Home » Evolutietheorie

Categoriearchief: Evolutietheorie

NBV21 Wetenschapsbijbel met, qua oergeschiedenis, focus op theïstische evolutie en ‘Ancient Near East’-mythologie – Bespreking ‘NBV21 Wetenschapsbijbel’

De Bijbel is een oud boek – of eigenlijk een hele verzameling oude boeken – afkomstig uit lang vervlogen antieke culturen. Kan de Bijbel nog wel betekenis hebben voor hedendaagse lezers? Dat is een reële vraag. Toch beantwoorden talloos veel mensen die vraag volmondig met ‘ja’. Want hoeveel er ook verandert in de wereld om ons heen en in de manier waarop we die wereld interpreteren, sommige dingen zijn van alle tijden. Mensen zoeken bijvoorbeeld in alle tijden naar zin en betekenis, naar hun plek in de wereld. En velen vinden daarbij houvast in de Bijbelse boodschap. Bovendien: de God van wie de Bijbel getuigt blijft volgens diezelfde Bijbel door alle eeuwen heen dezelfde [sic], trouw aan zichzelf [sic] en zijn [sic] schepping.1

Zo begint de inleiding van de zogenoemde NBV21 Wetenschapsbijbel. Overigens zou ik persoonlijk de volgorde omdraaien. Eerst God en Zijn Woord en dan pas de betekenisverlening door mensen. God en Zijn Woord blijven door de eeuwen heen onveranderlijk, wij mensen zijn zo veranderlijk als het weer. Maar de toon is gezet: de Bijbel is waardevol, ook in deze door Verlichting en Romantiek gestempelde tijd.2

Zucht

Toen deze NBV21 Wetenschapsbijbel aangekondigd werd moest ik toch wel even slikken. Ik dacht: is dit de zoveelste strategische zet van mensen die neigen naar theïstische evolutie? Niet dat alle auteurs van de bijdragen neigen naar theïstische evolutie, maar wel dat de meeste bijdragen die raakvlakken hebben met onze vroegste geschiedenis geschreven zijn door theïstisch evolutionisten, of door geleerden die in ieder geval geen moeite hebben met Universele Gemeenschappelijke Afstamming of die op z’n minst afwijzend staan tegenover het klassieke scheppingsgeloof.3 Ik kreeg van enkele medecreationisten de vraag wat wij vanuit het klassieke scheppingsgeloof tegenover deze NBV21 Wetenschapsbijbel (gaan) zetten.4 De beantwoording van deze vraag is niet zo moeilijk: niets, want er is al heel veel. In ieder geval de (bevindelijk-)gereformeerden onder deze creationisten hebben al eeuwen voorsprong. Eén van de bekendste Bijbel met kanttekeningen waarin het klassieke scheppingsgeloof wordt voorgestaan, is de Kanttekeningen bij de Statenvertaling die in 1637 verschenen. Deze kanttekeningen waren zo grondig dat er zelfs een Engelse (1657), Duitse (1665) en Franse (1669) vertaling van werd gemaakt.5 Een meer recente uitgave is de Bijbel met Uitleg die in 2015 verscheen.6 In deze Bijbel met Uitleg zien we een uitleg die volledig aansluit bij het klassieke scheppingsgeloof.7 De Bijbel met Uitleg wordt in veel reformatorische gezinnen gebruikt en ik weet van diverse mensen met een hervormde of evangelische inslag dat ze deze Bijbel met Uitleg ook waarderen. In dat opzicht lopen theïstisch evolutionisten in Nederland erg achter in het samenstellen van een Bijbel met kanttekeningen. Maar sinds dit jaar bestaat er nu dus een NBV21 Wetenschapsbijbel waarbinnen, als het gaat om onze vroegste geschiedenis, vooral de focus ligt op theïstisch evolutionisme en Ancient Near East-mythologie.

Theïstisch evolutionistische oorsprongslijn met focus op Ancient Near East-mythologie

