Home » Hermeneutiek

Categorie archieven: Hermeneutiek

‘Nieuwe manier van Bijbellezen eist zijn tol’ – Dr. J.M.D. de Heer over de gevolgen van de moderne hermeneutiek in zijn derde ‘Saambinder’-serie

Predikant en theoloog dr. J.M.D. (Jaco) de Heer is in De Saambinder een derde serie begonnen over de zogenoemde nieuwe of moderne hermeneutiek.1 Daar tegenover staat de klassieke hermeneutiek. De Heer geeft aan dat er veel verwarring is in kerkelijk Nederland en dat deze verwarring geen enkel kerkgenootschap voorbijgaat. “Veel verwarring heeft te maken met een nieuwe manier van Bijbellezen.” De predikant en theoloog gaat in deze serie vooral in op het ingrijpende rapport van de onlangs gevormde Nederlandse Gereformeerde Kerken (NGK).2

Verschillende gereformeerden zien de moderne hermeneutiek als een zijspoor, dwaalspoor of zelfs een doodlopend spoor. Foto: Metrostation Elbbrücken in het Hamburgse stadsdeel HafenCity. Bron: Pixabay.

Op deze website hebben we vooral (samenvattend) de ruimte gegeven aan de tegenstem van dr. Wolter Rose.3 Dr. De Heer geeft aan dat het rapport ‘goed doordacht in elkaar’ steekt. De conclusie van het rapport is dat praktiserende homoseksualiteit erkend wordt en ‘dat praktiserende homo’s aan het Avondmaal mogen en ambtsdrager mogen worden’.4 De geleerde vraagt zich af hoe het zover heeft kunnen komen en wat wij er van kunnen leren. De Heer vermeldt dat dit proces al uitvoerig is beschreven in het boek ‘Het Onfeilbare Woord IIB’ van de ‘Semper Reformanda’-reeks.5 De wissels zijn al eerder omgezet en alleen de praktische synodale uitvoering liet nog op zich wachten.

De les

Hier is een les uit te trekken. “We zien in de genoemde kerken dat de praktijk de regels heeft uitgehold.” De synodale besluiten werden door enkele kerken genegeerd. “Het leiding geven was mislukt door het gedrag op het grondvlak.” “Besluiten worden vaak ondermijnd door afwijkend gedrag van hen die grenzen opzoeken. Kinderen doen soms ‘gewoon’ niet wat ouders zeggen, leerlingen niet wat de leraar zegt, gemeenten niet wat het kerkverband zegt.” Dit ziet dr. De Heer ook gebeuren in de Christelijke Gereformeerde Kerken (CGK) als het gaat om vrouwelijke ambtsdragers. “Vooruitstrevende gemeenten leggen de synodebesluiten naast zich neer. Het zijn weliswaar besluiten van de meest brede kerkelijke vergadering, maar zij hebben als plaatselijke gemeente een andere overtuiging.” Wat is volgens de predikant de les? “In elk geval is er deze les dat geestelijke eenheid van het kerkverband samenhangt met het loyaal zijn aan gemaakte afspraken. Die zijn niet voor niets gemaakt. Als gemeenten rond de onderwerpen in dit artikel een eigen koers varen, zetten zij deze geestelijke eenheid onder druk. Dat knaagt aan het onderlinge vertrouwen.6

Nieuwe manier van Bijbellezen

In het tweede artikel gaat predikant en theoloog dr. J.M.D. de Heer in op de nieuwe manier van Bijbellezen. Hij geeft aan dat de adviezen in het rapport samenhangen met deze nieuwe manier van Bijbellezen die in de Nederlandse Gereformeerde Kerken gangbaar is geworden. Hij verwijst voor zijn eigen visie op de manier van Bijbellezen naar de eerste serie die in De Saambinder over dit onderwerp van zijn hand verscheen.7 Hij vat dit kort samen: “Wij geloven onvoorwaardelijk dat de Bijbel het geïnspireerde Woord van God is. Door de Bijbel openbaart God wie Hij is, wie wij zijn, hoe we door Christus verlost kunnen worden en hoe wij naar Zijn wil leven.” De Heer geeft aan dat het van belang is dat we de uitlegregels (hermeneutiek) uit de Bijbel zelf halen, immers ‘God bepaalt hoe Zijn Woord wordt uitgelegd’. De predikant meent dat het hier scheef gaat en er veel gaat schuiven. “De mens heeft een (te) grote plaats gekregen in de uitleg van de Bijbel. De beleving van de lezer krijgt zelfs een zelfstandige plaats. Het gaat dan niet zozeer om de oorspronkelijke bedoeling van de Heere – de zin en mening van Gods Geest – maar om de manier waarop ik nu de Bijbeltekst uitleg en beleef. En die beleving kan anders zijn dan de Bijbel zegt.” De Heer past dit daarna toe op praktiserende homoseksualiteit, het onderwerp van het synoderapport. Hij concluceert: “Leidend is niet meer de bedoeling die God in Zijn Woord openbaart, maar de beleving van de mens. Het uitgangspunt ligt in de praktiserende homo die zich niet herkent in wat de Bijbel over de homoseksuele praktijk schrijft.” Een nieuwe manier van uitleg. De Heer ziet deze nieuwe hermeneutiek als gevaarlijk.8Je kunt dan alle kanten op met de Bijbel.” Volgens de theoloog moeten we wel pastoraal over homoseksualiteit spreken. “Harde veroordelingen, laat staan scheldwoorden, hebben al veel kwaad gedaan. Dat past een kerk niet.9 Maar wat is pastoraal?, zo vraagt De Heer zich af. De predikant ziet dit als ‘leiding geven vanuit Gods Woord, met het oog op het welzijn van de naaste, lichamelijk, emotioneel en geestelijk’. Dit kan echter nooit losgemaakt worden van wat God in Zijn Woord openbaart. “Een kerk die een deur openzet die God sluit, is ongehoorzaam, geeft geen geestelijke leiding, maar misleiding. Juist daarom is de nieuwe manier van Bijbeluitleg zo gevaarlijk. Ze knipt weliswaar geen teksten uit de Bijbel, maar zet teksten in de praktijk buiten werking.10

Het rapport

In het derde artikel gaat predikant en theoloog dr. J.M.D. de Heer dieper in op het rapport van de Nederlandse Gereformeerde Kerken. In het rapport ziet de meerderheid ruimte voor praktiserende homoseksualiteit en dienen zij de ruimte te krijgen die zij nodig hebben.11 Het valt De Heer op dat er, in het rapport, nauwelijks gesproken wordt van de toorn van God over de zonde. Wel wordt er verwezen naar Romeinen 1, maar de meerderheid geeft aan dat dit totaal anders is dan de huidige wijze van praktiserende homoseksualiteit. “Gods heilige toorn lijkt daarmee ‘veiliggesteld’ te zijn, daar hoeven we het niet meer over te hebben.” De predikant wijst ook op de gedachte dat Gods toorn over de gemeente kan komen als een uitlevende zonde aan de Avondmaalstafel wordt geduld (HC vraag 82). De Heer vraagt zich in het derde artikel af of het leven voor Gods aangezicht ‘inderdaad een leven naar vrije keuze is’. De zelfbeproeving lijkt in het rapport nauwelijks (meer) aanwezig. Er is weinig ruimte voor het aanspreken van een kerklid op zijn of haar levenswandel. Al snel wordt het gezien als een persoonlijke aanval, waarbij, zo wordt het dan ervaren, iemands geloof in twijfel getrokken wordt. “Een dergelijk geestelijk klimaat was mede de oorzaak dat wissels zijn omgegaan.” Het geldt als waarschuwing, we zijn immers beslist niet beter. Dit laat ook het blijvende belang zien van een separerende prediking.12

Tot slot

Het is verstandig dat dr. De Heer wil leren van andere kerkgenootschappen. Bij de publicatie van de samenvatting van het eerste deel van deze serie kregen we het verwijt dat hier wordt afgegeven op andere kerkgenootschappen. De aanklager betoogde dat er in de Gereformeerde Gemeente (‘het eigen kerkgenootschap’) al genoeg problemen zouden zijn. Dat lijkt echter niet de intentie te zijn van de predikant. We zien dat ook aan het slot van het derde deel: “Laat dit alles een waarschuwing zijn voor ons. Want, we zijn beslist niet beter. Laten we maar met Psalm 119 vers 18 zingen: ‘Doe mij op ‘t pad van Uw geboden treên; schraag op dat spoor mijn wankelende gangen’.” Daarmee is voldoende gezegd om het bezwaar van ‘te veel zelfverheffing’ van tafel te vegen.

Voetnoten

Meerderheid studiedeputaatschap NGK zet wissel om met pleidooi voor acceptatie gelijkgeslachtelijke seksualiteit – Rapport geeft dr. Wolter Rose ruimte voor een tegenstem

Het lag in de lijn der verwachting dat er in de nieuw gevormde Nederlandse Gereformeerde Kerken (NGK) gekomen zou worden tot een acceptatie van gelijkgeslachtelijke seksualiteit en deelname aan het ambt en het Heilig Avondmaal. Er ligt, na een flinke vertraging, nu een studie van het deputaatschap over deze heikele kwestie. Het advies van de commissie komt D.V. in maart 2024 op de synodetafel. De synodevoorzitter, dr. Peter Sinia1, hoopt dat er nog vóór de zomer, in een speciaal hiervoor ingelaste zitting, een besluit valt. Overigens wordt een snelle uitvoering van dit besluit niet dwingend opgelegd. “Kerkenraden kunnen het tempo kiezen dat bij hun gemeente past.

