze Herpetotheriidae niet tot de groep Didelphimorphia behoorden maar een aparte groep vormden.10 Als dat de uitkomst is van het onderzoek dan heb ik daar geen problemen mee. Het zou overigens kunnen dat, als wij vandaag de dag individuen van deze groep zouden tegenkomen, we ze gewoon buideldieren zouden noemen. Toch kunnen we in deze discussie beter voorzichtiger formuleren en noemen we soorten die tot de Herpetotheriidae behoren daarom buideldierachtigen en geen buideldieren.

Wat we hierboven stelden over de Galatiadelphys minor is ook van toepassing voor de Peratherium indet., een fossiel uit Egypte. In 1984 werd dit soort nog gerekend tot de Didelphidae, daarom had de auteur deze vondst ook een buideldier genoemd.11 Vanuit de twee bovengenoemde artikelen wordt duidelijk dat de Peratherium ingedeeld is bij de Herpetotheriidae en moeten we spreken van een buideldierachtige. Over de twee kaakfragmenten is veel discussie en terecht noemt Blom deze fragmenten daarom dubieus.12

Anatoliadelphyidae

Op de, voor de auteur, belangrijkste vondsten, de Orhaniyeia nauta en de Anatoliadelphys maasae, gaat Blom nauwelijks in. Blom zegt wel en dat terecht dat de oorspronkelijke artikelen deze beesten stem marsupials noemen en dat de auteur daarom beter van buideldierachtigen had kunnen spreken. Hij gaat echter niet in op vervolgstudies rond deze soorten, die zowel de Orhaniyeia als de Anatoliadelphys scharen onder de buideldieren (Marsupialia) en lijkt vooral gefocust te zijn op de Herpetotheriidae.

Een artikel uit 2019 geeft het volgende aan rond deze soorten13:

The phylogenetic affinities of the Uzunçarsidere metatherians are not well resolved. In the phylogenetic analysis accompanying its original description, Anatoliadelphys was identified as a non-marsupial marsupialiform (…) but a later analysis by Carneiro (2018) found it to be a member of Protodidelphidae (a group otherwise known only from South America), within the marsupial order Didelphimorphia. Métais et al. (2018), meanwhile, found both Anatoliadelphys and Orhaniyeia to be closely related to Paleogene bunodont taxa from South America and Australia, namely Chulpasia, Palangania, and Thylocotinga. The uncertainty regarding the affinities of Anatoliadelphys and Orhaniyeia likely reflect highl levels of dental homoplasy in dental features relating to a bunodont dentition (e.g., enlargement of stylar cusps B and D. reduction of molar crests), as discussed at length by Beck et al. (2008a).

Vreemd genoeg haalt Blom dit overzichtsartikel, waar het citaat uit komt, wel aan bij de Herpetotheriidae maar niet bij de bespreking van de Anatoliadelphyidae. Uiteraard is het laatste woord over deze twee soorten nog niet gezegd en we volgende discussie met belangstelling. Het is zeer goed mogelijk dat nieuwe(re) studies dit soort weer buiten de Marsupialia indelen. Wanneer we kijken naar de paper van Carneiro zien we de beschrijving van de vondst van een nieuw buideldier in Zuid-Amerika (Bergqvistherium primigenia). Carneiro schrijft over de relatie tussen dit buideldier en de Anatoliadelphys het volgende:

Following the results, Bergqvistherium is recovered as the sister taxon of Periprotodidelphis +Anatoliadelphys and Guggenheimia, Protodidelphys + Carolocoutoia, as an early-divergent lineage of the Protodidelphidae. (…) The inclusion of the Protodidelphidae among the Didelphimorphia was supported by the analysis of Ladevèze and Muizon (2010), Carneiro and Oliveira (2017a, b) and Carneiro (2018). The phylogenetic analysis support the sister relation between Periprotodidelphis and Anatoliadelphys, recovering a South American ancestral area for the lineage of the last taxon. This result differs from the one of Maga and Beck (2017), who proposed a North American ancestor area for Anatoliadelphys. This result can be considered as preliminary evidence supporting the hypothesis of the Atlantogea, as proposed by Ezcurra and Agnolin (2012).

Voor de plaats van de Anatoliadelphys binnen de Protodidelphidae zie figuur 5 van de bovengenoemde paper.14

De studie van Métais et al. (2018) geeft over de indeling het volgende aan:

Our phylogenetic analyses reconstruct Orhaniyeia and Anatoliadelphys as sister taxa that are closely related to South American and Australian bunodont polydolopimorphian metatherians such as Palangania, Chulpasia and Thylacotinga.

Wanneer we figuur 5 en 6 van de studie van Métais et al. (2018)15 bestuderen, zien we dat de twee bovengenoemde vondsten het meest verwant worden gezien aan de Thylacotinga, Chupasia en de Palangania. Dit is ook te lezen in het citaat hierboven. De paper van Métais et al. verwijst niet naar de paper van Carneiro, dus lijkt onafhankelijk van Carneiro tot min of meer dezelfde indeling te komen.

We hopen dat er in de toekomst meer Anatolische buideldierachtigen gevonden worden. Mogelijk komt er ook nog een reactie op deze indeling van Maga16, hij promoveerde op zijn vondst van de Anatoliadelphys.17 De meest recente indelingen delen daarmee zowel Anatoliadelphys als Orhaniyeia in bij de Marsupialia. Carneiro bij de Protodidelphidae en Métais et al. tekent ze in bij de Paucituberculata. Zowel de grootte als de indeling maken deze buideldierachtigen extra interessant voor de stelling wél of geen buideldieren in het Midden-Oosten en de implicaties daarvan.