Dat de bijdragen die raakvlakken hebben met de natuurwetenschappen een theïstische evolutionistische insteek zouden krijgen, lag in de lijn der verwachting. Systematisch theoloog prof. dr. Gijsbert van den Brink, die overigens sympathiek is in omgang, was één van de kartrekkers van de NBV21 Wetenschapsbijbel. Deze geleerde is een van de meest productieve verdedigers van het theïstische evolutionisme in Nederland en gaat erg strategisch te werk. Prof. dr. Van den Brink was betrokken bij de opleving van Intelligent Design (ID) in Nederland (zo rond 2005). Nadat de meeste betrokkenen bij deze ID-beweging verschoven waren richting theïstische evolutie verschenen er vanaf het Darwinjaar 2009 verschillende boeken vóór deze TE-visie.8 Bijvoorbeeld Gevormd uit Sterrenstof van bioloog dr. René Fransen.9 Veel ophef veroorzaakte10 het kinderboek Het geheime logboek van topnerd Tycho in 2015.11 In 2017 (op mijn verjaardag nota bene) verscheen het boek En de aarde bracht voort.12 Dit boek kan gezien worden als een in-depth verdediging van de theologische kant van het theïstische evolutionisme.13 Het boek van prof. dr. Van den Brink werd opgevolgd door een boek dat in 2019 verscheen onder de titel En God zag dat het goed was.14 Een vijf-en-twintigtal geleerden bespraken in dat boek de consequenties van het (theïstische) evolutionisme voor het christelijk geloof. Veruit de meeste auteurs zagen en hebben geen probleem met Universele Gemeenschappelijke Afstamming. In 2020 kwam met Oer een lekenversie op de markt van het theïstisch evolutionistische gedachtengoed.15 Dit boek werd maar liefst meer dan 10.000 keer verkocht.16 Het stopte daarmee niet! In 2021 werd er door prof. dr. Gijsbert van den Brink een serie bijbelstudies over geloof en wetenschap uitgegeven onder de titel Onderzoek alle dingen.17 Nu dus de NBV21 Wetenschapsbijbel waar inzake onze vroegste geschiedenis door dr. Van den Brink c.s. vooral het theïstische evolutionistische gedachtengoed wordt gepropageerd. We zien dat nu voor vrijwel elk intellectueel niveau en leeftijdsniveau theïstisch evolutionistisch materiaal beschikbaar is. Alleen verstandelijk gehandicapten of zwak begaafden, peuters, kleuters en leerlingen van de middenbouw in het basisonderwijs nog geen theïstisch evolutionistisch materiaal hebben. Maar mogelijk zijn daar ook plannen voor. Dat is, toegegeven, zeer strategisch!

In de NBV21 Wetenschapsbijbel staan ook bijdragen van oudtestamenticus prof. dr. Koert van Bekkum die raakvlakken hebben met Genesis. Dr. Van Bekkum, eveneens een sympathieke man in omgang, is voorzichtig richting het theïstische evolutionisme en ziet daar ook de nodige problemen in. Helaas voert hij in de NBV21 Wetenschapsbijbel óók geen warm pleidooi voor het klassieke scheppingsgeloof. De toelichting bij Genesis van zijn hand is kort maar kent mooie accenten.18 Als het gaat om onze vroegste geschiedenis dan zijn er vier bijdragen van zijn hand: Genealogie en familie, Kosmologie, Scheppingsdagen en Zondvloed. In de andere bijdragen staan uiteraard ook verwijzingen.19 Hoewel dr. Van Bekkum het een en ander voorzichtig wil verwoorden, zien we toch dat de ‘Ancient Near East’-mythologie sterke invloed heeft op zijn Genesisuitleg. Bij de bespreking van de zondvloedgeschiedenis richt hij zich bijvoorbeeld slechts op de Mesopotamische zondvloedmythen. En hoewel we erg voorzichtig moeten zijn met het klakkeloos, zonder diepgaand onderzoek, overnemen van wereldwijde vloedmythen is dat toch wel wat selectief.20 Het past wel in een trend die al meer dan anderhalve eeuw waarneembaar is onder verschillende oudtestamentici. Een trend waarbij Genesis dan (zij het soms aarzelend) gelezen wordt door de bril van de oermythen die in Mesopotamië circuleren. Dr. Van Bekkum zegt in zijn bijdrage Scheppingsdagen mooie dingen over de scheppingsgeschiedenis in Genesis 1 e.v., maar gaat daarbij kort-door-de-bocht als hij schrijft: “Maar uit dit Bijbelgedeelte concluderen dat hier zes historische dagen worden beschreven, gaat voorbij aan het kunstproza en de ordenende rol van het ‘zes plus één’.” Hier gaat dr. Van Bekkum voorbij aan het feit dat ‘het kunstproza en de ordenende rol van het ‘zes plus één’’ samen kan gaan met het zien van de scheppingsdagen als historische dagen. In kerken waar uitgegaan wordt van het klassieke scheppingsgeloof bestaan deze feiten naast elkaar.21 Hier creëert dr. Van Bekkum dus een vals dilemma en wordt kunstproza tegenover historiciteit gezet. We hoeven dit gelukkig niet tegen elkaar uit te spelen, maar kunnen het als complementair zien. De tekst krijgt hierdoor nóg meer waarde. Het gaat in Genesis namelijk niet alléén om geschiedenis, maar het gaat óók om geschiedenis. Dat een Bijbeltekst meerdere betekenissen en invalshoeken heeft werd al verdedigd door diverse kerkvaders, we noemen dat ook wel de meervoudige Schriftzin.22