Het is niet de eerste keer dat er in deze kerken gesproken wordt over het toelaten van mensen met een homoseksuele relatie tot het ambt en het Heilig Avondmaal. Al eerder schreef prof. dr. Ad de Bruijne een lijvig boek over (onder andere) deze kwestie, onder de titel ‘Verbonden voor het Leven’.2 Het was een kwestie van tijd dat de wissel ook kerkelijk omgezet zou worden en het is daarom niet verbazend dat de meerderheid van de commissie komt tot een acceptatie van gelijkgeslachtelijke seksualiteit in relatie tot de ambten en het Heilig Avondmaal. Verbazend niet, verdrietig wel! Vermeldenswaard is overigens nog dat de studiecommissie het onderling niet eens was, en dat er dus een verdeeld rapport ligt. Al is het kerkelijk donker geworden zijn er vanuit orthodox-ethisch perspectief nog wel enige lichtpuntjes. In de praktijk is de Nederlandse Gereformeerde Kerken echter een pluriforme kerk geworden (met compromisdocumenten), waarbij ruimte is gekomen voor tegengestelde opvattingen en het Schriftgezag met de voeten getreden kán worden zonder daarvan de consequenties te hoeven ondervinden. De synodevoorzitter ziet dat al aankomen, dr. Peter Sinia: “Tegelijkertijd kan ik niet beloven dat we tot een uitkomst komen, die hen of mij tevreden zal stellen.3 Uiteraard moeten we uit pastorale bewogenheid handelen, maar dat wil niet zeggen dat hierbij bepaalde vaste (dat is op de Bijbel gebaseerde) uitgangspunten gehanteerd kunnen worden.4 Verdrietig is dat door sommigen in het rapport over de (gevolgen van de) zondeval heenstappen en de huidige orde één op één gelijkstellen met de scheppingsorde. We leven echter in een gebroken wereld (Rom. 8:20-22). In dit artikel wil ik graag geluid geven aan een tegenstem: dr. Wolter H. Rose.5 Rose is gepromoveerd theoloog en heeft zelf ook homofiele gevoelens. Hij heeft op grond van de Schrift besloten celibatair te leven. Rose was ook lid van het studiedeputaatschap en heeft een (deels tegengestelde) bijdrage geleverd aan het rapport.6

Inleiding

Het rapport draagt de titel ‘Ruimte en richting’ en is te downloaden via de website van de Nederlandse Gereformeerde Kerken (zie voetnoot).7 De ondertitel luidt: ‘Rapport van het Studiedeputaatschap ‘Homoseksualiteit in de kerk’. Voor de synode van Deventer 2023’. Het rapport bevat na de inleiding ‘Zes brieven aan Filemon’. Hierbij is een casus, door middel van een brief, voorgelegd aan de commissieleden en zij beantwoorden deze brief ieder afzonderlijk. Daarna wordt het rapport verdeeld in drie delen: (1) Hoofdlijnen, (2) Verdieping, en (3) De praktijk. De verdieping is vooral een uitgebreide schets van de geschiedenis van homoseksualiteit, de biologische aspecten, identiteitsontwikkeling en trends. Dit deel sluit af met persoonlijke reflecties en is geheel verzorgd door dr. Wolter Rose. Deze ruim veertig pagina’s tekst is beslist de moeite van het lezen waard en kent een uitgebreid notenapparaat zodat vervolgstudies en diepteboringen gedaan kunnen worden. In deze bijdrage wil ik echter stilstaan bij hoofdstuk 7 van het eerste deel. Deze bijdrage is ook geschreven door dr. Wolter Rose en daarin geeft hij verantwoording van zijn afwijzing van de opinie van de meerderheid van de commissie.

Zijspoor, dwaalspoor

”Een meerderheid binnen ons deputaatschap is van mening dat homo’s ruimte behoren te krijgen, zoveel ruimte als zij nodig hebben om open te bloeien voor Gods heilig en genadig aangezicht. Wil iemand met een homoseksuele gerichtheid verkennen of het mogelijk is om die om te buigen naar een heteroseksuele gerichtheid? Laat hij of zij dat doen – al hebben wij sterke twijfels of homo’s met een diep verwortelde geaardheid van oriëntatie kunnen veranderen. Is iemand er in zijn of haar geweten van overtuigd dat een homoseksuele relatie onverenigbaar is met de Bijbel? Laat hij of zij dan kiezen voor een leven in seksuele onthouding en op zoek gaan naar zinvolle en zegenrijke alternatieven voor het huwelijk. Is iemand vrij in zijn of haar geweten en vindt hij of zij een partner voor het leven? Laat er ook voor deze broers en zussen een plek zijn in de gemeente van Christus en aan de tafel van de Heer. Wij menen dus dat er binnen de gemeente van Christus ook ruimte mag zijn en heeft te zijn voor homoseksuele broers en zussen die in een relatie van liefde en trouw samenleven. De argumenten hiervoor willen we hier niet herhalen. Niet ieder neemt de daar genoemde argumenten op gelijke wijze en in gelijke mate voor zijn of haar rekening, maar dat wijzigt het totaalbeeld niet: binnen de gemeente van Christus mag er, heeft er ruimte (te) zijn voor homo’s, ook als zij in liefde en trouw samenleven.”

Na al het wikken en wegen is dit (Paragraaf 6.1.4) de uiteindelijke conclusie van het studiedeputaatschap. Dr. Wolter Rose is het met deze conclusie oneens. Het siert het deputaatschap dat deze geleerde ook ruimte heeft gekregen om zijn bezwaren aangaande hoofdstuk 6 in het rapport te kunnen verwoorden. Het hoofdstuk draagt de niet mis te verstane titel ‘Een zijspoor, een dwaalspoor’. Het betreft ‘een (te) korte toelichting waarom ik geen verantwoordelijkheid wil dragen voor hoofdstuk 6 ‘Richting en ruimte’’. Op bladzijde 144 en 145 volgt eerst het bezwaar in vogelvlucht om dan, in de volgende bladzijdes, hier wat nader op in te gaan. Dr. Rose geeft aan dat het geloof dat Jezus Christus de Zoon van God is, dé gevaarlijkste gedachte in de geschiedenis van de mensheid en filosofie genoemd wordt. “Wat als de gevaarlijkste gedachte ook de gelukkigste is?”, zo vraagt de geleerde zich af. Bij het tweede punt geeft Rose aan dat het meerderheidsadvies, namelijk ‘voer het gesprek bij een open Bijbel’, ongeloofwaardig is. ”De geloofwaardigheid (…) wordt ondermijnd wanneer het hoofdstuk zelf een aantal bladzijden eerder dingen als ervaring, intuïtie en emotie de doorslag laat geven.” Hierdoor wordt ‘het onderwijs van Christus en de Apostelen over huwelijk en seksualiteit (…) op een essentieel punt op een zijspoor gezet’. In dit geval wordt het primaire leerdoel niet gerealiseerd: ‘correctie’. “Wijsheid en correctie zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Wie niet open staat voor correctie leidt op een dwaalspoor. De vrucht van correctie is een leven in vrede en gerechtigheid.” In de intentieverklaring wordt aangegeven dat Romeinen 14 en 15 richtinggevend zijn. Dr. Rose ziet ook hier een ondermijning van de eigen geloofwaardigheid ‘wanneer (…) in de volgende alinea aan de kerken de suggestie’ wordt gedaan dat ‘gelijkgeslachtelijke verbindenissen met een seksuele dimensie (..)’ er mogen zijn. Om de schijn van willekeur of vooringenomenheid te voorkomen, zou de meerderheid ‘er beter aan doen het complete oeuvre van Paulus richtinggevend te verklaren – in plaats van twee minder relevante hoofdstukken’. Anders valt het beroep op de Bijbel weg ‘onder de oproep (…) tot acceptatie van het bestaan van verscheidenheid op het punt van gelijkgeslachtelijke verbintenissen met een seksuele dimensie’. Daarom moet de Bijbel ook iets te zeggen kunnen hebben ‘zonder dat er andere krachten nodig zijn om dat te reguleren, of zonder een speciale hermeneutiek van buiten de tekst in te voeren zodat we kunnen weten wanneer en waar hij kan spreken’ (dit in navolging van oudtestamenticus dr. Christopher Seitz).

Toelichting

In het vervolg van het hoofdstuk geeft dr. Wolter Rose een toelichting op de hierboven staande stellingen. Hij verwijst daarbij naar zijn eerdere publicaties op dit punt, die in de literatuurlijst te vinden zijn. Dr. Rose geeft aan dat zijn pijlen niet gericht zijn op LHB-christenen in het algemeen, maar tegen een pleidooi dat ruimte biedt in de kerk voor gelijkgeslachtelijke verbintenissen met een seksuele dimensie. Het rapport geeft helder aan (hoofdstuk 3) dat we in de Bijbel alleen teksten aantreffen die gelijkgeslachtelijke seks afkeuren. Als deze conclusie juist is, relativeert dat de verwarring rond de uitleg van passages als Romeinen 1 en 1 Korinthe 6. Het rapport plaatst bij die verwarrende uitleg zelfs de nodige kritische kanttekeningen. Rose geeft aan dat deze conclusie inderdaad juist is en dat deze conclusie ook gedeeld wordt ‘door een keur van ter zake kundige bijbelwetenschappers en theologen uit andere vakgroepen’. Hij verwijst daarbij naar Brooten, Johnson, Sanders, Loaderen MacCulloch.8 Dit sluit ook aan bij andere kerkgenootschappen met een confessionele overtuiging dicht bij de NGK. Die kerkgenootschappen hebben óók ‘uit deze exegetische conclusie afgeleid dat er in de gemeente van Christus geen ruimte kan zijn voor gelijkgeslachtelijke verbintenissen met een seksuele dimensie’. De meerderheid van de commissie pleit echter wél voor die verbintenissen en heeft daarmee ‘het onderwijs van Christus en de Apostelen, geworteld in de Tora voor het volk Israël, op een essentieel punt (…) op een zijspoor gezet’ In deze keuze wordt daarmee ervaring, intuïtie en emotie boven het Schriftwoord gesteld. “Voor mij is dat onaanvaardbaar, omdat correctie in de wijsheids- en kennisoverdracht in Oude en Nieuwe testament een primair leerdoel is.” Na een korte bespreking van het bijbelboek Spreuken stelt Rose: “Wijsheid en correctie verachten is typerend  voor een dwaas, stelt het laatste vers van deze korte inleiding.” Ook in het onderwijs van Christus is ‘correctie’ een terugkerend leerdoel. Dat geldt evenzeer voor de schrijver van de Hebreeënbrief, bijvoorbeeld in Hebr. 12:4-11.

Geen recht aan de woorden van Paulus

Romeinen 14 en 15 wordt door de meerderheid gezien als richtinggevend. Dr. Rose geeft aan dat deze suggestie ‘geen recht’ doet ‘aan de specifieke context van de woorden van Paulus’. Bij deze zaken moet onderscheid worden gemaakt tussen onderwerpen met een relatief laag gewicht en onderwerpen met een relatief hoog gewicht. “’Porneia’ (‘verboden seks’), inclusief de gelijkgeslachtelijke variant, is zo’n onderwerp. In zulke gevallen spreekt de Apostel in de gebiedende wijs: ‘Vlucht weg van ‘porneia’’, of ‘vlucht weg van de afgodendienst’. De twee thema’s ‘porneia’ en afgodenverering – vaak in deze volgorde – staan in de Top Drie bovenaan in lijsten van zondig gedrag dat een bedreiging vormt voor iemands deelhebben aan het Koninkrijk van God.” Het betreft dus een onderwerp van hoog gewicht en geen middelmatige zaak. De voorkeur voor Romeinen 14 en 15 houdt ook enige willekeur in. “De Paulus van Romeinen 1 kan niet worden uitgespeeld tegen de Paulus van Romeinen 14.” De hele oeuvre van Paulus recht doen is beslist geen gemakkelijke zaak. “Het is wel een moedige stap. Het zal eraan bijdragen dat er vrijmoedigheid groeit voor het afwijzen van de bestaande verscheidenheid rond gelijkgeslachtelijke verbintenissen met een seksuele dimensie.” De, door de meerderheid gegeven, oproep tot acceptatie van de genoemde verscheidenheid ‘zal niet langer met een beroep op de Bijbel te verdedigen zijn’.