Volgens Blom zijn er geen ‘andere gerapporteerde locaties zijn waar Metatheria – laat staan Marsupialia – zijn gevonden’ in het Midden Oosten. Dit klopt niet. In Oman is een melktand gevonden van het genus Qatranitherium18, volgens Hooker et al. (2008) synoniem voor Peratherium. Dezelfde Hooker et al. maken melding van nieuwe vondsten van de Peratherium africanum en noemen Peratherium een ‘herpetotheriid marsupial’.19 In 1994 werden er in de Kartal Formation (Turkije) vier molaren (achterste kiezen) gevonden. De onderzoekers schreven de molaren toe aan een Herpetotheriinae, een buideldierachtige.20

Implicaties

Omdat het fossielenarchief van buideldierachtigen in het Midden-Oosten schaars is, is het niet mogelijk om de paleobiogeografische verspreiding uit te tekenen. Verder hebben creationisten nog nauwelijks iets zinnigs ingebracht over de paleobiogeografische verspreiding van de buideldieren, of andere dieren, na de zondvloed. Dit is voor creationisten echt onontgonnen terrein. Onze onderstaande voorzetten moeten daarom als voorlopig en sterk hypothetisch worden aangemerkt. Te meer daar de auteur van mening is dat er nog geen paleobiogeografische verspreiding van de buideldierachtigen in te tekenen is. Omdat Willem Jan Blom het in zijn artikel beschrijft en de auteur niet als ‘laf’ of ‘wegvluchtend van het eigenlijke probleem’ wil worden aangemerkt hieronder een sterk hypothetische paleobiogeografische verspreiding van de buideldierachtigen, die hoogstwaarschijnlijk na meer studie en vondsten anders verlopen zal zijn dan wij, creationisten, momenteel denken. Blom is erg stellig hoe de verspreiding van de buideldierachtigen gegaan zou moeten zijn in de ogen van creationisten. Hij meent te weten waar de Ararat (en niet zoals in de Schrift gesteld wordt: de bergen van Ararat) gelegen heeft en trekt een lineaire lijn van deze locatie via Iran naar Australië. Dit is veel te kort door de bocht. Als we er al iets zinnigs over kúnnen zeggen, wat in mijn ogen door het beperkte aantal puzzelstukjes en onze beperkte kennis nauwelijks tot niet mogelijk is, dan is de verspreiding binnen de huidige creationistische modellen hoogstwaarschijnlijk niet zo gegaan. Daarnaast houdt Blom met deze lineaire lijn op geen enkele wijze rekening met de complexe geologie van het Midden-Oosten en met de theorie van plaattektoniek. Mijn inhoudelijke repliek en voorzichtige aanzetten tot een paleobiogeografische verspreiding van de buideldierachtigen volgt hieronder. Hierbij ga ik ervan uit dat de Australidelphia hetzelfde verspreidingspatroon heeft laten zien als de andere buideldierachtigen. Dat dit niet zo hoeft te zijn is evident, maar onwaarschijnlijk is deze gedachte niet. Helaas zijn er, in ieder geval tot 2008, nog geen Australidelphia buiten Australië gevonden. Het onderstaande is dus sterk hypothetisch, voorlopig en hoogstwaarschijnlijk is de verspreiding van de buideldierachtigen niet zo verlopen. Daarbij teken ik, met behulp van Paleobiology Database, die geen rekening houdt met de hierboven beschreven discussie en alle soorten gewoon onder Marsupialia schaart, een lijn van verspreiding.21 De auteur is daarnaast van mening dat het té vroeg is om te kiezen voor zondvloedmodel X of Y en hanteert zelf qua geologie een meer Cuveriaanse manier van denken.22 Namelijk dat er wél catastrofen aan te wijzen zijn, maar dat we (nog) niet kunnen komen tot een geologische allesomvattend zondvloedmodel. Daarvoor is onze kennis te beperkt, zijn de puzzelstukjes te weinig en worden de puzzelstukjes die er zijn vaak vanuit naturalistisch perspectief beschreven. Over de ligging van de bergen van Ararat is óók veel discussie onder creationisten. Sommigen neigen naar de huidige Ararat, anderen noemen, net als Willem Jan Blom, Mount Judi en weer anderen plaatsen de bergen van Ararat zelfs in Afrika. De auteur zelf heeft daar nog geen duidelijk standpunt over ingenomen. De lokalisering van de bergen van Ararat heeft invloed op de getekende verspreiding van diersoorten. We moeten, mogen en kunnen dus niet te stellig zijn over de getekende lijnen, vervolgonderzoek is absoluut noodzakelijk en zelfs zeer wenselijk.

Kangoeroes

Jan Rein de Wit geeft aan dat het wel mogelijk is dat kangoeroes wel in het Midden-Oosten geleefd hebben, maar niet gefossiliseerd zijn. Blom stelt terecht dat verwanten van buideldieren wel gefossiliseerd zijn. Dit maakt het aannemelijk dat dit ook voor de buideldieren mogelijk zou moeten zijn. Ook stelt hij terecht dat de sedimenten van ná het Perm, volgens het zondvloedmodel dat Jan Rein de Wit hanteert, buideldieren moeten kunnen bevatten. Hij geeft ook de voorzichtige en voorlopige werkhypothese van de auteur weer dat ten minste de Kenozoïsche sedimenten van ná de zondvloed zijn en dat het dus binnen die werkhypothese mogelijk is dat de Kenozoïsche sedimenten in het Midden-Oosten fossiele kangoeroes kunnen bevatten. Willem Jan Blom trekt daaruit een conclusie die niet volgt uit het antwoord van De Wit noch uit de (on)mogelijkheid van het fossiliseren van de buideldierachtigen in het Midden-Oosten. Jan Rein de Wit heeft namelijk niet gezegd dat kangoeroes niet gefossiliseerd kunnen zijn, maar dat ze kennelijk niet gefossiliseerd zijn. Dat is waar, omdat er (nog) geen fossiele kangoeroes buiten Australië gevonden zijn. De Wit heeft daarnaast niet alleen gezegd dat kangoeroes niet gefossiliseerd zijn, maar ook een tweede optie gegeven, namelijk dat de fossielen van kangoeroes in het Midden-Oosten mogelijk nog niet gevonden zijn. Voorlopig kunnen creationisten prima uitgaan van de tweede optie. Een snelle zoektocht door Paleobiology Database laat zien dat niet alleen fossielen van de clade Metatheria schaars zijn, maar dat fossielen uit de klasse Mammalia in het algemeen erg schaars zijn in het Midden-Oosten. Paleobiology Database geeft slechts één locatie met zoogdierachtigen uit het Jura (Turkije), enkele locaties uit het Krijt (Turkije, Jordanië, Egypte en Irak), geen enkele locatie in het Paleoceen, enkele locaties uit het Eoceen (Egypte, Turkije en Jordanië) en heel weinig locaties uit het Oligoceen (Egypte, Saoedi-Arabië en Oman). Vergeleken met bijvoorbeeld Europa, Noord-Amerika en China is het droevig gesteld met de zoogdierachtigen in het Midden-Oosten. In zijn zoektocht naar het aantal baramins die aan boord waren van de ark, geeft de paleontoloog dr. Kurt Wise aan dat de incompleetheid van het fossielenarchief één van de redenen is om voorzichtig te zijn stellige claims te maken over het aantal baramins in de ark en dus ook voor de paleobiogeografische verspreiding van de diersoorten ná de zondvloed.23 Het kan uiteraard ook zijn dat kangoeroes gewoon niet gefossiliseerd zijn, terwijl andere buideldierachtigen wel gefossiliseerd zijn. Alle gefossiliseerde beesten staan niet in verhouding tot alle dieren die ooit geleefd hebben. We moeten dus voorzichtig zijn om stellige conclusies te trekken uit wat we wél en wat we daarmee dus ook niet aan fossielen hebben. De recente vondsten die wijzen op de aanwezigheid van grotere buideldierachtigen, die op grond van de meest recente studies zelfs gerekend worden tot de buideldieren, geven wel hoop voor de toekomst.