Beproeft alle dingen

De bovenstaande kritiek wil niet zeggen dat er alleen maar theïstisch evolutionisten, of in ieder geval mensen die niet afwijzend staan tegenover Universele Gemeenschappelijke Afstamming, meegewerkt hebben aan de NBV21 Wetenschapsbijbel. Het wil ook niet zeggen dat alle bijdragen in deze NBV21 Wetenschapsbijbel waardeloos zijn. Dat is geenszins het geval! Van verschillende auteurs weet ik dat zij afwijzend staan richting het theïstisch evolutionistische gedachtengoed óf dat zij er op zijn minst stevig gefundeerde vragen bij hebben. Het zijn overigens niet alleen de bijdragen rondom onze vroegste geschiedenis waar ik mij niet zo goed in kan vinden. De manier van Bijbellezen in het stuk van dr. Marco Derks over Homoseksualiteit komt mij wel héél cultuurgebonden over en komt soms wat ‘cherry picking’ en als prekende voor eigen parochie.23 Maar gelukkig is de NBV21 Wetenschapsbijbel niet helemaal kommer en kwel. De bijdrage van prof. dr. Johan Graafland over het Jubeljaar is prachtig! Ook de bijdragen van bijvoorbeeld dr. Raymond Hausoul (Dieren en de Bijbel), prof. dr. ir. Henk Jochemsen (Het beginnend menselijk leven), dr. Emanuel Rutten (Beargumenteren dat God bestaat: kan dat?), dr. Arie Versluis (De ban) en prof. dr. René van Woudenberg (Toeval) zijn mooi opgezet. Zo zijn er nog meer bijdragen te noemen, om over de toelichtingen nog maar te zwijgen. Dat maakt het gebruik van de NBV21 Wetenschapsbijbel ook nuttig! Er zijn tientallen bijdragen en toelichtingen waar wat van te zeggen is. We hopen, als de Heere leven en gezondheid geeft, dit later meer in-depth te kunnen doen in een veelluik over deze Bijbel met kanttekeningen.

Literatuurlijst en registers

Wat de NBV21 Wetenschapsbijbel ook waardevol maakt is het register op onderwerp en de literatuurlijst. Verder wordt heel helder en duidelijk aangegeven wélke auteur wát geschreven heeft. De auteurslijst bevat voor mij veel bekende namen (zoals prof. dr. Cees Dekker), maar ook tot nu toe onbekende namen (zoals dr. Marco Derks). Het hoofdstuk ‘Studie- en werkmateriaal’ maakt van de NBV21 Wetenschapsbijbel ook een studiebijbel. De vragen bij ‘Bijbel en (natuur)wetenschap’ zijn met de focus op theïstisch evolutionisme en Ancient Near East-mythologie soms wat sturend. De literatuurlijst bij ‘Bijbel en (natuur)wetenschap’ bestaat helaas hoofdzakelijk uit theïstisch evolutionistisch materiaal (zoals bijvoorbeeld de boeken van dr. Rolie Barth24, prof. dr. Gijsbert van den Brink 25, dr. René Fransen26 en dr. Henk Geertsema27). Blij verrast was ik om toch nog twee boeken te ontwaren die uitgaan van het klassieke scheppingsgeloof. Het betreft het boek van dr. Hans Madueme et al. met als titel Adam, the Fall, and Original Sin28 en het boek van prof. dr. Mart-Jan Paul met als titel Oorspronkelijk.29 Het is goed dat de lezers ook van deze boeken kennisnemen. Om de leemte wat op te vullen wil ik graag van de gelegenheid gebruik maken om nog drie boeken toe te voegen:

  • Dam, C. van, 2021, In the Beginning. Listening to Genesis 1 and 2 (Grand Rapids: Reformation Heritage Books).30
  • Klingbeil, G.A. (ed.), 2015, The Genesis Creation Account and Its Reverberations in the Old Testament (Berrien Springs: Andrews University Press).31
  • VanDoodewaard, W., 2015, The Quest for the Historical Adam. Genesis, Hermeneutics, and Human Origins (Grand Rapids: Reformation Heritage Books).32

Deze registers en literatuurlijsten maken de NBV21 Wetenschapsbijbel gebruikersvriendelijk.

Ten slotte

De NBV21 Wetenschapsbijbel zie ik als volgende strategische zet van de theïstisch evolutionistische groep rond prof. dr. Gijsbert van den Brink. Zelf heb ik de voorkeur voor het gebruik van de Statenvertaling (met kanttekeningen) boven de NBV21. Dat heeft ermee te maken dat de kanttekeningen meer de geest van de (Nadere) Reformatie laten doorademen. Desalniettemin zijn veel bijdragen in deze NBV21 Wetenschapsbijbel de moeite van het lezen waard. De toelichtingen en bijlagen van deze NBV21 Wetenschapsbijbel zijn met een kritische bril goed te lezen en geven op bepaalde punten ook inzicht in de tekst en de cultuur waarin de bijbelboeken ontstonden. Daarom geldt hier: “Beproeft alle dingen; behoudt het goede” (1 Thessalonicensen 5:21, SV) . We hopen daarom de komende tijd, als de Heere leven en gezondheid geeft, een flink aantal diepteboringen te doen in deze NBV21 Wetenschapsbijbel.