Drie fasen

Op grond van zijn ervaring met deze gesprekken over de Bijbel en homoseksualiteit, onderkent oudtestamenticus dr. Christopher Seitz drie fasen in de uitleg van de Bijbel. In de eerste fase wordt geprobeerd de relevante passages anders uit te leggen (of: te betogen dat dit anders uitgelegd moeten worden). In de tweede fase wordt toegegeven dat de teksten wel zeggen wat ze vroeger geacht werden te zeggen, maar dat dit als globale leidraad genomen moet worden. In de derde fase wordt gesteld dat de Bijbel ons niet verder kan helpen hierin, omdat de huidige vorm van gelijkgeslachtelijk seksueel verkeer onbekend was in de tijd van de Bijbel. Volgens nieuwtestamenticus dr. Luke Johnson zou het in de derde fase daarom beter zijn om te zeggen dat we ons, wat dit aangaat, op ander gezag beroepen dan op de Bijbel. Er ontstaat kortsluiting als enerzijds wordt betoogd het gesprek te willen voeren bij een open Bijbel en anderzijds een intentieverklaring richtinggevend te laten zijn. Rose: “Er ontstaat kortsluiting in mijn hoofd. Mijn lichaam protesteert: ik krijg er – letterlijk – buikpijn van.

Rose verwijst ook naar een rapport uit 2013 over Hermeneutiek (van voormalige Gereformeerde Kerken vrijgemaakt) waarin onder andere staat: “Hermeneutiek mag geen middel zijn om met mooie woorden ten diepste Gods Woord naast ons neer te leggen.” De geleerde ziet dat de meerderheid van het studiedeputaatschap hieraan voorbijgaat en zelfs uitvoert wat hier staat door ‘met mooie woorden ten diepste Gods Woord naast ons [neerleggen]’. Rose ervaart een impasse in het gesprek over gelijkgeslachtelijke seksualiteit. In navolging van Seitz: “Een crisis die te maken heeft met het feit dat de Bijbel een soort ‘wassen neus’ wordt, vatbaar voor elke interpretatie.” Gelijkgeslachtelijke verkeer is moeten we niet zien als een bijzonder afschuwelijke zonde, alsof LHB-ers onder een speciale categorie zondaren vallen. Echter wordt ‘in de Bijbel’ wel ‘een consequent negatief oordeel’ uitgesproken ‘over gelijkgeslachtelijk seksueel verkeer’. “Seitz stelt dat ‘een beroep op de duidelijke betekenis van de Schrift’ is geboren uit een specifieke overtuiging die ook mijn overtuiging is. Het is de overtuiging dat de Bijbel iets te zeggen kan hebben zonder dat er andere krachten nodig zijn om dat te reguleren, of zonder een speciale hermeneutiek van buiten de tekst in te voeren, zodat we kunnen weten wanneer en waar hij kan spreken.” Anders verliest de Bijbel ‘zijn reputatie op het specifieke gebied van toereikendheid en betrouwbaarheid, en geen enkele zaak, hoe goed bedoeld ook, kan dat als een aanvaardbare bijwerking hebben’ Met dit slotwoord ben ik het van harte eens. Wanneer in de Bijbel gelijkgeslachtelijke seksualiteit verboden wordt, moeten wij niet wijzer zijn dan God Zelf, maar Hem daarin volgen ‘door bezaaide en onbezaaide wegen’9, ongeacht wat de consequenties daarvan ook moge wezen. “Deze dingen heb Ik tot u gesproken, opdat gij in Mij vrede hebt. In de wereld zult gij verdrukking hebben, maar hebt goeden moed, Ik heb de wereld overwonnen.” (Johannes 16:33, SV).

Voetnoten

Congres over ‘Bijbel & Wetenschap’ 2023 – 2. Dr. Henk van den Belt – Het Sola Scriptura van de Reformatie: Hoe werkt het en wat is de betekenis daarvan voor vandaag?

Noot van de redactie: Dr. Henk van den Belt gaf uitleg over het begrip ‘Sola Scriptura’ van de Reformatie: wat het wel is en wat het niet is. Aan het einde van zijn lezing voerde dr. Van den Belt argumenten aan voor een vorm van oudeaardecreationisme. Deze visie van de geleerde deelt de redactie van ‘Oorsprong’ niet, wel deelt de redactie de voorkeur om de discussie over de leeftijd van de aarde respectvol (en argumentatief, red.) te voeren.

Op 21 oktober 2023 organiseerden Fundamentum en Geloofstoerusting een congres over ‘Bijbel & Wetenschap‘ met als subthema ‘Verwondering’.1 Systematisch theoloog dr. Henk van den Belt gaf een lezing met als titel ‘Het Sola Scriptura van de Reformatie: Hoe werkt het en wat is de betekenis daarvan voor vandaag?‘. Veel zegen bij het kijken en luisteren! Vragen kunnen gesteld worden via het contactformulier: https://oorsprong.info/contact/.

Voetnoten

Moderne hermeneutiek: tijd waarin we leven bepalend voor uitleg – Dr. G.W.S. Mulder promoveerde aan de Vrije Universiteit op predikkunde

Op dinsdag 28 november 2023 promoveerde predikant en theoloog dr. G.W.S. (Wim) Mulder aan de Vrije Universiteit op de prediking van predikanten tussen 1600 en 1800. De titel van zijn proefschrift luidt: ‘Tussen tekst en toepassing. Onderzoek naar het tijdbetrokken element in de homiletiek van gereformeerde piëtisten in de Nederlanden 1600-1800’.1 De dag voor zijn promotie verscheen er in het Reformatorisch Dagblad een interview met deze predikant van de Gereformeerde Gemeente te Ridderkerk. Een groot deel heeft geen raakvlakken met de thematiek waar Fundamentum zich op richt. In het interview werd echter ook kwam ook de moderne Schriftuitleg, de moderne hermeneutiek, en Schriftgezag voorbij. Daarom een korte samenvatting.2

Interieur van de Grote of Onze Lieve Vrouwekerk te Dordrecht. Bron: Wikipedia.

De Schrift centraal

Het proefschrift van de theoloog ontstond op het kruispunt van kerkgeschiedenis en predikkunde. Omdat hij zelf predikant is, krijgt Mulder wekelijks te maken met de vraag hoe een predikant een toepassing maakt in de preek. Vanwege zijn onderzoeksvraag bestudeerde dr. Mulder twaalf handboeken voor predikkunde uit de zeventiende en achttiende eeuw. “In die handboeken staat hoe de schrijvers daarvan vonden dat het moest en hoe ze dat onderbouwden. Ik zocht naar theologische, liefst Bijbelse, argumenten voor de preekopbouw en toepassing.” De geleerde ziet deze periode als een spannende, met name de strijd tussen de gereformeerde Voetianen en de meer liberale Coccejanen. Ook kwam het rationalisme op. “Zeker de achttiende eeuw wordt gezien als een eeuw van verlichting. Die is de kerk niet voorbijgegaan.” De onderzochte handboeken laten tijdbetrokken predikkunde zien, ‘al was die tijdbetrokkenheid wel ondergeschikt aan de kernbootschap’. Mulder geeft aan dat de toepassing opkwam uit de Schrift. Het Schriftgezag stond daarbij hoog in het vaandel (2 Timotheüs 3:16). “In die tekst zie je die twee dingen samenkomen: “Al de Schrift is van God ingegeven.” Dus het Schriftgezag stond voor die mannen buiten kijf. Al de Schrift, dus elke tekst, elk woord in de Bijbel.” Coccejus en zijn volgers gaven aan dat die grondslag in de Schrift niet nodig was, ‘zij legden veel meer nadruk op de exegese, de uitleg’. Volgens dr. Mulder hadden de coccejanen theologisch hun eigen denkwereld ‘die is niet los te zien van de opkomst van het rationalisme’. De preek moet volgens de theoloog en predikant altijd Schriftuurlijk te onderbouwen zijn, dat geldt ook voor de toepassing. De preek wordt bevindelijk, omdat de Bijbel dat is. “We moeten niet over de hoofden heen preken, maar met de Schrift in de hand en op basis van de Schrift en met het oog voor hun leefwereld de harten van de hoorders opzoeken.” Dit alles, uiteraard, in afhankelijkheid van de bediening van de Heilige Geest.

Verschuiving

De vraagsteller, drs. Wim Hulsman, merkt op dat er tegenwoordig veel verschuift als het gaat om Schriftuitleg. Hulsman denkt aan de moderne hermeneutiek. Wat kunnen we in dit opzicht leren van het proefschrift van dr. Mulder? “Het lijkt misschien alsof je alleen met de moderne hermeneutiek echt actueel kunt preken. Alsof je bij het volgen van de klassieke preeklijn niet actueel kunt zijn. Maar ik geloof dat wij met de klassieke preekopbouw juist in een heel krachtige traditie staan die ons laat zien dat het wel kan en moet om naar de Schrift te preken en tegelijk betrokken te zijn op de hoorders van nu.” De rechtvaardiging van de goddeloze, dat is volgens de Ridderkerkse predikant, de sleutel tot het ware verstaan van de Schrift en het kruispunt. “De moderne hermeneutiek past de uitlegsleutel van de Bijbel echter aan. De tijd waarin we leven wordt dan bepalend voor de uitlegsleutel. Dat zie je nu rond de grote thema’s die spelen: schepping en evolutie, de vrouw in de gemeente, het debat rond gender en seksualiteit. Maar er zijn meer thema’s te noemen.

Voetnoten

Moderne Schriftuitleg gevaar voor christelijke medische ethiek – Interview met scheidend directeur mr. Diederik van Dijk in het Reformatorisch Dagblad

Mr. Diederik van Dijk heeft afscheid genomen van de Nederlandse Patiëntenvereniging (NPV) omdat hij gekozen is als lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Van Dijk was directeur van de NPV en namens de SGP lid van de Eerste Kamer der Staten-Generaal, hij heeft in die hoedanigheid ook enkele artikelen en video’s op onze website. Omdat hij afscheid nam, interviewde journalist Maarten Costerus hem namens het Reformatorisch Dagblad. Enkele opvallende zaken wil ik hieronder uitlichten en samenvatten.1

Abortus

Sinds April 2018 gaf mr. Van Dijk leiding aan de NPV. Nu gaat daar dus verandering in komen. Wie hem in deze prolifeorganisatie gaat opvolgen is mij (nog) niet bekend. Van Dijk blikt in het interview terug op een goede periode bij de NPV. Het debat tussen Maaike Rosendal en Rob Jetten, huidige voorman van D66, ziet hij als een van de mijlpalen van deze periode.2Blijf als christen zaaien met je boodschap. Denk niet dat er niets meer valt te bereiken.” Het heeft volgens de parlementariër wel degelijk zin om met de prochoicekant in gesprek te gaan. Als het gaat om abortus merkt Van Dijk dat er op straat een nuchterder geluid klinkt dan in Den Haag. “Hoopgevend is ook dat opkomende partijen, zoals NSC en BBB, de regels rond abortus en euthanasie niet verder willen versoepelen. Dat is tegenwoordig al heel wat. Met deze partijen kun je als SGP praten. Ik hoop dat we van het drammerige, zoals bij D66, verlost zijn.