Baramins

Blom reageert dat de gevonden soorten geen oplossing zijn voor de Australische buideldieren (Australidelphia). DIt is juist, zoals de auteur ook in het begin van dit artikel heeft aangegeven. De gevonden buideldierachtigen zijn wel reden om optimistisch te blijven en verder te zoeken. Er is geen enkele studie gedaan door creationisten hoe deze vondsten uit het Midden-Oosten creationistisch ingedeeld moeten worden. De baraminologisches studie van Arment en die van Thompson en Wood nemen ze niet eens mee. Verder staat de creationistische indeling van buideldieren in het algemeen nog in de kinderschoenen. Daarom kunnen we daarover niet zoveel zinnigs zeggen. We hopen dat onze medecreationisten zich hier in de (nabije) toekomst over zullen buigen.

Lineaire verspreiding

Willem Jan Blom stelt een lineaire verspreiding van de buideldierachtigen voor, vanaf zijn keuze voor de (bergen van) Ararat richting Australië. Dit is te kort door de bocht. Het doet geen recht aan de huidige vondsten van buideldierachtigen wereldwijd, geen recht aan de complexe geologie van het Midden-Oosten én geen recht aan de theorie van de plaattektoniek. Verder is een verspreiding van diersoorten nooit lineair, maar vormt het eerder een olievlekkenpatroon. Wanneer je rekening houdt met deze hierboven genoemde bezwaren, behalve die van de complexe geologie van het Midden-Oosten, dan is er mogelijk een voorzichtig patroon te tekenen. Omdat de vondsten schaars zijn en het creationistische onderzoek naar de bestaande vondsten minimaal is, kunnen en mogen we daar niet té stellig over zijn.

Hoogstwaarschijnlijk zal dit patroon in de toekomst anders worden doordat, wanneer er meer buideldierachtigen gevonden worden, er andere patronen ontstaan. Als route 1 (oranje) klopt dan zullen er in de toekomst (nog) meer buideldierachtigen gevonden worden in Europa, Noord-Amerika, Zuid-Amerika én Antarctica. Als route 2 (groen) klopt dan zullen er meer buideldierachtigen gevonden worden in de voormalige Sovjetunie, China en het Indonesische archipel. Daarvoor zal echter nog veel werk verricht moeten worden, want momenteel zijn fossielen van buideldierachtigen op die locaties nogal schaars. Rekening houdend met de standaard theorie van de plaattektoniek, liggen de continenten in het Jura (dan worden de eerste buideldierachtigen gevonden) dicht genoeg elkaar voor route 1. Dat geldt ook voor het Krijt. In het Paleogeen liggen Antarctica en Australië nog redelijk dicht bij elkaar, maar daarna wordt de afstand groter. Wanneer gekozen wordt voor het K/Pg-zondvloedmodel moet de verspreiding van de buideldieren vrij snel zijn gegaan. Na een warme periode van het Paleoceen en het Eoceen begint vanaf het Oligoceen de ijskapopbouw van Antarctica. Het wordt dan kouder (mogelijk zelfs té koud) voor verspreiding van buideldieren. Nog een reden is dat gedurende het Oligoceen Antarctica zich losmaakt van Zuid-Amerika en langzaam de huidige plaats opzoekt. In het Laat-Eoceen/Vroeg-Oligoceen breekt ook Australië los van Antarctica. Deze afsplitsingen zorgen ervoor dat Antarctica thermisch geïsoleerd raakt, de bekende Antarctic Circumpolar Current ontstaat en er sinds het Oligoceen ijskapopbouw plaatsvindt. Vanaf het Mioceen wordt de afstand tussen Antarctica en Australië te groot om die nog fatsoenlijk te kunnen overbruggen en wordt de optie over route 2 veel waarschijnlijker. Daarnaast liggen er dan (een begin van een) ijskap op Antarctica en is dit continent te koud voor buideldierachtigen. Voor zondvloedmodellen die de zondvloedgrens boven het Mioceen leggen is slechts één optie aannemelijk, namelijk (een variant op) route 2. Route 1 lijkt meer in overeenstemming te zijn met de huidige paleontologische data. Wanneer we voor route 1 kiezen dan moet de verspreiding van de buideldieren in het geval van het K/Pg-zondvloedmodel in het Paleoceen en het Eoceen hebben plaatsgevonden24, of in het geval van het rekolonisatiemodel in het Perm tot en met het Eoceen. Willen we dit bevestigd zien moeten we naar de Antarctische aardlagen van het Perm, Trias, Jura, Krijt, Paleoceen en het Eoceen25, dat zal voor het grootste gedeelte van Antarctica niet meevallen voor de onderzoekers.