Voetnoten

Christelijke Apologeet (1) – Het Evangelie en theïstisch evolutionisme?

Het YouTube-kanaal Christelijke Apologeet van Chris Verhagen (MSc.) bevat een aantal video’s die relevant zijn voor het debat over geloof, apologetiek en wetenschap. We willen graag díé video’s delen die raakvlakken hebben met dit gecombineerde thema. Met dank aan de Christelijke Apologeet voor het delen van deze video’s.

Feedback & Vragen 2022: Gaat iemand die niet in een zesdaagse schepping gelooft verloren?

Naar aanleiding van het interview met Gereformeerd Venster kreeg ik van iemand via Facebook een vraag.1 Een indringende vraag, een moeilijk te beantwoorden vraag. Alhoewel dat laatste toch ook weer niet helemaal klopt. Gaat iemand die niet in een zesdaagse schepping gelooft verloren?

Vraag

Stel, iemand gelooft niet in een 6-daagse schepping, maar wel in het verzoenend bloed van Christus. Gaat die persoon dan verloren omdat hij niet in de 6-daagse schepping geloofde?

Antwoord

Het gaat in de vraag dus niet om een ongelovige die geen waarde hecht aan een zesdaagse schepping, maar om een christen die wel gelooft behouden te zijn maar niet in de klassieke zesdaagse schepping kan of wil geloven. Bijvoorbeeld ‘aanhangers’ zijn van theïstische evolutie of oude aarde creationisme. Dit kan overigens actief of in latente vorm. De vraag gaat ook over mensen die agnostisch staan ten opzichte van een zesdaagse schepping. Gaan deze mensen verloren? Voordat ik tot een antwoord wil komen eerst dit. Het uiteindelijke oordeel komt aan God toe. Dit hangt niet af van mensen. Verder zie ik mijzelf absoluut niet als wandelend orakel in het vertellen of mensen behouden worden of niet. Sterker nog, het zou een eeuwig wonder zijn als we zelf Boven mogen komen. Dat kan alleen om het eeuwig welbehagen, door het verzoenend bloed van de Heere Jezus Christus. Daarmee hebben we gelijk een deel van het antwoord te pakken. Gaat iemand verloren omdat hij niet in een zesdaagse schepping gelooft? Nee, het geloof in een zesdaagse schepping is geen voorwaarde tot het behoud van zondaren. Zoals vandaag al eerder gezegd, Christus is het enige Fundament.2 Paulus schrijft in 1 Korinthe 3:11, SV: “Want niemand kan een ander fundament leggen dan hetgeen gelegd is, hetwelk is Jezus Christus.” En aan het einde van deze eerste brief aan Korinthe schrijf Paulus, in 1 Korinthe 16:22, SV: “Indien iemand den Heere Jezus Christus niet liefheeft, die zij een vervloeking: Maranatha.” De apostel Johannes schrijft in één van zijn brieven, 1 Johannes 2:22-25: “Wie is de leugenaar, dan die loochent, dat Jezus is de Christus? Deze is de antichrist, die den Vader en den Zoon loochent. Een iegelijk, die den Zoon loochent, heeft ook den Vader niet. Hetgeen gijlieden dan van den beginne gehoord hebt, dat blijve in u. Indien in u blijft, wat gij van den beginne gehoord hebt, zo zult gij ook in den Zoon en in den Vader blijven. En dit is de belofte, die Hij ons beloofd heeft, namelijk het eeuwige leven.” De Bijbel is duidelijk: iemand die de Heere Jezus Christus niet liefheeft, die zij een vervloeking. Met andere woorden, die gaat verloren.

Is daarmee de scheppingsleer onbelangrijk geworden? Ik meen van niet. Iemand dwaalt (flink) als hij of zij de zesdaagse goede schepping en de zondeval loslaat of wil ontkennen. Als God maar liefst vier keer in Zijn Woord aangeeft dat Hij de wereld in zes dagen geschapen heeft en op de zevende dag rustte. En daarnaast heel vaak de mens verantwoordelijk houdt voor het ontwrichten van Zijn goede schepping door de zonde(val). Dan hebben wij het recht toch niet om daaraan te twijfelen? Zoals Psalm 33:9, SV, zegt: “Want Hij spreekt, en het is er; Hij gebiedt, en het staat er.” God heeft de evolutietheorie of miljarden jaren helemáál niet nodig om Zijn schepping tot stand te brengen. In Zijn Woord geeft Hij duidelijk aan dat Hij dit zó ook niet gedaan heeft. De gedachte die tegenwoordig helaas ook in de Gereformeerde Gezindte opgeld doet, namelijk dat ‘God schiep door big bang, accretie en evolutie’, maakt God uiteindelijk Schepper-af. Je kunt Hem hooguit nog zien als Onderhouder van de natuur of een deïstisch God die alles in gang zette en daarna de natuur haar gang liet gaan. Dit gaat echter lijnrecht tegen de Schrift in, waar God de Schepper én Onderhouder is een geen afstandelijk God. Het maakt daarnaast God verdacht, want het ontkennen van een goede schepping en een ‘staat der rechtheid’ heeft als consequentie dat men in monistisch (God heeft óók het ‘kwaad’ gewild en uitdrukkelijk bestuurd) of gnostisch/manicheïstisch dualistisch (er is een kwade Schepper-God en een goede nieuwtestamentische God) vaarwater komt.3