Zorgen

Toch is mr. Diederik van Dijk niet alleen maar positief. Vooral de zogenoemde nieuwe hermeneutiek en het loslagen van het Schriftgezag in nota bene christelijk Nederland baart hem zorgen. Dit heeft ook gevolgen voor de kijk op de christelijke medische ethiek. “Als je zegt dat we vandaag meer weten dan Paulus, maak je de Bijbel monddood. Dan valt ook de christelijke medische ethiek in duigen.” Tijdens het schrijven van de genderbrochure, die ook op de stoelen van het congres ‘Bijbel & Wetenschap 2023’ lag3, merkte Van Dijk de gevolgen van deze manier van Bijbellezen het duidelijkst. “Toen ontdekten we dat er tegenwoordig allerlei opvattingen bestaan over de scheppingsorde en over wat Paulus zegt over het huwelijk en seksualiteit. Christenen vragen zich af of die teksten voor vandaag de dag nog betekenis hebben.” Zijn opvolger bij de NPV wil hij daarom meegeven ‘zuinig’ te zijn ‘op de klassiek-christelijke visie op de medische ethiek’. Christenen hebben, met het Woord als kompas, ‘goud in handen’. We hoeven ons volgens de scheidende directeur ons niet te schamen voor deze overtuiging. Hij ziet ‘halfslachtigheid’ als funest voor het betrouwbare getuigenis en de positie van christenen in de maatschappij.

Tenslotte

De waarde van Schriftuitleg en het Schriftgezag heeft gevolgen voor de christelijke medische ethiek. We hoeven echter niet in een mineur te eindigen. De Heere heeft nog mensen gegeven die inhoudelijk hier tegenin willen en kunnen gaan.4 Het zou goed zijn om de verhouding tussen Schriftuitleg en deze medisch ethische thema’s diepgaand te doordenken. Daarom is het zo verdrietig dat een hermeneutische bundel, zoals voorgesteld door dr. C.P. de Boer, nog steeds niet van de grond is gekomen. Terwijl dat inhoudelijk en ook qua ‘mankracht’ zeker moet lukken, er zijn binnen bevindelijk-gereformeerde kring genoeg academici die iets zouden kunnen schrijven.5

Voetnoten

Commissie ‘Schriftgezag’ van de Generale Synode Gereformeerde Gemeente 2022 heeft drie medewerkers benoemd

Op de Generale Synode van 2022 van de Gereformeerde Gemeente stond óók het onderwerp Schriftgezag centraal. De afgevaardigden besloten toen om een academisch geschoolde theoloog aan te stellen om dit onderwerp te onderzoeken.1 De Heere heeft in Zijn goedheid gegeven dat er niet één maar drie theologen zijn aangesteld. Laten we deze theologen ook gedenken in onze gebeden, dat het theologisch onderzoek van deze geleerden ook in Zijn gunst mag zijn en tot uitbreiding van Zijn Koninkrijk.2

Benoeming

In De Saambinder van gisteren (22 juni 2023) wordt melding gemaakt van de benoeming van drie theologen, in plaats van één studiesecretaris. Het gaat om drs. J. van Gurp, J.N. Mouthaan (MA) en J.A. Roukens (MA). Het afgelopen half jaar heeft de synodecommissie hun taak opgepakt en een sollicitatieronde gestart. De synodecommissie bestaat uit ds. A. Schot, ds. G.W.S. Mulder, dr. J.M.D. de Heer én dr. E.G. Bosma. De commissie heeft gekozen voor drie geleerden in plaats van één. Ze zin in de drie benoemde medewerkers ‘kwaliteiten en vaardigheden die complementair zijn. De commissie heeft daarom gemeend niet één studiesecretaris te moeten benoemen, maar drie. Bovendien verkleint dit de kwetsbaarheid van de functie van studiesecretaris’. Na deze sollicitatieronde hebben de commissie en de medewerkers samen ‘een werkwijze vastgesteld en de taken onderling verdeeld’. De publicaties, lezingen en (andere) media-uitingen van de medewerkers vallen onder verantwoordelijkheid van de Commissie Schriftgezag. Op de volgende Generale Synode (van 2025 D.V.) zal de commissie ook rapporteren over de werkzaamheden. Qua arbeidsvoorwaarden zijn de medewerkers ondergebracht bij het al bestaande Centrum voor Godsdienstonderwijs (CGO).

Werkzaamheden?

Dr. E.G. Bosma schrijft ook dat de komende maanden de medewerkers vooral bezig zijn met het doen van onderzoek en het opzetten van de werkzaamheden. “Het is de wens van de commissie en de medewerkers om van betekenis te mogen zijn voor het geheel van ons kerkverband en ook een uitstraling te hebben voor de bredere kring van de gereformeerde gezindte.” Leek het bij het eerste synodeverslag nog veel te gaan om onze jeugd. Nu lijkt dat, gelukkig, wat breder getrokken te worden. Immers is het volgens Bosma ‘nadrukkelijk de bedoeling om diverse doelgroepen op hun eigen wijze en niveau te benaderen met betrekking tot zaken die het Schriftgezag aangaan’.

Geleerdheid en vroomheid

We hopen dat in deze studie en werkzaamheden geleerdheid en vroomheid bij elkaar zullen komen. Zoals ook mijn pleidooi was bij het openingswoord van de bundel Inzicht: Wetenschap voor Gods aangezicht.3 Zodat we niet alleen aardse geleerdheid mogen hebben, maar bovenal van God geleerd zullen worden. Dat is ook mijn wens aan de medewerkers en de commissieleden. Het is goed dat naast het eigen kerkgenootschap ook oog is voor het dienen van de breedte van de Gereformeerde Gezindte. Dergelijke initiatieven kunnen we alleen maar aanmoedigen. Gebed is zeer nodig, want ‘zo dan, die meent te staan, zie toe, dat hij niet valle’ (1 Korinthe 10:12, SV). Het is namelijk niet makkelijk om in de huidige tijdgeest pal te staan voor de waarheid van Gods Woord en het Schriftgezag te verdedigen.

Voetnoten

‘Geen bijkomstige standpunten, maar fundamentele zaken die de Schrift betreffen’ – Ds. W.L van der Staaij reageert in ‘Bewaar het Pand’ op de nieuwe fusiekerk de Nederlandse Gereformeerde Kerken

Iemand die het kerkelijke leven van de gereformeerden nauwlettend in de gaten houdt kan het niet ontgaan zijn dat op 1 mei 2023 de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt en de Nederlands Gereformeerde Kerken gefuseerd zijn tot een nieuw kerkgenootschap: de Nederlandse Gereformeerde Kerken. Ondanks de bezwaren van sommige GKv’ers is de fusie doorgegaan. Als buitenstaander heb ik het één en ander met gemengde gevoelens bekeken.1

Ds. W.L. van der Staaij heeft in Bewaar het Pand, het blad van een stroming binnen de Christelijke Gereformeerde Kerken (CGK), dergelijk gevoelen verwoord. Enerzijds wijst de predikant erop dat het bijzonder is dat ‘in een tijd van polarisatie deze twee kerkverbanden elkaar na de scheuring in 1967 weer hebben weten te vinden’. Anderzijds zijn er een aantal verontruste kerken binnen de GKV die zich genoodzaakt hebben gezien om een tijdelijk kerkverband te vormen. Maar fundamenteler voor Van der Staaij is dat ‘wie de bezwaren tegen de fusiekerk op zich laat inwerken, beseft dat het maar niet om wat bijkomstige zaken gaat, maar om fundamentele zaken die Schrift, belijdenis en kerkorde betreffen’.2

Bezwaren

Welke bezwaren? De predikant somt ze in zijn artikel op. Degenen die raakvlakken hebben met de besproken thema’s op de website Fundamentum werk ik uit, de kerkordelijke zaken, de belijdenis en de ambtsstructuur laat ik aan de genoemde kerken.

  1. De manier van Bijbellezen én Bijbeluitleg. Van der Staaij wijst naar de woorden van emerituspredikant ds. H. Room, GKV, die aangeeft dat de ontwikkelingen in zijn (voormalige) kerkverband hard gaan. Een nieuwe omgang met de Schriften zou ingang hebben gevonden bij d e voorgangers en gemeenten. Hierbij functioneert de Bijbel nog wel als Bron, maar niet meer als dé Norm. “Ook wordt niet langer gestreefd naar eenheid van exegese, maar wordt geaccepteerd dat de Bijbel over één thema twee verschillende en zelfs met elkaar onverenigbare dingen zegt, waarbij de individuele gelovige de uitleg mag kiezen die hem het meest aanspreekt.” Volgens ds. Van der Staaij biedt deze manier van het Schriftverstaan opening aan Schriftkritiek.
  2. Vrouwen in het ambt.
  3. Kinderen en praktiserende homoseksuelen aan het Heilig Avondmaal.
  4. Lossere binding aan de belijdenisgeschriften.
  5. Minder waarde aan kerk en kerkverband.
  6. Een veranderende visie op gender. Van der Staaij noemt hierbij twee voorbeelden. Het eerste voorbeeld betreft het boek Verbonden voor het Leven van prof. dr. Ad de Bruijne. Hij acht ‘het Bijbelse verbod op homoseksuele praxis niet van toepassing (…) op de homoseksuele identiteit zoals wij die kennen’.3 Het tweede voorbeeld betreft het boek Vuur dat nooit dooft van prof. dr. René Erwich en NeGK-predikant dr. Almatine Leene. Hierin wordt ruimte geboden ‘aan het moderne denken over seksualiteit en gender’.4
  7. Diversiteit aan levensopvattingen.

Onoverbrugbaar?

De predikant stelt de vraag of er een onoverbrugbare kloof tussen de nieuwe Nederlandse Gereformeerde Kerken en de CGK. Hij erkent dat er sommige CGK-gemeenten positief staan tegenover de nieuwgevormde kerk en hun beginselen. Er zullen ook verschillende CGK-individuen ronduit positief zijn over de verandering in de bovenstaande punten.5 Van der Staaij vraagt zich af of deze gemeenten en individuen ook aandacht zullen vragen voor deze ruimte en ‘die ruimte koste wat het kost bevechten binnen onze kerken met alle vreselijke gevolgen van dien’ of ‘zich aansluiten bij de nieuwe fusiekerk waar die ruimte er nu al is?’ Het lijkt erop dat de laatste optie de voorkeur van de predikant heeft. Ten slotte wijst de predikant op het gebed in Klaagliederen 5: “HEERE, bekeer ons tot U, zo zullen wij bekeerd zijn; vernieuw onze dagen als vanouds.”