Conclusie

Willem Jan Blom heeft, met behulp van literatuur overtuigend aangetoond dat sommige, door de auteur genoemde, buideldierachtigen niet tot de Marsupialia behoren, maar geschaard moeten worden onder de zustergroep Herpetotheriidae. Blom heeft nauwelijks gereageerd op de Anatolische buideldierachtigen (Anatoliadelphyidae) en geen rekening gehouden met de nieuwste literatuur rond indeling van deze soorten. Dat is een gemis, want deze buideldierachtigen waren voor de auteur de belangrijkste vondsten van buideldierachtigen in het Midden-Oosten. Blom heeft geen rekening gehouden met de zin van Jan Rein de Wit, dat kangoeroes ‘gewoon nog niet gevonden zijn’. Dit is een redelijke optie omdat veel sedimentair gesteente in het Midden-Oosten nog niet ontgonnen is. Creationisten hebben zich helaas nauwelijks met de geologie van het Midden-Oosten beziggehouden. Blom schetst een té eenvoudig beeld van de mogelijke verspreiding van buideldierachtigen vanuit het Midden-Oosten en houdt geen rekening met de geologie en paleontologie in het algemeen en de theorie van plaattektoniek in het bijzonder. We kunnen in het geval van Blom daarom niet spreken van een paleobiogeografische verspreiding van de buideldieren. De verspreiding van de buideldierachtigen is niet lineair verlopen maar als een olievlek. Er zijn binnen de creationistische modellen twee opties: (1) via Europa, Noord-Amerika, Zuid-Amerika, Antarctica naar Australië, of (2) via Europa, Azië, Zuidoost Azië naar Australië. Ziende op de paleontologische gegevens lijkt de eerste optie de voorkeur te hebben. De toekomst zal leren welk zondvloedmodel het beste past bij de paleobiogeografische verspreiding van de buideldierachtigen. Wanneer alle Mesozoïsche buideldieren niet tot de Marsupialia behoren dan is een keuze voor een K/Pg-zondvloedmodel als kader voor de een verspreiding van buideldierachtigen vanuit het Midden-Oosten mogelijk. Dit strijdt overigens ook niet met een rekolonisatiemodel. Wanneer de Noord-Amerikaanse Mesozoïsche buideldierachtigen de vooroudersoorten zijn van de Paleogene buideldierachtigen, dan ligt ziende op de paleobiogeografische verspreiding van deze buideldierachtigen een keuze voor het rekolonisatiemodel voor de hand. Je zou daarop ziende de bergen van Ararat dan haast in Noord-Amerika plaatsen. In ieder geval lijken de Mesozoïsche en Paleogene locaties in Noord-Amerika, Europa en Azië, maar ook die van Zuid-Amerika en Antarctica, een grote rol te spelen bij het zoeken naar een antwoord op de vraag hoe de paleobiogeografische verspreiding van de buideldierachtigen is verlopen. De komende maanden zal de auteur een verdere zoektocht naar antwoorden op deze vragen laten rusten, er zijn andere zaken die de aandacht vragen zoals de voorbereidingen voor de geologiereis naar Hongarije.26 In het voorjaar van 202127, bij leven en welzijn, publiceren we een neutraal en beschrijvend overzicht van de gevonden fossielen van de clade Metatheria in het Midden Oosten. Mogelijk zijn er dan weer nieuwe vondsten bekend. Wanneer er in tussentijd nieuwe inhoudelijke reacties gegeven zijn op dit artikel zullen die op zijn vroegst ook in het voorjaar besproken en zonnodig weersproken worden.

Literatuur

  • Arment, C., 2020, To the Ark, and Back Again? Using the Marsupial Fossil Record to Investigate the Post-Flood Boundary, Answers Research Journal 13: 1-22.
  • Beck, R.M.D., Godthelp, H., Weisbecker, V., Archer, M., Hand, S.J., 2008, Australia’s Oldest Marsupial Fossils and their Biogeographical Implications, PLoS One 3 (3): 1-8.
  • Carneiro, L.M., 2018, A new protodidelhid (Mammalia, Marsupialia, Didelphimorphia) from the Itaborai Basin and its implications for the evolution of the Protodidelphidae, Anais da Academia Brasileira de Ciências 91 (2): 1-13.
  • Eldridge, M.D.B., Beck, R.M.D., Croft, D.A., Travouillon, K.J., Fox, B.J., 2019, An emerging consensus in the evolution, phylogeny, and systematics of marsupials and their fossil relatives (Metatheria), Journal of Mammology 100 (3): 802-837.
  • Gelfo, J.N., Mors, T., Lorente, M., Lopez, G.M., Reguero, M., 2015, The oldest mammals from Antarctica, early Eocene of the La Meseta Formation, Seymour Island, Palaeontology 58 (1): 101-110.
  • Godthelp, H., Wroe, S., Archer, M., 1999, A New Marsupial from the Early Eocene Tingamarra Local Fauna of Morgon, Southeastern Queensland: A Prototypical Australian Marsupial?, Journal of Mammalian Evolution 6 (3): 289-313.
  • Goin, F.J., Case, J.A., Woodburne, M.O., Vizcaíno, S.F., Reguero, M.A., 1999, New Discoveries of “Opposum-Like” Marsupials from Antarctica (Seymour Island, Medial Eocene), Journal of Mammalian Evolution 6 (4): 35-365.
  • Hooker, J.J., Sánchez-Villagra, M.R., Goin, F.J., Simons, E.L., Attia, Y., Seiffert, E.R., 2008, The origin of Afro-Arabian ‘Didelphimorph’ marsupials, Palaeontology 51 (3): 635-648.
  • Kappelman, J., Maas, M.C., Sen, S., Alpagut, B., Fortelius, M., Lunkka, J.P., 1996, A new early Tertiary mammalian fauna from Turkey and its paleobiogeographic significance, Journal of Vertebrate Paleontology 16 (3): 592-595.
  • Ladevèze, S., Selva, C., Muizon, C. de., 2020, What are “opossum-like” fossils? The phylogeny of herpetotheriid and peradecid metatherians, based on new features from the petrosal anatomy, Journal of Systematic Palaeontology 18 (17): 1463-1479.
  • Maga, A.M., 2008, Systematic Paleontological Investigation of the Metatherian Fauna from the Paleogene Uzunçarsidere Formation, Central Turkey, dissertation presented to the Faculty of the Graduate School of the University of Texas at Austin.
  • Maga, A.M., Beck, R.M.D., 2017, Skeleton of an unusual cat-sized marsupial relative (Metatheria: Marsupialiformes) from the middle Eocene (Lutetian: 44-43 million years ago) of Turkey, PLoS One 12 (8): 1-74.
  • Métais, G., Coster, P.M., Kappelman, J.R., Licht, A., Ocakoglu, F., Taylor, M.H., Beard, C., 2018, Eocene metatherians from Anatolia illuminate the assembly of an island fauna during Deep Time, PLoS One 13 (11): 1-20.
  • Nilsson, M.A., Churakov, G., Sommer, M., Tran, N.V., Zemann, A., Brosius, J., Schmitz, J., 2010, Tracking Marsupial Evolution Using Archaic Genomic Retroposon Insertions, Plos Biology 8 (7): 1-9.
  • Sánchez-Villagra, M.R., Seiffert, E.R., Martin, T., Simons, E.L., Gunnell, G.F., 2007, Enigmatic new mammals from the late Eocene of Egypt, Paläontologische Zeitschrift 81 (4): 406-415.
  • Simons, E.L., Brown, T.M., 1984, A new species of Peratherium (Didelphidae; Polyprotodonta): the first African marsupial, Journal of Mammology 65 (4): 539-548.
  • Thomas, H., Roger, J., Sen, S., Bourdillon-De Grissac, C., Al-Sulaimani, Z., 1989, Découverte de vertébrés fossiles dans l’Oligocène inférieur du Dhofar (Sultanat D’Oman), Geobios 22 (1): 101-120.
  • Thompson, C., Wood, T.C., 2018, A survey of Cenozoic mammal baramins, in: Whitmore, J.H., (Ed.), Proceedings of the Eighth International Conference on Creationism (Pittsburgh: Creation Science Fellowship), blz. 217-221.
  • Wise, K.P., 2009, Mammal Kinds: How Many Were on the Ark?, in: Wood, T.C., Garner, P.A., (Eds.), Genesis Kinds: Creationism and the Origin of Species (Eugene: Wipf & Stock).
  • Wit, J.R. de, 2017, Hoe overleefden kangoeroes de zondvloed?, Weet 47: 48.