Bovendien is het loslaten van Gods schepping en de zondeval, zoals Hij dat in Zijn Woord geopenbaard heeft, niet zonder gevolgen voor het historische geloof. Met nadruk noem ik dit ‘historisch’ geloof, omdat ik met de Dordtse Leerregels niet geloof dat wedergeborenen kunnen ‘afvallen van de zaligheid en verloren gaan’. Er zijn voorbeelden te over waarbij een persoon of instituut ging rommelen aan de schepping/voorzienigheid en daardoor het historische geloof verloor. Ik moet daarbij denken aan de theoloog prof. dr. Harry Kuitert. Hij gaf, in een interview met het Reformatorisch Dagblad, zijn vroegere bestrijder gelijk. Ds. Oomkes had, in verband met de schepping, tegen Kuitert gezegd: “Je trekt een steen uit de muur en dan gaat het hele gebouw eraan”. Kuitert zei: “Als je die eerste steen losmaakt, zakt het gebouw in elkaar. Toen vond ik dat wat overdreven. Zou het waar zijn? Ik kreeg zo veel aanvaring met orthodoxe dominees. Maar inderdaad, als je niet in de schepping gelooft, is ook de trits schepping-zondeval-verlossing niets meer waard.” Oomkes heeft helaas gelijk gekregen.4 Datzelfde geldt voor de Vrije Universiteit waar Kuitert aan verbonden was. De VU begon als instituut waarbij de minste afwijking in opvatting over Genesis de kop in werd gedrukt (denk aan de kwestie Van Gelderen5). Maar wat is daar nu van over? Bij de generatie-Kuitert is de boel gaan schuiven en nu is de VU zeer seculier en loopt het als universiteit voorop in het promoten van de ideologie van het transgenderisme.6 Een zorgelijke, verdrietige en teleurstellende ontwikkeling en vertoning. Wat is er nog over van de ‘erfenis der vaderen’? We zijn blij met de aanwezigheid van het Hersteld Hervormd Seminarie en daarnaast enkele orthodox-conservatief denkende hoogleraren, maar zouden zij het tij kunnen keren? De Heere weet het en Hij regeert!

Concluderend: Ga je verloren als je niet in een zesdaagse schepping gelooft? Nee, ‘het bloed van Jezus Christus, Zijn Zoon, reinigt ons van alle zonde‘ (1 Johannes 1:7b, SV). Is een zesdaagse schepping daarmee onbelangrijk? Nee, ‘want in zes dagen heeft de HEERE den hemel en de aarde gemaakt, de zee en al wat daarin is, en Hij rustte ten zevenden dage‘ (Exodus 20:11a, SV).

Voetnoten

Kan de evolutietheorie geen onderdeel zijn van een geestelijke strijd? – Reactie op dr. Van den Brink in de ‘evolutietheorie is lariekoek’-discussie

We hebben een bijzonder stuk proza in handen met het artikel “Evolutietheorie lariekoek noemen grenst aan desinformatie” van hoogleraar Gijsbert van den Brink.1 Van den Brink reageert met dit schrijven afkeurend op een artikel van ing. S.J. (Stef) Heerema2, die in een beschrijving van een persoonlijke ervaring in een zoutmijn de evolutietheorie lariekoek noemt. Er is iets wonderlijks bij het pleidooi van Van den Brink. Hij bezit geen graad in een natuurwetenschappelijke richting, laat staan in de biologie, en verkondigt met verve dat de evolutietheorie een zuivere natuurwetenschappelijke theorie is in de klassieke betekenis van het woord. Men zou dan denken, dat hij zich verder van commentaar over deze theorie onthoudt, omdat natuurwetenschap tenslotte niet zijn vakgebied is. Maar zo is het niet. Ferm verkondigt hij dat de evolutietheorie toch echt een wetenschappelijke theorie is die staat als een huis.

“Deze denkbeelden zijn continue in interactie met elkaar. In dat opzicht is geen denkbeeld op voorhand ervoor beschermd onderdeel van een geestelijke strijd te zijn. Of is er in de geschiedenis inderdaad geen enkele interactie tussen de wetenschappelijke theorieën en antichristelijke ideologieën gebleken? Is ons historisch besef zó beperkt?” Bron: Pixabay.