Waarde klassiek-gereformeerde hermeneutiek

In het tiende nummer van Bewaar het Pand wijst ds. Van der Staaij, los van het bovengenoemde eenwordingsartikel, ook op de waarde van de belijdenis en de klassiek-gereformeerde hermeneutiek. Hij verwijst daarbij naar de verklaring van gevoelen.6We kunnen anno 2023 niet genoeg de waarde van de klassiek-gereformeerde hermeneutiek benadrukken.” Waar deze klassiek-gereformeerde hermeneutiek gerelativeerd wordt ziet de predikant verschuivingen optreden. “Het gevolg: veranderende visies op schepping en evolutie, huwelijk en gezin, gender en man-vrouwverhoudingen.”7

Voetnoten

‘Het Woord in geding’ – Een belangrijke publicatie over de uitleg van de Bijbel

Decennia lang viel buitenstaanders een aantal zaken bij de Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt op. Dat was dat men onverkort vasthield aan het gezag van de Schrift en de gereformeerde belijdenis zonder reserve aanvaardde, maar ook het feit dat zij weinig ernst leken te maken met de noties van tweeërlei kinderen van het verbond en zelfonderzoek en zichzelf exclusief als de ware kerk zag. De praktijk was zeker als het gaat om het laatste punt altijd wat gevarieerder dan dit massieve imago.

Zeker is dat de Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt in een stroomversnelling zijn geraakt. Dat men zijn exclusieve houding opgaf is winst, maar verdrietig is dat het gezag van de Schrift ter discussie wordt gesteld en de binding aan de belijdenis veel minder strak is geworden. Dit jaar hoopt men samen met de Nederlandse Gereformeerde Kerken een nieuw kerkverband te vormen. De kerkorde die voorligt, weerspiegelt de veranderingen. Inmiddels zijn alle ambten voor de vrouw opengesteld en in de praktijk is in meerdere gemeenten al langer ruimte voor homoseksuele relaties. Er klinken ook stemmen om evenals in de PKN het kerkordelijk mogelijk te maken deze relaties een kerkelijke zegen te geven.

De snelheid van de veranderingen verbaasd menigeen. Inmiddels zijn er twee kleine kerkverbanden ontstaan voortkomend uit de Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt die vast willen houden aan het gezag van de Schrift en die de gereformeerde belijdenis niet ter discussie willen stellen. Individueel stapten leden van de Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt over naar de Christelijke Gereformeerde Kerken, de Protestantse Kerk in Nederland en in een enkel geval ook naar de Hersteld Hervormde Kerk. Voor hen die tot dusver binnen de Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt bleven maar zich niet konden verenigen met de verschuivingen is de vraag wat men moet doen bij de aanstaande kerkfusie. Duidelijk is nu al dat een aantal gemeenten in hun geheel of vrijwel in hun geheel zullen afhaken.

Binnen de Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt is al een aantal jaren de Kerngroep bezinning GKV actief. Die wil leden van de Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt toerusting bieden en leiding geven aan hen die zich bezwaard voelen over de koers die hun kerkverband gaat. Vanuit deze kerngroep verscheen een publicatie over de omgang met de Schrift ook in verband met de gereformeerde belijdenis. Men gaf het de titel mee Het Woord in geding. De bijdragen aan dit boek groeperen zich rond drie thema’s: omgang met de Schrift, Schrift en belijdenis en Schrift en kerkorde. Het boek confronteert de lezer met de snelle ontwikkelingen in de Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt. In al deze ontwikkelingen blijkt het Woord in geding te zijn. De auteurs van dit boek tonen dat op tal van punten aan. Daarbij staat het commissierapport Elkaar van harte dienen (EVHD) dat gediend heeft op de GKV-synode van Goes, centraal.

Waarom deze verschuivingen ook anderen aangaan

Nu kan men de vraag stellen wat zij die niet tot de Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt behoren met deze publicatie moeten. Daarop kan allereerst al geantwoord worden dat wie denkt vanuit de Kerk van Christus altijd verder kijkt dan eigen kring. Ontwikkelingen elders die afvoeren van het Woord van God moeten ons ter harte gaan en verdriet doen. Daarbij komt dat de zaken die nu spelen in de Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt ook elders spelen. In meerdere gemeenten die zich rekenen tot de Gereformeerde Bond binnen de PKN is de vrouw in het ambt ingevoerd en is er ruimte voor homoseksuele relaties. Dat geldt ook voor de Christelijke Gereformeerde Kerken al handelen gemeenten daar dan wel in strijd met besluiten van eigen synode.

Op het grondvlak ademen leden van alle kerken binnen de gereformeerde gezindte geestelijk gezien een bepaalde lucht in. Die lucht is dat God ons aanvaardt zoals we zijn. We moeten de ander geen beperkingen opleggen. Ieder heeft de vrijheid de Schrift op zijn of haar manier te lezen. Daarbij moeten wij met elkaar in gesprek blijven zonder het verstaan van de Schrift door de ander te veroordelen. Bij deze denkwijze blijft er van het feitelijke gezag van de Schrift weinig over en is er geen grond meer de ander en ook onszelf tot de noodzaak van terugkeer tot God en vernieuwing van het denken op te roepen. Er is immers geen vaste norm.

Ook voor hen die niet tot de Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt behoren en zich afvragen hoe wij moeten omgaan met nieuwe hermeneutische inzichten waarbij een andere wijze van omgang met de Schrift wordt bepleit, is dan ook kennisname met Het Woord in geding nuttig. Men moet dan door de specifieke context waarbinnen deze publicatie ontstond, heen kijken.

Trouwens van de acht auteurs zijn er twee van buiten de Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt afkomstig en wel prof. dr. H. van de Belt, hoogleraar systematische theologie aan de Vrije Universiteit. Hij is verbonden en behorend bij de Protestantse Kerk in Nederland en dr. G.A. van den Brink, emerituspredikant binnen de Hersteld Hervormde Kerk en docent filosofie en kerkgeschiedenis aan de TUA. Zij schrijven beiden een waardevolle bijdrage.

De Schrift is de laatste en hoogste norm

Het eerste deel van Het Woord in geding is het meest fundamenteel. Hoe lezen we de Schrift? Dit deel opent met een bijdrage van ds. H.J. Room, emerituspredikant binnen de Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt. Hij laat zien dat binnen zijn kerkverband een nieuwe manier van Bijbellezen wordt geijkt, waardoor de Schrift niet meer de bron en norm voor ons nadenken over God en leven met God is. Hij laat zien dat het rapport Elkaar van harte dienen (EVHD) dat door de generale synode van Goes van de Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt werd aanvaard alleen aandacht schenkt aan wat de Schrift zegt over de gelijkheid van man en vrouw, maar niet over het verschil in taak en positie.

Men ziet niet alleen na de zondeval de doorwerking van kwalijke patriarchale verhoudingen maar ook in de eerste Bijbelhoofdstukken waarin de verhouding tussen man en vrouw vóór de zondeval wordt beschreven. Ook wordt aan wat Paulus schrijft over de scheppingsorde geen recht gedaan. Bij de uitleg van 1 Tim. 2:8-15 wordt met een beroep op een hypothetische discussie – een gedachte waartoe de tekst zelf geen enkele aanleiding geeft.

Zijn conclusie is dat in het rapport de Bijbel wordt uitgelegd vanuit het levensgevoel van onze Westerse cultuur, waarin de alles gelijkschakelende gelijkheid de dominante waarde is. In plaats dat het Bijbelse getuigenis als zuurdesem naar de cultuur functioneert, zien we het omgekeerde.

In zijn bijdrage legt dr. H. van de Belt er zeer terecht de vinger bij de Schriftleer en genadeleer met elkaar zijn verbonden. Mij viel op dat Van de Belt positiever spreekt over de Chicago Statement on Hermeneutics en de Chicago Statement on Biblical Inerrancy dan veelal door Nederlandse theologen wordt gedaan. Terecht stelt hij dat in deze verklaringen de orthodoxe Schriftleer in de context van de moderniteit wordt verwoord. Hij legt er ook de vinger bij dat inmiddels onder evangelicals het begrip ‘inerrancy’ vaak behoorlijk wordt opgerekt. Dan blijft er van de oorspronkelijke intentie van de Chicago Statement on Biblical Inerrancy weinig over.

Zelf zou ik nog nadrukkelijker dan Van de Belt dat doet, willen onderstrepen dat de Chicago Statement on Biblical Inerrancy een wezenlijk element van de Schriftvisie van zowel reformatoren als kerkvaders weergeeft, namelijk dat het in de Schrift om waarheid gaat die buiten en los van ons waar is. De Schrift kan de laatste norm van ons geloof zijn, omdat zij een innerlijke eenheid is en eenduidige boodschap heeft. Wie de commentaren van Calvijn leest op de evangeliën en het geschrift van Augustinus De overeenstemming van de evangelisten bemerkt ook hoe wezenlijk voor hen de historische betrouwbaarheid van de Schrift was.

Naar mijn overtuiging willen de Chicago Statements tegenover de zienswijze dat wij de Bijbel niet meer kunnen lezen zoals kerkvaders en reformatoren dat deden, omdat die er ten onrecht van uitgingen dat de Bijbel als geheel een eenduidige boodschap had, onderstrepen dat de Bijbel zelf om een duidelijke en ondubbelzinnige uitleg vraagt.

Het gevaar van orthodoxie niet alleen in onze tijd, maar ook vroeger is altijd dat het dode orthodoxie kan zijn. Dat geldt niet alleen de Schriftleer maar ook de christologie. Dat betekent dat de Schriftleer of de christologie moet worden gerelativeerd, maar wel dat het gaat om orthodoxie van het hart. R.C. Sproul en J.I. Packer hadden beiden een prominente rol in de Chicago Statements. Wie hun geschriften leest, hebben bemerkt dat het bij hen echt om orthodoxie van het hart gaat en dat zij niet minder dan de reformatoren in de zestiende eeuw de Schriftleer en de genadeleer met elkaar hebben verbonden. Zaak is wel om er steeds voor te waken dat het gezag van de Schrift niet los van haar boodschap en bedoeling wordt verdedigd en beleden. De Schrift is gegeven om ons wijs te maken tot zaligheid.