Voetnoten

Fossiele buideldieren uit het Midden-Oosten en de reacties daarop

Gisteren (14 april 2020) schreef ik een artikel over de (vroege) buideldieren in het Midden-Oosten.1 Daar heb ik wat commentaar op gekregen via de e-mail en op de Facebookpagina van Logos Instituut. In het hierboven genoemde artikel reageerde ik op een stelling van een scepticus. In deze stelling gaf de scepticus aan dat er geen fossielen van buideldieren in het Midden-Oosten zijn gevonden. Deze stelling was op de Facebookpagina van Logos Instituut uitgeschreven als reactie op een artikel van de voormalig hoofdredacteur van Weet Magazine, Jan Rein de Wit2, die later ook op de website van Logos Instituut is verschenen.3 Hieronder wil ik kort recht doen aan de reacties, vooral aan die van de scepticus. Reacties die daarna op het onderwerp ‘buideldieren in het Midden-Oosten’ gegeven worden zal ik voorlopig parkeren.4

Iemand mailde mij dat de buideldieren een probleem of in ieder geval een uitdaging vormen voor jonge aarde creationisten. Het zou dan vooral, maar niet alleen, gaan om de Oceanische buideldieren. Daar ben ik het helemaal mee eens. Creationisten hebben vooralsnog geen goede oplossingen voor de evolutie en de migratie van deze buideldieren.5 Overigens wil dit niet zeggen dat creationisten het onderwerp uit de weg (zouden moeten) gaan, integendeel, vorige week verscheen er nog een uitgebreide paper in Answers Research Journal dat juist gaat over dit probleem.6 Een complete allesomvattende bespreking van de evolutie en de verspreiding van de buideldieren was echter niet het primaire doel van de beantwoording van de stelling van de scepticus. Het doel was om de stelling van de scepticus serieus te nemen en daar op te reageren. Over de evolutie en verspreiding van de buideldieren zouden we artikelen vol kunnen schrijven en ons hele leven daaraan kunnen wijden. Laten we het voor nu houden bij het artikel over ‘(vroege) buideldieren in het Midden-Oosten’. Het is goed om in het onderstaande de reacties na te lopen. Daarin zien we dat zowel de sceptici als de medestanders het met de conclusie van het artikel eens zijn: er worden fossiele buideldieren gevonden in het Midden-Oosten. Daarmee is het doel van het artikel bereikt, namelijk te laten zien dat er buideldieren gevonden worden in het Midden-Oosten. De vervolgvraag van de scepticus blijft interessant en dient nader onderzocht en uitgewerkt te worden: “Er waren blijkbaar ooit buideldieren in het Midden-Oosten, wat betekent dit dan voor het creationisme?” Hier dient een diepgravende studie naar gedaan te worden. Ik hoop dat creationisten deze handschoen oppakken.

Dankwoord

Vrij snel nadat het artikel gepubliceerd was verscheen er een reactie van de scepticus. Hij schreef:

Volgens mij gaat het om een van mijn reacties. Bedankt om het uit te zoeken, blijkbaar had ik het mis. Ik ben het eens met de conclusie van dit artikel: “Het is zeker interessant om uit te zoeken waar en wanneer er buideldieren geleefd hebben in het Midden-Oosten en welke migratiepatronen er te ontdekken zijn.

Het siert de scepticus dat hij aangeeft hier een vergissing te hebben gemaakt. Er zijn wel degelijk fossiele buideldieren in het Midden-Oosten gevonden. Volgens een andere scepticus kan deze scepticus geen erratum plaatsen en zo zouden de lezers van de website van Logos Instituut geen weet hebben van de hierboven gequoteerde tekst. Dit is nu weerlegd door deze publicatie.

Quote

De scepticus meende dat de door mij in het vorige artikel geciteerde reactie slechts een klein deel van de hele reactie was. Hieronder citeer ik de complete reactie:

“Het grappige is natuurlijk dat fossielen van buideldieren overal gevonden zijn (Europa, Noord-Amerika, Zuid-Amerika, Australië en zelfs Antarctica) behalve in het Midden-Oosten! Maar dat “vergeet” Logos weer te vermelden…

De evolutie van buideldieren is trouwens goed gekend.
https://en.wikipedia.org/wiki/Marsupial#Evolutionary_history.”

Volgens de scepticus zou zijn ”opmerking over fossiele buideldieren (…) slechts een detail” zijn “in een langere reactie.” Dit is niet het geval. In mijn artikel heb ik op het bovenste gedeelte van de reactie van de scepticus gereageerd. Dat had een reden: het gaat in het onderste gedeelte van de reactie om een ander onderwerp. Het gaat in dit onderdeel niet meer over de verspreiding van de buideldieren, maar over de evolutionaire geschiedenis van deze beesten. Dat is de reden dat ik het niet meegenomen heb in mijn artikel. De bedoeling van deze ‘rubriek’ ‘Antwoorden voor welwillende sceptici, critici en waarheidszoekers’ is om één argument, stelling of vraag per (sub)onderwerp te bespreken. De quote in het vorige artikel is niet slechts een detail uit veel langere reactie. Het is één van de twee stellingen in een korte reactie.