Ik beschouw mij als meer deskundig op dit gebied dan dr. Van den Brink en zou graag vanuit de natuurwetenschap een aantal argumenten formuleren, die aangeven, dat de weergave van Van den Brink niet correct is. Nu doet zich echter het probleem voor dat Van den Brink niet in staat is om natuurwetenschappelijke argumenten op hun merites te beoordelen. Dit probleem wordt verergerd door het feit dat hij in het verleden heeft aangegeven niet (meer) met creationisten over dit soort argumenten te praten en dat in de afgelopen jaren ook gebleken is dat Van den Brink op natuurwetenschappelijke argumenten tegen de evolutietheorie niet ingaat. Het probleem doet zich dus voor dat Van den Brink een uitspraak doet over de natuurwetenschappelijke kwaliteit van de evolutietheorie, maar op basis van natuurwetenschappelijke argumenten niet corrigeerbaar is. De enige oplossing hiervoor is, te zien welke niet-natuurwetenschappelijke argumenten Van den Brink in dit artikel hanteert.

Evolutionisme

Van den Brink formuleert in zijn repliek aan Stef Heerema drie punten die hij van belang acht.
Ten eerste gispt hij Heerema vanwege het feit dat deze de termen evolutietheorie en evolutionisme door elkaar gebruikt. De evolutietheorie zou een puur zakelijke wetenschappelijke theorie zijn over onze oorsprong zonder inherente consequenties over hoe we als mensen over God denken of over onszelf. Hij schrijft: ”Evolutionisten menen dat Darwin het geloof in God overbodig heeft gemaakt, en dat de evolutie van het leven een puur toevalsproces is. Maar lang niet iedereen die de evolutietheorie accepteert, omarmt deze evolutionistische levensbeschouwing.” Inderdaad zullen er mensen zijn die onnadenkend zaken accepteren zonder dat ze zich de gevolgen ervan realiseren. Maar afgezien van dit soort onnadenkende mensen, denk ik niet dat iemand de evolutietheorie kan accepteren, als deze niet ook, in een zekere mate, de evolutionistische levenshouding aanhangt. Al was het maar in te denken dat je binnen de wetenschapsbeoefening niet tot de gedachte mag komen dat er in onze fysieke wereld ooit een bovennatuurlijke kracht werkzaam is geweest. De evolutietheorie is het skelet van het evolutionisme. De evolutietheorie gaat namelijk gepaard met de overtuiging dat God in de natuurlijke historie van de aarde geen wonderen heeft verricht. Hij kon het allicht wel, maar Hij deed het niet. Daarom accepteert een evolutionist geen Intelligent Design. Dat riekt teveel naar Goddelijk ingrijpen. Mensen die geloven dat God in de natuur ingrijpt, geloven volgens Van den Brink in een god-of-the-gaps. Dan beter blinde natuurkrachten als oorzaken aannemen, ook al is ondubbelzinnig aangetoond dat die niet voldoen. Overbodigheid van God en evolutietheorie zijn twee kanten van dezelfde medaille. Ook bij Van den Brink. Anders geformuleerd: Volgens Van den Brink moet men voor het bedrijven van natuurwetenschap handelen van God uitsluiten. Natuurwetenschap leidt tot ware uitspraken. Dus de ware uitspraken op natuurwetenschappelijk gebied sluiten God uit. Als men er dan ook vanuit gaat dat wetenschappelijk uitspraken meer zekerheid geven dan niet-wetenschappelijke uitspraken, dan gaan uitspraken die God uitsluiten altijd boven uitspraken die God insluiten. Christelijk geloof in natuurwetenschap leidt volgens de visie van Van den Brink tot onwaarheid. Een goede natuurwetenschapper is in zijn vak een atheïst.

Oostindisch doof

Ook stelt Van den Brink dat ”al talloze malen is geprobeerd de evolutietheorie langs wetenschappelijke weg te ontkrachten – stel je voor hoeveel eer je als wetenschapper zou behalen als dat je zou lukken! – maar wat we zien is telkens weer het omgekeerde: door de tijd heen steeds verdergaande bevestigingen ervan.” Wat een simplificatie van de werkelijkheid zien we hier. Maar het is erger dan dat. In de afgelopen decennia zijn er duizenden pagina’s aan bewijsmateriaal geleverd die aangeeft dat het neodarwinisme geen correcte beschrijving van de natuurlijke historie kan zijn. Vanuit het creationisme en de ‘Intelligent Design’-beweging zijn, puttend uit reguliere wetenschappelijke bronnen en argumentaties (maar ook door eigen werk) inhoudelijk veel punten aangereikt waaruit blijkt dat complexe biologische structuren niet op een natuurlijke wijze ontstaan. Er is nog veel meer maar enkele voorbeelden:

Een doorwrocht werk vanuit het Engelse taalgebied is Theistic Evolution: A Scientific, Philosophical and Theological Critique.3 Het boek telt 1008 pagina’s en verscheen in 2017. Toonaangevende wetenschappers hebben hieraan meegewerkt. In het deel The failure of neo-darwinism schreef bijvoorbeeld James Tour, een autoriteit binnen zijn vakgebied. Hij werd geïnterviewd door Andries Knevel voor de serie “Andries en de wetenschappers”.4 Respons vanuit het theïstisch evolutionisme (TE), waaronder Van den Brink? Niets dan een enkele opmerking waaruit blijkt dat het boek ingezien is.