Terecht wijst Van de Belt erop dat uit de taalwetenschap afkomstige speech-act-theory handzaam kan zijn om de vaste betekenis en het blijvende gezag van de Schrift duidelijk te maken. Zelf heb ik er zo gebruik van gemaakt in de module hermeneutiek die ik als docent gaf. Wanneer de speech-act-theory gebruikt wordt om het gezag van de Schrift te relativeren, is er sprake van een bepaalde toepassing ervan waarbij alleen de perlocutie of performatieve kracht van de taaldaad direct aan de inspiratie wordt verbonden, maar locutie (de woorden als zodanig) en illocutie (de betekenis van de woorden) als cultuurbepaald en tijdgebonden worden gezien. Een voorbeeld van dit gebruik van de speech-act-theory vinden we bij de oudtestamenticus John H. Walton.

Belangrijk is de conclusie waarmee Van de Belt zijn bijdrage beëindigt. Ongetwijfeld moeten wij kritisch zijn over ons eigen verstaan van de Bijbel. Echter het feit dat ieder de Bijbel op een bepaalde wijze verstaat, mag niet het uitgangspunt zijn. De norm van de leiding door Gods Geest is altijd het door de Geest geademde Woord van God.

De betekenis van de vrijheid van de exegese

Dr. G.A. van den Brink gaat in zijn bijdrage in op de wijze waarop de notie van de vrijheid van exegese in EVHD functioneert. Hij laat zien dat voor de Reformatie betekent dat de Schrift haar eigen uitlegster is. Het is niet zo dat de kerk bepaalt hoe de Schrift moet worden gelezen. In EVHD wordt het echter zo ingevuld dat het gaat om exegese die vrij is van bepaaldheid en beslistheid. Nieuwe situaties vragen om een nieuwe exegese.

Van den Brink legt de vinger bij de doorwerking van het gedachtegoed van Hans-Georg Gadamer in EVHD. Bij Gadamer vervalt het onderscheid tussen uitleg en toepassing en is de toepassing onderdeel van de uitleg. Van den Brink laat zien dat Gadamer en EVHD ten onrechte de Reformatie voor deze visie claimen. Voor de Reformatie is de uitleg vast en de toepassing veranderlijk.

De nieuwe visie op de uitleg van de Schrift heeft, zo laat Van den Brink zien, ook gevolgen voor de plaats en functie van de gereformeerde belijdenis. Als de Schrift geen vaste betekenis heeft, vervalt de mogelijkheid om de zaligmakende leer in belijdenisgeschriften vast te leggen. In verband hiermee zou ik willen toevoegen dat binnen de kerken van de Reformatie vrijheid van exegese ook betekent dat verschil in uitleg van concrete teksten niet bezwaarlijk is binnen de grenzen van de aangenomen belijdenis.

Men kan bijvoorbeeld voor woorden dat het koninkrijk der hemelen geweld wordt aangedaan (Mat. 11:12) zowel argumenten voor een positieve als negatieve betekenis aanvoeren. Positief opgevat betekent het dat men strijd om het koninkrijk der hemelen binnen te gaan. Negatief verstaan wil het zeggen dat gepoogd wordt de komst van het koninkrijk te verhinderen. Deze twee opvattingen kunnen niet met elkaar worden verbonden, maar zij vallen wel binnen de vrijheid van de exegese. Noch voor de leerstellige boodschap noch voor de levenspraktijk maakt het uit welke exegese wij volgen.
Heel belangrijk is de constatering van Van den Brink dat in EVHD het materiële Schriftgezag niet aan de orde komt. Er wordt niet verwoord wat wij inhoudelijk op grond van de Schrift geloven. Verwijzend naar de bijdrage van Van den Belt constateer ik dat zelfs in EVHD de Schriftleer niet in samenhang met de genadeleer wordt ontvouwd. Terecht zegt Van den Brink dat het bij de betrouwbaarheid en duidelijkheid van de Schrift uiteindelijk gaat om de betrouwbaarheid en duidelijkheid van Gods beloften.

Dr. R. te Velde, universitair hoofddocent systematische theologie aan de Theologische Universiteit Kampen/Utrecht, gaat in zijn bijdrage, die wij vinden in het tweede deel van Het Woord in geding, in op de artikelen 3 t/m 7 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis. Hij brengt naar voren dat wij bij verschil van inzicht bereid moeten zijn ons door het Woord van God als hoogste gezagsinstantie te laten gezeggen. Die bereidheid staat binnen de Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt onder druk. Terecht zegt hij dat ethische en praktische vragen niet altijd eenvoudig te beantwoorden zijn en dat het inslaan van verschillende wegen niet direct betekent dat er geen kerkelijke gemeenschap mogelijk is.
Als hij meent dat in principe het toelaten van vrouwelijke ambtsdragers niet kerkscheidend hoeft te zijn, acht ik dit voorbeeld niet erg gelukkig. Immers, dan gaat men expliciet buiten kaders die het Nieuwe Testament hier stelt en ligt daaraan al is het soms onbewust een zienswijze op de Schrift zelf aan ten grondslag die geen recht doet aan haar zelfgetuigenis. Een andere vraag is: hoeveel afwijkingen er van de Schrift kunnen zijn, terwijl iemand toch een ware christen is.

Dr. B. van Egmond, predikant van de Gereformeerde Kerk Vrijgemaakt te Capelle aan de IJssel-Noord, laat zien dat in de nieuwe kerkorde die voor de fusiekerk is opgesteld voor kerkleden en ambtsdragers de band aan de gereformeerde belijdenis losser wordt. Zelf merk ik op dat men feitelijk confessioneel gezien steeds meer terechtkomt in een situatie die overeenkomt met die in de Hervormde Kerk van vóór 2004. Zou men kerkordelijk ruimte gaan creëren voor homoseksuele relaties dan gaat zelfs deze vergelijking niet op. Immers dan komen zij die willen vasthouden aan zondag 32 en 41 van de Heidelbergse Catechismus in een gedoogsituatie. Iets wat nu voor gereformeerde belijders in de PKN het geval is.

Ik ga voorbij aan de bijdragen over de kerkorde. Ik merk op dat zij laten zien dat een kerkorde bedoeld is kerkleden en gemeenten bij de Schrift te bewaren en niet elkaar vrij te laten. Zeer belangrijk acht ik de bijdrage van ds. J. Wesseling, predikant van de Gereformeerde Kerk Vrijgemaakt van Veenendaal-West, aan het eind van het eerste deel van Het Woord in geding. Hij geeft prof. dr. F. van der Pol, oud-hoogleraar kerkgeschiedenis aan de TUK, het woord. Deze kwam vanuit de Gereformeerde Gemeenten naar de Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt over. Inmiddels heeft hij dit kerkverband verlaten en behoort hij nu tot de Gereformeerde Kerken Nederland.

Hij signaleert bij de vrijgemaakten activisme, gebrek aan nederigheid en misplaatst zelfvertrouwen. De eigen beleving en niet de Schrift zelf werd ankergrond. Verdriet deed hem het verdwijnen van de catechismusprediking in de meeste gemeenten. Van de Pol vertelt dat hij zich bij de neergang van de Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt optrok aan de geschriften van Luther. Met name noemt hij diens tafelgesprekken. Ik kan goed begrijpen dat wie terneer gedrukt wordt door ontwikkelingen in het kerkelijke leven, hier voedsel voor zijn ziel vindt.

Het Woord in het geding is een belangrijke publicatie. Iedereen die te maken heeft met verschuivende opvattingen over het gezag van de Schrift, kan ik lezing ervan aanbevelen. Wat mij betreft had datgene wat Van der Pol aanreikt nog nader uitgewerkt mogen worden. Hoe is het mogelijk dat de Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt zo snel zijn gaan verschuiven? Ook toen men nog trouw was aan Schrift en belijdenis was er naar mijn overtuiging toch vaak een houding van activisme en misplaatst zelfvertrouwen. Men was er zeer van overtuigd zelf de ware kerk te zijn met uitsluiting van andere kerken en dan laat ook nu de geschiedenis zien dat hoogmoed voor de val komt.

Weinig aandacht was er voor de kenmerken van de ware christen. Graag had ik gezien dat Van der Pol ook daarover iets had gezegd. Immers wie het beloftewoord mag geloven is een nieuw mens. Die weet van droefheid naar God en vreugde in God. Een kerk hoort mensen hierin ook tot zelfonderzoek op te roepen. Wij kunnen van Luther leren dat de troost van Gods belofte in strijd en aanvechting wordt ervaren. De zekerheid van het geloof was voor Luther altijd een bestreden en aangevochten zekerheid. Gods genade kan alleen genade zijn als het hoe vast die ook is, telkens opnieuw als onverdiend en onvanzelfsprekend wordt gezien. Is dat niet meer het geval, dan moet het ons niet bevreemden dat men tenslotte over de Schrift wil heersen in plaats dat men zich door de Schrift laat regeren.

Mijn diepe wens is dat alom de boodschap van Wet en Evangelie, van zonde en genade mag klinken. Immers in die context wordt concreet het gezag van de Schrift dat zich uitstrekt over alle terreinen van het leven ervaren. Mannen als Luther, Kohlbrugge, de puriteinen – of om nog dichtdichter bij het heden te komen G. Boer – kunnen onder Gods zegen een hulp zijn ons bij deze boodschap te bewaren of terug te brengen.

N.a.v.: P.T. Pel en H.J. Room (red.)., Het Woord in geding, Kerngroep bezinning GKV, 2022, 181 pp. Zie ook: https://oorsprong.info/kerngroep-bezinning-gkv-haakt-vanwege-doorwerking-van-moderne-hermeneutiek-af-zaterdag-19-november-2022-studiedag-voor-verdere-bezinning/.

Deze gastbijdrage is met toestemming overgenomen van de website van dr. P. de Vries. Het originele artikel is hier te vinden.

Praktische toepassingen voor het verstaan van de Schrift – Dr. Piet de Vries sprak op congres ‘Hart voor de Gemeente’ op 2 december 2022

Op 2 december 2022 werd er door ‘Hart voor de Gemeente‘ een congres georganiseerd rondom het thema ‘hermeneutiek’.1 De twee hoofdlezingen zijn opgenomen en hopen we, met dank aan ‘Hart voor de Gemeente‘, op deze website te delen. De eerste lezing was van de theoloog dr. Piet de Vries. Zijn referaat had als titel ‘Praktische toepassingen voor het verstaan van de Schrift‘. Vorige week maandag verscheen de bijdrage van dr. Maarten Klaassen.

Voetnoten

‘Lezen we de Bijbel nu anders dan voorheen?’ – Serie over Schriftgezag en hermeneutiek in ‘Bewaar het Pand’ door drs. J.M.J. Kieviet

Over Schriftgezag en hermeneutiek wordt binnen de Gereformeerde Gezindte ondertussen veel nagedacht. Welk gezag kennen we toe aan de Schrift en welke uitlegregels (hermeneutiek) hanteren we bij deze eeuwenoude teksten. Maar ook: Zijn we de Bijbel anders gaan lezen dan voorheen? Op die vraag richt theoloog en predikant drs. J.M.J. (Jaap) Kieviet zich in een aantal bijdragen in het kerkelijk blad ‘Bewaar het Pand’.