Ongelijk aantonen en karaktermoord plegen

De scepticus geeft in een vervolgstelling het volgende aan: “Het lijkt alsof jullie gewoon het ongelijk van de scepticus (ik dus) willen aantonen.” Mijn primaire doel was niet om het ongelijk van de scepticus aan te tonen, maar om de stelling van de scepticus serieus te nemen, deze te onderzoeken en daarop te reageren met contra-data. Daarnaast geeft de scepticus aan dat ik met dit artikel “vooral geïnteresseerd ben in het punten scoren bij de achterban in plaats van een constructieve discussie [te] houden.” Dit is niet het geval, in deze rubriek wil ik zoals hierboven gezegd, samen met anderen, de argumenten van sceptici, critici en waarheidszoekers serieus nemen, daarop herkauwen en daar mijn mening over geven. De scepticus gaat verder: “Als het alleen om de discussie ging, dan had hij op mijn originele opmerking kunnen reageren. Een heel artikel schrijven over een detail is wat te veel.” Hierboven heb ik de complete tekst geciteerd en aangegeven waarom ik de tekst in tweeën heb gedeeld. De eerste gaat over de verspreiding van de (fossiele) buideldieren over de wereld. De tweede gaat over de evolutie van de buideldieren. Dat zijn twee verschillende onderwerpen. Waar het mij primair om te doen is dat is hierboven te lezen. Secundair is het zo dat wij het argument van ‘geen fossiele buideldieren in het Midden-Oosten’ vaker voorgeschoteld krijgen. Dat is door het schrijven van deze publicatie van de baan.

Een andere scepticus gaat er met gestrekt been in. Mijn doel zou volgens hem zijn om een karaktermoord te plegen. Mijn truc zou daarbij zijn dat ik een fout compleet uit zou melken ten overstaan van de achterban. Ik zou daarnaast “gluiperig” gereageerd hebben. Deze verdachtmakingen zijn zoals ik hierboven heb aangegeven niet correct, ze vallen daarnaast onder de categorie drogredenen (ad hominem). Mijn doel met het artikel was niet om een karaktermoord te plegen, anders zou ik de scepticus met naam en toenaam aan de schandpaal genageld hebben. In alle eerlijkheid is zelfs het tegendeel waar, al heeft de scepticus een andere mening dan ik, ik ken hem al langer dan vandaag en zie hem als een sympathiek persoon en geniet veelal van zijn bijdragen aan het wetenschappelijk debat. Maar al zou de persoon in kwestie niet sympathiek zijn dan nog mag en wil ik hem niet aan de schandpaal nagelen en karaktermoord plegen (Lukas 6: 27-287). Omdat Facebook in onze ogen een niet-publiek medium is, noemen we geen namen. Dat heeft voordelen. We kunnen ons dan meer focussen op het argument, de stelling of de vraag. Ook de scepticus die de oorspronkelijke stelling schreef wijst de verdachtmaking van de andere scepticus van de hand. Helaas gaat ook een medestander van ons mee in verdachtmakingen van de opponent. De besproken stelling zou één “van die domme vragen van evolutionisten” zijn. Domme vragen bestaan niet en we dienen onze vermeende tegenstanders met respect te behandelen en serieus te nemen.8

Wikipedia

Nog weer een andere scepticus geeft aan dat “het wikipedia [sic] verhaal over de evolutionaire geschiedenis van de buideldieren (…) het midden-oosten [sic] niet” vermeld. De reden is volgens deze scepticus “waarschijnlijk omdat de meeste soorten elders gevonden zijn: het lijstje wat ‘een scepticus’ gaf.” En verder: “Dat wikipedia [sic] het midden-oosten [sic] niet noemde betekent inderdaad niet automatisch dat er niet ook een paar in het midden-oosten [sic] gevonden zijn – inderdaad wel dus – maar ze vonden dat niet belangrijk genoeg, blijkbaar, gezien de veel grotere aantallen elders.

Het is mooi dat deze scepticus met mij instemt dat er fossiele buideldieren gevonden zijn in het Midden-Oosten. Deze scepticus probeert het voor de vrije encyclopedie Wikipedia op te nemen. Dat er elders veel grotere aantallen gevonden zijn, kan echter nooit een reden zijn om deze fossiele buideldieren niet in een lijstje van buideldieren over de hele wereld op te nemen. Het lijkt mij dat een lijstje van buideldieren minimaal alle gebieden moet bevatten waar buideldieren worden gevonden. Overigens, Wikipedia maakt elders wel melding van de in Turkije gevonden soorten die ik kort noemde in het vorige artikel.9 De ene auteur op Wikipedia weet dus van het bestaan van deze fossielen, terwijl de andere auteur dat wellicht niet weet of het vergeten is op te nemen. Verder is mijn advies om altijd de Wikipedia-informatie te checken voordat deze ‘in stelling’ wordt gebracht. Dat is in dit geval kennelijk niet gebeurd. Wanneer Wikipedia op haar pagina geen melding maakt van de in het Midden-Oosten gevonden fossielen gaat deze vrije encyclopedie net zo de mist in als de in het vorige artikel besproken stelling.

Conclusie

Er is veel geschreven hierboven. Het was mij niet te doen om ‘punten te scoren’ of een ‘karaktermoord te plegen’. Ik heb slechts enkele argumenten tegen een stelling ingebracht. Inhoudelijk zijn de sceptici het daarmee eens: er zijn wel degelijk fossiele buideldieren gevonden in het Midden-Oosten. Dat was het punt, niets meer en niets minder.

Literatuur

  • Arment, C., 2020, To the Ark, and Back Again? Using the Marsupial Fossil Record to Investigate the Post-Flood Boundary, Answers Research Journal 13: 1-22.
  • De Bijbel, Lukas.
  • Wit, J.R. de, 2017, Hoe overleefden kangoeroes de zondvloed?, Weet 47: 48.

Zie voor hier het oorspronkelijke artikel waar op gereageerd werd.

Voetnoten

Zijn er geen (vroege) buideldieren gevonden in het Midden-Oosten?