Een ander voorbeeld is het boekje Geest en Kosmos (2014) van Thomas Nagel.5 Nagel is een zeer vooraanstaand atheïstisch filosoof. Hij concludeert dat het neodarwinisme principieel onmachtig is ontstaan van leven, ontstaan van bewustzijn, ontstaan van ratio en ontstaan van objectieve moraal te verklaren. (een samenvatting van dit boek is geschreven door ondergetekende en te vinden op de website van Logos instituut6). Respons vanuit TE, waaronder Van den Brink? Niets.

Een boek getiteld Wat is de mens, Adam, alien of aap is geschreven door de apologetische grootheid Edgar Andrews.7 Respons vanuit TE, waaronder Van den Brink? Niets.

Oud rector magnificus Van Bemmel schreef het boek Waar was je? Geloven na Darwin en Hubble.8 Respons vanuit TE, waaronder Van den Brink? Niets.

Op de eigen boeken van Van den Brink volgde vanuit creationistische hoek gedegen kritiek. Respons van TE waaronder van Van den Brink? Niets. De sprekers op het congres naar aanleiding van de publicatie van Van den Brink hebben het boek Genetic Entropy van J.C. Sanford toegestuurd gekregen.9 Op de gedegen publicatie van prof. Paul kan hij hooguit in een debat aangeven dat deze wat statisch is en op de gedreven publicatie van W. J. Ouweneel getiteld Adam, waar ben je? volgt helemaal geen openlijke reactie.10 In duizenden artikelen op websites als dat van Logos instituut is onderbouwde kritiek te vinden, deels eenvoudig maar deels ook van academisch geschoolde auteurs op eigen vakgebied en gebaseerd op seculiere wetenschappelijke bronnen. Respons vanuit TE, waaronder Van den Brink? Niets.

Publicaties die vanuit een wetenschappelijke achtergrond kritisch zijn op de evolutietheorie worden door Van den Brink en andere theïstisch evolutionisten categorisch ofwel genegeerd ofwel afgedaan met de badinerende opmerking: “creationisten hebben ook zo hun biologen” of er wordt domweg verklaard dat de problemen al lang geleden opgelost zijn of men verklaart dat de problemen in de toekomst opgelost zullen worden. Ingaan op argumenten? Nou nee. Men kan theïstisch evolutionisten niet dwingen om inhoudelijk op de materie in te gaan, als ze dat niet willen of kunnen. Maar te zeggen dat aanhangers van de evolutietheorie alle aanvallen erop adequaat hebben weerlegd is een wel zeer grote misvorming van de werkelijkheid als men daartoe nog niet eens het begin van aanstalten heeft gemaakt. Men kan kritiek op de evolutietheorie niet zonder zinnige argumenten nepnieuws noemen. Thomas Nagel, James Tour, Edgar Andrews, John C. Lennox, John C. Sanford en Steven C. Meijer zijn geen nepnieuwsverspreiders. Zo’n beschuldiging schudt Van den Brink al te lichtvaardig uit zijn mouw.

Verschuivende panelen

Een merkwaardig punt is, dat Van den Brink stelt dat de evolutietheorie, om reden dat het een wetenschappelijke theorie zou zijn, niet onderdeel kan zijn van een geestelijke strijd. De woorden theorie en wetenschap tonen al aan dat we het niet hebben over stenen of waterdruppels maar over menselijke denkbeelden, geestelijke zaken dus. En deze denkbeelden zijn continue in interactie met elkaar. In dat opzicht is geen denkbeeld op voorhand ervoor beschermd onderdeel van een geestelijke strijd te zijn. Of is er in de geschiedenis inderdaad geen enkele interactie tussen de wetenschappelijke theorieën en antichristelijke ideologieën gebleken? Is ons historisch besef zó beperkt?