Volgens Kieviet lijkt het erop dat de vorige geslachten de Bijbel verkeerd hebben gelezen: ‘veel te beperkt en te bekrompen’. De 21e eeuwse Bijbellezer zou de Bijbel anders, ja, zelfs beter lezen. Uit de artikelenserie blijkt dat drs. Kieviet dit niet zó ziet. We vatten de artikelen van deze bijbelgetrouwe theoloog en predikant hieronder samen.

Wonder en gezag

Kieviet ziet de Heilige Schrift als een wonder. Dit wonder klinkt ook door in 2 Petrus 1:19. Wat is het wonder? “De heilige God in de hemel heeft het voor Zichzelf echt niet nodig om ons, zondige mensen aan te spreken. (…) En toch zocht hij de gevallen mens op: “Adam, waar zijt gij?” Hij sprak hem aan, en liet hem Zijn Woord horen.” Dit Woord staat haaks op de wijsheid van de seculiere mens en op de godsdienst van de religieuze mens. Dit Woord is voor de Joden een ergernis en voor de Grieken een dwaasheid (1 Korinthe 1). Het Woord van God ontleent Zijn gezag ook niet aan menselijke wijsheid. “Nee, het heeft gezag in zichzelf, omdat het van Goddelijke oorsprong en inhoud is.” Kuitert dwaalde toen hij zei dat alle spreken over boven van beneden komt. Al vanaf het begin van de christelijke jaartelling heeft de kerk de Bijbel erkend als het gezaghebbende en betrouwbare Woord van God. Dit resoneert ook in de Nederlandse Geloofsbelijdenis artikel 5, waar Kieviet naar verwijst. We mogen het gezag van Gods Woord niet aantasten. De Christelijke Gereformeerde predikant verwijst naar Openbaring 22:18-19. Hij geeft aan dat dit niet alleen van toepassing is op het laatste Bijbelboek, maar ‘op heel de openbaring van God’.

Waartoe?

Waartoe heeft de Heere Zijn Woord gegeven. Dat staat aan het einde van het evangelie van Johannes: ‘opdat gij gelooft, dat Jezus is de Christus, de Zoon van God’ e.v. “De Heere wil er Zijn Woord als middel voor gebruiken om het waarachtige geloof te werken in het hart. Zonder dat geloof kunnen we Gode niet behagen.” Uiteraard kunnen er allerlei twijfels zijn in het leven van Gods kinderen. “Maar aan één ding hoeven ze niet te twijfelen. Aan de waarachtigheid en betrouwbaarheid van het Woord van God.” De Heilige Geest ‘bevestigt in het hart dat het God is die door het Woord spreekt. Een zondig mens mag zich waarlijk toevertrouwen aan de waarheid van het Woord van God’. Wie op het Woord van God staat die staat op een ‘vast en zeker fundament’. We hoeven, maar ook we mogen, niet twijfelen aan Gods Woord. “Want dat is ontkennen dat God waarachtig is”. Aan het slot van dit artikel haalt Kieviet met instemming het boek ‘Een stem uit de hemel’ van prof. dr. Mart-Jan Paul en prof. dr. Jan Hoek aan.1 Het Woord heeft niet alleen een geestelijke betekenis, maar we moeten ook pleiten voor een hartelijke aanvaarding van de historiciteit van de bijbelverhalen. Het zijn immers geen kunstig verdichte fabelen.2

Historiciteit

In zijn tweede artikel stelt Kieviet de vraag waarom we anno 2023 zouden moeten twijfelen aan de historiciteit van de gebeurtenissen en aan het verplichtende karakter van de bijbelse geboden? Het Woord van God is ontstaan in een tijdsbestek van eeuwen. “Toch luidt bijvoorbeeld de grondwet van het huwelijk, door de Heere aan Adam en zijn vrouw gegeven (Gen. 2:24), exact gelijk aan wat zowel de Heere Jezus (Matth. 19:5-6) als de apostel Paulus (Efeze 5:31) daarvan zeggen.” Er heeft in al die eeuwen geen enkele wijziging opgetreden. Dat geldt ook voor de historiciteit van de geschiedenissen van Noach, Lot en Jona. De Heere Jezus, de grote Profeet en Leraar van Zijn Kerk presenteerde ‘de zondvloed, de verwoesting van Sodom en de wonderlijke weg van de profeet (…) als echt en waar gebeurd’. Hij doet dat op zulk een wijze ‘dat uit alles blijkt dat ook Hij, de Alwetende, deze verhalen erkent als de betrouwbare weergave van feiten in de geschiedenis van de wereld en van Israël’.3

Schepping

Kieviet haalt ook de schepping aan. “In de wet der tien geboden is het de Heere Zelf die het volk bij de Sinaï nog eens zegt dat Hij ‘in zes dagen’ de hemel en de aarde heeft gemaakt, en al wat daarin is. De schrijver van de brief aan de Hebreeën legt er de nadruk op ‘dat de wereld door het Woord van God is toebereid, alzo dat de dingen die men ziet, niet geworden zijn uit dingen die gezien worden’. Ook wat voor het verstand niet te doorgronden is en wat strijdt met de wetten van de natuur, erkent Gods kerk toch als waar, omdat ze het ons gegeven Woord van God waarachtig en betrouwbaar acht. Zo klinkt het door heel de Bijbel heen. Ondanks verschillen van tijd en cultuur.” De theoloog en predikant ziet de schepping als ‘een feitelijk, historisch gebeuren aan het begin van de wereldtijd (zoals we dat immers lezen in Genesis 1 en 2’.4

Anders lezen

Maar veel mensen in de tegenwoordige tijd, ook in de Gereformeerde Gezindte, lezen dit scheppingsverhaal anders dan voorheen. Dat geldt ook voor het seksueel samenleven van mensen van hetzelfde geslacht en ook voor de kerkelijke ambten. Ook binnen de Christelijke Gereformeerde Kerken, waartoe Kieviet als predikant behoort, wordt ‘de Bijbel inderdaad anders’ gelezen ‘dan zoals we dat voorheen deden’. Kieviet spitst het een en ander toe op een drietal thema’s. In het tweede artikel werkt hij het eerste thema kort uit: homoseksualiteit. Op de generale synode van de CGK in 2013 werd enerzijds met (pastorale) bewogenheid erkend dat mensen met een homoseksuele gerichtheid dezelfde positie hebben als de andere leden van de gemeente. Anderzijds werden seksuele relaties tussen mensen van hetzelfde geslacht, op grond van Gods Woord, afgewezen. Maar er zijn binnen de CGK ook andere geluiden te horen. “Zelfs vierde men in één van onze gemeenten in de loop van het vorige jaar de ‘regenboogzondag’ met de regenboogvlag prominent aanwezig in de kerkzaal.” Ook worden mensen met homoseksuele relaties toegelaten aan de avondmaalstafel. Maar hoe zit het dan met het Woord? Kieviet wijst op een boekje van dr. B. Loonstra: “Liefde bewijzen is nu de inhoud van de geboden. De geboden waarin het verband van de liefde niet is aan te wijzen, zijn dus nu niet meer van kracht.5 Dat is het moderne motto van Loonstra, de geboden worden zo antropocentrisch. Wat de mens ziet als liefdevol (gevoel) is juist, wat de mens niet (meer) ziet als liefdevol is onjuist. De discussie wordt zo semantisch, want wat is ‘liefdevol’? Lezen we de Bijbel in 2023 anders? Kieviet besluit zijn tweede artikel met: “We moeten constateren: daar lijkt het inderdaad op.6

Sluipenderwijze acceptatie in kerken van LHBTI-praxis

In de derde bijdrage geeft ds. Kieviet aan dat het er inderdaad op lijkt dat we de Bijbel anders lezen dan voorheen. In sommige kerken wordt aangegeven dat praktiserende homoseksualiteit geen bezwaar hoeft te zijn. De predikant geeft echter aan dat het ‘in duidelijke strijd’ is ‘met het spreken van het Woord van God’. Deze wet verdwijnt in de praktijk echter achter de liefde. ‘Ze hebben elkaar lief, en hebben elkaar trouw beloofd…Daar gaat het toch om?’ De mens bepaalt ‘in zijn vermeende autonomie wat toelaatbaar zou zijn in het licht van de wet van God’. Lezen we op dit punt de Bijbel anders? ‘Kennelijk wel.

De predikant verwijst in het derde deel naar een bijdrage van dr. Kevin DeYoung. Hij schrijft in zijn blog dat de acceptatie van LHBTI-praxis, ondanks Gods geboden, in kerken sluipenderwijs gaat. “Hij signaleerde dat veel kerken in de loop van de tijd praktijken gingen toestaan die voorheen ondenkbaar waren. Dat gebeurt doorgaans niet in een snelle sprongsgewijze beweging, maar langzaam en sluipenderwijs.” Vervolgens vat Kieviet het artikel van deze theoloog samen. In de navolgende voetnoot is het originele artikel te vinden.7Op deze wijze buigt de kerk voor het inclusieve denken. Met een beroep op vrijheid en gelijkheid komt de heilige wet van de Heere op verre afstand te staan. Aan het eind van deze ontwikkeling moet geconstateerd worden dat het zich allemaal bijna ongemerkt en sluipenderwijs voltrok. Het ging en gaat hoe dan ook één richting op.” Kieviet constateert ook dat kerkenraden en gemeenten die dit pad eenmaal hebben ingeslagen zelden of nooit hiervan terugkeren. Ook komt een dergelijke afwijking in de praktijk van het leven zelden alleen. “Ze gaat onmiskenbaar gepaard met een uitholling van de leer en een vervlakking van de prediking. En hoe zal het dan met het ware geloof en de waarachtige bekering gesteld zijn?8

Een ramp

In het vierde deel geeft ds. J.M.J. Kieviet aan dat er binnen de CGK een omslag te constateren valt. “Wat voorheen ondenkbaar was, wordt anno 2023 gepraktiseerd en kennelijk gelegaliseerd. De conclusie dienaangaande moet zijn dat de Schriften anders geïnterpreteerd worden dan voorheen.” Het eerste thema (LHBTIQ+) heeft Kieviet in het vorige artikel behandeld. Bij het tweede thema (vrouw in het ambt) wil de predikant niet te lang stilstaan, omdat over deze kwestie al heel veel geschreven is in Bewaar het Pand en elders. Hij verwijst nog wel naar een artikel van ds. W.L. van der Staaij in het blad. Het derde thema gaat over het Schriftgeloof aangaande de schepping.