In 2017 beantwoordde de voormalig hoofdredacteur van Weet Magazine, Jan Rein de Wit, een vraag over hoe de kangoeroes de zondvloed overleefden.1 Dit artikel verscheen vorige maand (mei 2020) ook op de website van Logos Instituut.2 Als reactie gaf een scepticus aan dat de auteur3 vergeet te vermelden “dat fossielen van buideldieren overal gevonden zijn (Europa, Noord-Amerika, Zuid-Amerika, Australië en zelfs Antarctica) behalve in het Midden-Oosten!”.4 Ging het Jan Rein de Wit nog om de kangoeroes5, de scepticus meent zelfs dat er helemaal geen buideldieren gevonden zijn in het Midden-Oosten. Hieronder beantwoorden we de scepticus. Er zijn wel degelijk buideldieren in het Midden-Oosten gevonden.6 Hieronder enkele beesten die tot de clade Metatheria behoren waartoe ook buideldieren en uitgestorven soorten (daarvan) behoren.7

In 2018 werden in het tijdschrift PLoS ONE twee nieuwe soorten beschreven. Deze soorten die behoren tot de Metatheria werden gevonden op de Anatolische Hoogvlakte in de Lülük Member van de Uzunçarşıdere Formation. Volgens de onderzoekers was de flora en fauna in het midden-Eoceen onderdeel van een voormalig eiland aan de noordelijke rand van de Neo-Tethys oceaan. De soorten werden beschreven als Galatiadelphys minor (Herpetotheriidae, waar volgens sommige onderzoekers ook de opossums toe behoren) en Orhaniyeia nauta (een kleine carnivoor).8

In 2017 werd er in het tijdschrift PLoS ONE een bijna-compleet skelet van een Metatherium beschreven. Het betrof een carnivoor ter grootte van een huiskat. Deze soort werd in dezelfde formatie gevonden als de beesten die hierboven worden genoemd. Het beestje kreeg de naam Anatoliadelphys maasae.9 Het beest werd overigens al eerder beschreven in het proefschrift van de onderzoeker uit 2008.10

In 1984 werd in het Journal of Mammology een Afrikaans buideldier beschreven. Dit beest werd gevonden in de in noord-Egypte gelegen Oligocene11 Jebel Qatrani Formation. Het gaat hier om het soort uit het genus Peratherium, waarvan er ook soorten gevonden worden in België en Frankrijk.12 In 2007 werd een nieuw soort beschreven uit dezelfde formatie in Egypte, het soort kreeg de naam Ghamidtherium dimaiensis. Het is niet helemaal duidelijk of dit soort behoorde tot de Didelphimorphia, volgens de onderzoekers is dat het meest waarschijnlijk.13

Er zijn meer vondsten te vermelden. Het is zeker interessant om uit te zoeken waar en wanneer er buideldieren geleefd hebben in het Midden-Oosten en welke migratiepatronen er te ontdekken zijn, maar voor nu volstaan de bovenstaande voorbeelden. De scepticus heeft ongelijk, er zijn wel degelijk (vroege) buideldieren gevonden in het Midden-Oosten.

Literatuur

  • Arment, C., 2020, To the Ark, and Back Again? Using the Marsupial Fossil Record to Investigate the Post-Flood Boundary, Answers Research Journal 13: 1-22.
  • Maga, A.M., 2008, Systematic Paleontological Investigation of the Metatherian Fauna from the Paleogene Uzunçarşıdere Formation, Central Turkey, dissertation presented to the Faculty of the Graduate School of the University of Texas at Austin.
  • Maga, A.M., Beck, R.M.D., 2017, Skeleton of an unusual, cat-sized marsupial relative (Metatheria: Marsupialiformes) from the middle Eocene (Lutetian: 44-43 million years ago) of Turkey, PLoS ONE 12 (8): e0181712.
  • Métais, G., Coster, P.M., Kappelman, J.R., Licht, A., Ocakoglu, F., Taylor, M.H. Beard, K.C., 2018, Eocene Metatherians from Anatolia illuminate the assembly of an island fauna during Deep Time, PLoS ONE 13 (11): e0206181.
  • Sánchez-Villagra, M.R., Seiffert, E.R., Martin, T., Simons, E.L., Gunnell, G.F., Attia, Y., 2007, Enigmatic new mammals from the late Eocene of Egypt, Paläontologische Zeitschrift 81 (4): 406-415.
  • Simons, E.L., Bown, T.M., 1984, A new species of Peratherium (Didelphidae; Polyprotodonta): the first African marsupial, Journal of Mammology 65 (4): 539-548.
  • Wit, J.R. de, 2017, Hoe overleefden kangoeroes de zondvloed?, Weet 47: 48.

Voetnoten

‘The Paris Basin and the rapid radiation of mammals in the Tertiary’ – Wort und Wissen pakt uit met een geofachtagung over het Bekken van Parijs in Reims (Frankrijk)

De geologie van het Tertiair (onderdeel van het Kenozoïcum) is bij belijders van het klassieke scheppingsgeloof een ondergeschoven kindje. Vaak gaat de aandacht uit naar het Paleozoïcum (als zondvloedafzettingen) of het Mesozoïcum (de aardlagen waarin dinosauriërs gevonden worden). De episodes van het Tertiair (Paleoceen, Eoceen, Oligoceen, Mioceen en Plioceen) zijn toch wel wat onbekender onder creationisten, zeker als het gaat om geologisch onderzoek. Het is daarom verheugend dat er door Wort und Wissen een Engelstalige geofachtagung wordt georganiseerd met aandacht voor de Tertiaire sedimenten van het Bekken van Parijs. Deze studiedag hoopt plaats te vinden in Reims (Noord-Frankrijk), van woensdag 11 september 2024 D.V. tot en met zondag 15 september 2024 D.V. Mogelijk kunnen de scribenten de bijdragen op deze conferentie, na afloop bundelen in een (reviewed) boek over het Bekken van Parijs. In ieder geval wordt deze conferentie van harte aanbevolen!1

Inhoudelijk

Voor het congres zijn een achttal sprekers uitgenodigd. Zij spreken over geologische, paleontologische en biologische onderwerpen. Het mooie aan deze conferentie is dat er interdisciplinair wordt gewerkt. Er wordt gekeken naar snelle geologie, snelle radiatie van met name Tertiaire zoogdieren, maar ook naar de genetische mogelijkheden om te komen tot deze snelle radiatie. Donderdag staat er een veldexcursie gepland naar de Regio van Reims. Het programma vat de locaties als volgt samen: “Reims Mountains geological nature trail, Pourcy: fossil beach with palm trees, Witness Mound of Laon, Museum The Cave aux Coquillages with marine fossils.” Vrijdagmorgen wordt het natuurhistorisch museum van Parijs bezocht. In de avond wordt een korte presentatie over Wort und Wissen gegeven en introduceert de Nederlandse bioloog en geoloog drs. Tom Zoutewelle het thema onder de titel ‘Introduction to the sediments and fossils of the Paris Basin, Tertiary’ Zaterdag vormt het hoofdonderdeel van deze conferentie. Na het ontbijt spreekt de Britse geoloog Paul Garner (MSc.) over ‘The continuation of the Paris Basin in Great Britain’. De lezing van de Franse geoloog Guy Gerard heeft als titel ‘Paleo landscapes of the Paris Basin’. Na de Lunch spreekt de Nederlandse geochemicus dr. Renata van der Weijden over ‘Reconstruction of the Tertiary paleoclimate by stable isotopes’ en de Duitse bioloog en theoloog dr. Reinhard Junker over ‘Basic type biology – how created programs enable diversity’ Na de koffiepauze in de middag spreken de Amerikaanse paleontoloog dr. Marcus R. Ross, de Duitse (Nederlandstalige) moleculaire bioloog dr. Peter Borger en de Zwitserse geneticus dr. André Eggen. De laatstgenoemde wetenschappers vormen een duo. Ross spreekt over ‘Rapid radiation of mammals in the Tertiary from a paleontological point of view’.2 De lezing van Borger en Eggen draagt de titel ‘Rapid radiation of mammals in the Tertiary in the light of genomics’. Deze lezing wordt in tweeën gedeeld. Op zondag wordt er een dienst gehouden en daarna is er een ‘geoforum’. Na de lunch vertrekken de mensen en is de geologiefachtagung van 2024 afgelopen.