De predikant begint zijn drie alinea’s met een verwijzing naar het boek van systematisch theoloog prof. dr. Gijsbert van den Brink, En de aarde bracht voort. Kieviet noemt het boek op zichzelf beschouwd ‘een moedig boek’. De conclusie van het boek is dat (erkenning van) de evolutiegedachte kan samengaan met een orthodoxe visie op de Schrift. Kieviet vindt dat er nogal wat moet worden ingeleverd: “Zo is deze visie van Van den Brink niet te verenigen met de erkenning van een staat der rechtheid van de mens in het paradijs. En ook de zondeval van de mens kan niet meer als feitelijk, ofwel historisch, erkend worden. Het kwaad en de dood zou er al vanaf het oerbegin zijn.” De predikant ziet het boek Oorspronkelijk van oudtestamenticus prof. dr. Mart-Jan Paul als ‘moedig (…) weerwoord’.9

Er waren tijdens de boekpresentatie ook enkele CGK’ers (‘vertegenwoordigers van onze kerken’) aanwezig. “Wat zij naar voren brachten was niet in alles eenduidig. Maar het was wel van een zodanige inhoud, dat er gezamenlijk afstand werd genomen van wat aangaande schepping en evolutie vanouds onder ons aanvaard is. De traditionele opvatting is kennelijk niet meer houdbaar.” Kieviet citeert een CGK’er die in Kontekstueel aangaf dat hij met Van den Brink de plausibiliteit van de evolutietheorie op het punt van de hoge ouderdom van de aarde en het geleidelijk ontstaan van de biodiversiteit op aarde wil aanvaarden. De genoemde scribent geen dwingende Bijbelse argumenten om een jonge aarde te postuleren.10 Kieviet geeft aan dat er reden toe is om hier verschrikt van op te kijken. De predikant verwijst in dit vierde deel ook naar het boek van bioloog, filosoof en theoloog prof. dr. Willem J. Ouweneel, Adam, waar ben je? Volgens Ouweneel is het onmogelijk om vast te houden aan de menselijke evolutie en tegelijkertijd recht te doen aan het spreken van de Schrift over schepping en zondeval.11 Ook wordt filosoof prof. dr. Marc de Vries geciteerd. De Vries geeft aan dat deze manier (theïstisch evolutionistische) van lezen een ramp is!12Het is mijn vaste overtuiging dat we op deze wijze niet alleen een Bijbelse visie op de mens en op de zonde verliezen, maar uiteindelijk ook op de Schrift, op het heil en op Christus Zelf.”, zo citeert Kieviet de filosoof.13

Op drift

Het vijfde deel van deze serie wordt door drs. J.M.J. Kieviet gestart met een verwijzing naar het openingswoord van het boekje Lezen en laten lezen: Gelovig omgaan met de Bijbel van systematisch theoloog dr. Arnold Huijgen. Huijgen noemt in zijn openingswoord de drie onderwerpen die Kieviet ook bespreekt. Waarom wordt hier zoveel over geschreven? “Omdat visie en praktijk hieromtrent in kerkelijk Nederland op drift zijn. In ieder geval een benadering tonen, afwijkend van de manier waarop het Woord van God in de kerken van gereformeerd belijden gelezen werd.

De afgelopen jaren zijn er veel boeken verschenen die een verschuiving in Schriftvisie laten zien. Kieviet noemt bijvoorbeeld de boeken van dr. Bert Loonstra en dr. Gijsbert van den Brink. De predikant noemt ook het boekje Oer van dr. Van den Brink samen met Corien Oranje en dr. Cees Dekker. “Helaas staat de inhoud van dit populaire boekje haaks op het heldere scheppingsverhaal zoals we dat lezen in Genesis 1 en 2.” De zogenoemde NBV21 Wetenschapsbijbel14 kan ook niet op de instemming van de theoloog rekenen. “Ook hier heerst op veel bladzijden de wetenschap over de Bijbel als het Woord van God.15 In al deze boeken ziet Kieviet een positief antwoord op zijn vraag of we de Bijbel anders lezen dan voorheen.16

Lezen en laten lezen

Het sluitstuk van het vijfde deel gaat in op het in de opening genoemde boek van dr. Huijgen. Kieviet ziet dat dit boekje goed past bij de hoofdvraag van zijn artikelenserie: Lezen we de Bijbel nu anders dan voorheen? Waarom is dit een belangrijk boek om te bevragen? “Ongetwijfeld zal dit boek de afgelopen jaren ook gebruikt zijn als college- en tentamenstof voor de studenten aan de TUA. Op welk spoor heeft het de jonge theologen, onder wie de aanstaande dienaren van het Woord, gezet? Heeft professor Huijgen als leraar der kerk zijn studenten door middel van de gereformeerde Schriftbeschouwing geleid? Of was het een tikje anders soms? Temidden van de ‘zinderende thema’s’ toch wel een brandende vraag.” Kieviet start zijn onderzoek naar het boek van prof. Huijgen positief. Hij noemt de inzet van het boek ronduit herkenbaar en sympathiek.17 Uit de publicatie wordt duidelijk waar het de systematisch theoloog ten diepste om te doen is. “Het pleidooi van de schrijver is dus een warm bevindelijk omgaan met de heilige Schrift. Geen kille en afstandelijke analyse dus van het heilig Woord van de Heere. Maar ‘Gods verboren omgang’, namelijk door de zielen waar Zijn vrees in woont.” De predikant geeft aan dat deze inzet verwachting schept en hoopt daar in het vervolg van deze serie nog verder op in te gaan. 18

Een kleine hermeneutiek

In het zesde deel gaat ds. Kieviet verder met het boek Lezen en laten lezen. Dr. Huijgen presenteerde zijn studie enkele jaren geleden als ‘een kleine hermeneutiek’. Hij wilde met zijn boek geen theoretische uiteenzetting bieden, maar vooral zoeken naar een antwoord op de vraag wat we in een wereld als die van vandaag moeten beginnen met de Bijbel. In het zesde deel wil Kieviet iets weergeven van deze studie zonder nadrukkelijk commentaar van zijn kant. Uit zijn boek blijkt dat Huijgen afstand neemt van de in zijn ogen al te rationele benadering. Een standpunt over homoseksualiteit bijvoorbeeld is volgens hem niet rechtstreeks uit de Schrift te ontlenen. Ook hekelt de tegenwoordige hoogleraar dogmatiek aan de PTHU de gedachtengang van creationisten, namelijk dat als de Bijbel niet op het punt van de schepping, de zondeval, de stilstaande zon en Jona de waarheid spreekt de vraag oprijst wat er in de Schrift dan wél waar is. Volgens Huijgen is niet alles in de Schrift van gelijk gewicht. We moeten daarnaast ons eigen waarheidsbegrip niet opleggen aan de Schrift. Een goede luisterhouding, naar de Schrift, is nodig. Het heilsfeit van de opstanding vormt voor Huijgen daarop een uitzondering, deze is zó fundamenteel dat we daar niet aan mogen tornen. Om een genuanceerd en eerlijk beeld te vormen van dit boek is het overigens beter om het boek zelf ter hand te nemen.19

Postmoderne relativering of orthodoxe objectivering?

In het zevende deel gaat dominee J.M.J. Kieviet verder met het boek van systematisch theoloog dr. A. Huijgen. Hij richt zich nog steeds op de vraag of we de Bijbel nu anders dan voorheen lezen. Dit keer geeft hij ook wat commentaar bij het boek van Huijgen. Voor Huijgen is bevinding óók belangrijk. “Weten en kennen, dat doe je uit ervaring. Heb je die ervaring niet, dan weet je het ook niet.” Hier gaat het om waarheid in het binnenste. Huijgen komt daardoor al snel bij wat het niet is: de rationalisering van de Bijbel. Dit zijn volgens de hoogleraar dogmatiek die ‘pogingen om de waarheid van de Bijbel met rationele, soms natuurwetenschappelijke argumenten te ondersteunen of zelfs te bewijzen’. Huijgen reageert hier op mensen voor wie de ‘feiten die in de Bijbel beschreven zijn, ook werkelijk historische feiten zijn’. Dan gaat het om de eerste hoofdstukken van Genesis, maar ook over nog veel meer.

Kieviet mist in dit boek pijnlijk ‘begrip en invoelingsvermogen met hen die beducht zijn voor het aantasten van het gezag van de Heilige Schrift’. Want dat laatste ziet Kieviet gebeuren juist in kerken die zich ooit gereformeerd noemden. “Zien we niet in grote delen van wat ooit de gereformeerde gezindte was een relatievering van het gezaghebbend spreken van de heilige Schrift? Vroegere bolwerken van gereformeerde orthodoxie zijn tot niets geworden. Men kent en vindt haar standplaats zelfs niet meer… Het zijn toch de minste christenen niet die zich de traditionele opvatting van de schepping en van de wonderen in de Bijbel niet zomaar willen laten afpakken?” In zijn boek noemt Huijgen de vraag of de opstanding van Christus een historisch feit is een teken van armoede. Deze vraag zou dan een bedenkelijke test zijn of de ander wel op de graad is. Kievit geeft aan dit echt niet te begrijpen. De predikant vraagt zich af of kerken werkelijk te gronde gaan aan een té hoge opvatting van de Schrift. “Verliest de kerk haar kracht van overtuiging en werving niet juist aan een steeds láger wordende opvatting over de Schriften? Namelijk wanneer een postmoderne relativeringsdrang wordt toegelaten in onze waardering van de Heilige Schrift. Ligt niet eerder daar het front?” Hij citeert daarna theoloog dr. W. van Vlastuin: “Een postmoderne relativering zou wel eens schadelijker kunnen zijn dan een orthodoxe objectivering.

Kieviet erkent ten slotte dat de heilsfeiten meer zijn dan slechts feitelijk historisch. “De geestelijke waarde ervan wordt slechts gekend door het geloof. Maar tegelijkertijd zijn ze wel degelijk dateerbaar historisch. Met deze centrale belijdenis staat of valt de christelijke belijdenis.” In zijn boek geeft Huijgen aan dat de bijbelschrijvers minder en anders geïnteresseerd in wat zij historisch noemen. Kieviet vraagt zich af of dat zo is. Volgens hem is bijvoorbeeld de uittocht uit Egypte ‘in het bewustzijn van Israël absoluut een historisch feit’. Dat zien we door het uitgebreid verwijzen naar deze gebeurtenis door profeten, psalmisten en apostelen. Verwijzend naar Jesaja 54 ziet Kieviet dat ook voor wat betreft de zondvloed.20Als het ene niet feitelijk waar was, zal dan het andere wel feitelijk waar worden? Ik bedenk met schrik: dan is de prediking ijdel, dan is ook ijdel mijn geloof.” Een dode jongen weer levend, water in wijn veranderen, op het water lopen is, in onze ongelovige ogen, toch even absurd als een stilstaande zon of Jona in de vis?21 Ten slotte stelt Kieviet de aloude vraag: Waar blijven we?22

Wordt vervolgd. Het veertiende nummer van dit jaargang waar het slotdeel in staat verschijnt op 10 augustus 2023 D.V.

Voetnoten