Praktische informatie

Deze Fachtagung is de 36e conferentie aardwetenschappen van Wort und Wissen. Naast een congres wordt er ook een tweedaagse excursie georganiseerd naar geologische locaties in het Bekken van Parijs. Naast veldexcursies zullen er ook musea bezocht worden. De lezingen zullen in het Engels gegeven worden, met een Duitse vertaling. De conferentie wordt georganiseerd in Reims. Reims is een stad in het noorden van Frankrijk. Deze stad is te vinden op afstand van ongeveer 400 kilometer rijden vanaf Utrecht (5 en een half uur rijden). De organisatie geeft aan dat de conferentie bedoeld is voor geologen, biologen, studenten van deze en aanverwante vakgebieden en geïnteresseerde leken. Het is volgens de organisatoren een wetenschappelijke conferentie vanuit Bijbels perspectief. Maar de conferentie is zeker niet alleen bedoeld voor verstokte creationisten, ook twijfelaars, zoekers en sceptici zijn van harte welkom! De Engelstalige flyer is te vinden op de website, op een speciaal daarvoor ingerichte geofachtagung-pagina op de website van Wort und Wissen. Via deze pagina kunt u uzelf ook aanmelden (zie voetnoot).3

Tenslotte

Het is een goed idee van onze oosterburen om een conferentie te beleggen over het Bekken van Parijs. Jammer zou zijn als het bij deze conferentie blijft, daarom hoop ik dat de lezingen breder uitgewerkt kunnen worden in een boek. Het laatst geschreven geologische boek van Wort und Wissen verscheen al weer even geleden. Juist omdat het Tertiair een ondergeschoven creationistisch kindje is, is het handig als er wat zou verschijnen in deze vorm. Dit onderwerp en de geboden informatie kan ook handig zijn om andere Europese locaties te verklaren, bijvoorbeeld in Hongarije. Het gaat deze keer onder andere ook over snelle radiatie van zoogdieren in het Tertiair. Als het hierover gaat onder creationisten dan zie ik dat deze Tertiaire zoogdieren vaak los worden gezien van de Mesozoïsche zoogdieren. Toen dr. Todd C. Wood, samen met een student, over deze Tertiaire zoogdieren een lezing gaf op de ICC 2018, heb ik hem een vraag gesteld wat de relatie is tussen de Tertiaire en de Mesozoïsche zoogdieren.4 Er kon geen antwoord worden geformuleerd, want deze relatie was niet onderzocht. Om de snelle radiatie van Tertiaire zoogdieren in context te plaatsen, moeten Mesozoïsche zoogdieren worden meegenomen. Een zoogdiertje als Mesodma zorgt bijvoorbeeld voor een uitdaging, tenminste als je het einde van de zondvloed postuleert rond de Krijt/Paleogeen-grens.5 Enfin, prachtig dat dit onderwerp interdisciplinair wordt aangepakt en we hopen dat er veel studenten en academici gehoor geven aan de oproep om te komen luisteren.

Voetnoten

‘Dinosaurs of Croatian carbonate platform’ – Rond de presentatie van dr. Marc Surtees (ICC), een drieluik

Vorig jaar presenteerde zoöloog dr. Marc Surtees uit Schotland een abstract op de ‘Ninth International Conference on Creationism‘ (ICC). Zijn presentatie ging over paleobiogeografie van de dinosauriërs.1 Dr. Surtees gaat er van uit dat de gevonden dinosauriërs uit het Mesozoïcum van ná de zondvloed dateren. Zij spreidden zich vanaf de ark van Noach uit over de aarde. We willen deze visie van dr. Surtees (in de woorden van deze zoöloog) uitwerken in een drieluik. Het eerste deel en tweede deel van dit drieluik omvatten twee presentaties van dr. Surtees. Het derde deel is een samenvatting van de abstract en lezing van dr. Surtees op de ICC (met behulp van zijn PowerPoint die hij ons toestuurde). Het doel van dit drieluik is om studenten en academici te stimuleren tot een soortgelijke deelname (of zelfs met een paper) aan de tiende ICC (vermoedelijk 2028 DV) en een lans te breken voor andere zondvloedmodellen. Vandaag deel twee: ‘Dinosaurs of Croatian carbonate platform‘.

Voetnoten

‘Dinosaur Biogeography’ – Rond de presentatie van dr. Marc Surtees (ICC), een drieluik

Vorig jaar presenteerde zoöloog dr. Marc Surtees uit Schotland een abstract op de ‘Ninth International Conference on Creationism‘ (ICC). Zijn presentatie ging over paleobiogeografie van de dinosauriërs.1 Dr. Surtees gaat er van uit dat de gevonden dinosauriërs uit het Mesozoïcum van ná de zondvloed dateren. Zij spreidden zich vanaf de ark van Noach uit over de aarde. We willen deze visie van dr. Surtees (in de woorden van deze zoöloog) uitwerken in een drieluik. Het eerste deel en tweede deel van dit drieluik omvatten twee presentaties van dr. Surtees. Het derde deel is een samenvatting van de abstract en lezing van dr. Surtees op de ICC (met behulp van zijn PowerPoint die hij ons toestuurde). Het doel van dit drieluik is om studenten en academici te stimuleren tot een soortgelijke deelname (of zelfs met een paper) aan de tiende ICC (vermoedelijk 2028 DV) en een lans te breken voor andere zondvloedmodellen. Vandaag deel één: ‘Dinosaur Biogeography‘.

Voetnoten