Met betrekking tot de zondvloed. De argumentatie met betrekking tot het woord “zond” is duidelijk en overtuigend. Maar het lijkt erop dat Van den Brink hiermee wil betogen dat de zondvloed niet het gevolg was van de zondigheid van de mensheid. Van den Brink haalt hier niet alleen de historische realiteit van de zondvloed onderuit maar ook de symbolische of metafysische betekenis ervan. Dit brengt me wel bij de vraag waar het bij Van den Brink ophoudt. Het standpunt van een theïstisch evolutionist is instabiel. Van een creationist weet men welke opstelling deze heeft ten opzichte van het grootste deel van de Bijbel. Tussen theïstisch evolutionisten zijn grote verschillen en ook bij dezelfde persoon is over de tijd heen een verandering van denken zichtbaar. Van den Brink is, ook naar eigen zeggen, over de jaren heen aan het schuiven gegaan. Denkbeelden die eerst onwerkelijk waren voelden al gauw vertrouwd aan. De zondvloed is voor Van den Brink kennelijk niet historisch. De spraakverwarring in Babel dan waarschijnlijk ook niet. Het grootste deel van de tijd die de Bijbel overspant is niet historisch. Wat nu eigenlijk wel? De tien plagen in Egypte? Abraham, werd hij werkelijk 175 jaar oud? Het wordt in de Bijbel beschreven als een nuchter feit niet als een wonder. Naar hedendaagse wetenschappelijke inzichten onmogelijk. Waar ligt op dit moment de demarcatielijn?

Academische terughoudendheid

Hoe je het ook wend of keert, creationist en evolutionist zijn het er over eens dat de historie van de aarde tumultueus is geweest. Er was veel contingente rampspoed en de littekens ervan zijn in de aardkorst terug te zien. Voor de creationist was dit een korte periode, gepaard met grootschalige natuurlijke zowel als bovennatuurlijke gebeurtenissen en voor de evolutionist was dit een lange periode gevuld met louter natuurlijke gebeurtenissen. In beide gevallen is het zeer uitdagend om de aardhistorie op grond van natuurwetenschappelijke bevindingen te beschrijven. De invloed van vooronderstellingen, reikwijdte van het voorstellingsvermogen en toevalligheid van de waarnemingen die gedaan kunnen worden is zo groot dat hier geen zekerheid te verkrijgen is. Ook is er geen externe referentie waarmee bevindingen gecontroleerd kunnen worden. De evolutietheorie met zijn beweringen over vermeende gebeurtenissen, miljoenen jaren geleden heeft ook niet met gezonde wetenschap van doen. Maar creationisme heeft ook terughoudend te zijn, want we weten de reikwijdte van de bovennatuurlijke gebeurtenissen niet. Die kan nog veelomvattender zijn dan uit de nuchtere beschrijving van de Bijbel blijkt. In dat opzicht is een vorm van agnosticisme (docta ignorantia) zoals wel genoemd door Gert van den Brink of Jan van Bemmel te overwegen.

Ik ben bioloog. In dat opzicht ligt de discussie over de validiteit van de evolutietheorie mij na aan het hart. Maar over iets als de Big Bang discussieer ik niet. Dat is toch een ver-van-mijn-bed-show. Men kan zich afvragen waarom Van den Brink er zo aan hecht, dat orthodox christenen de evolutietheorie gaan omarmen. Er zijn toch belangrijker dingen te doen, zoals het verdedigen van het theïsme tegenover het atheïsme, iets waar Van den Brink een goede inbreng in heeft. Hij voert als reden voor zijn actie dat hij bang is dat creationistisch opgegroeide jongeren die gaan studeren hun geloof zouden verliezen als ze met de evolutietheorie in aanraking komen en daardoor overtuigd raken. Inderdaad zou dat heel jammer zijn, en is dat niet nodig. Toch overtuigt dit argument niet. Dergelijke jongeren zijn per definitie niet wereldvreemd. Ze weten in dat stadium heel goed van het bestaan van een categorie mensen dat theïstisch evolutionisten heet. Dit argument overtuigt nog minder, als we weten dat Van den Brink dit argument zelf ook niet zozeer geloofwaardig vindt zoals hij in 2019 in de wandelgangen bij een congres heeft gezegd.

Waar is de bodem?

De evolutietheorie heeft geen onderbouwde verklaring van het bestaan van leven, complexe biologische structuren, de vaste combinaties van die structuren en de grote diversiteit daarin, het ontstaan van bewustzijn, het ontstaan van rationaliteit en het ontstaan van een objectieve moraal. Waarom zo’n aversie vanuit TE als hier vanuit Intelligent Design de vinger bij wordt gelegd? Vanwaar die compromisloze gecommitteerdheid aan een zogenaamd zuiver natuurwetenschappelijke theorie? En waarom uit zich dat niet in een inhoudelijk en zuiver beargumenteerd verweer? Ik ben ervan overtuigd dat dit komt omdat het evolutionistische denken diepgaand onderdeel is gaan uitmaken van het westerse intuïtieve denksysteem. Er is in de afgelopen decennia een diep gewortelde basisovertuiging ontstaan dat mensen dieren zijn, dat God niets met dit aardse leven van doen heeft en dat er geen Goddelijke orde in deze schepping is waar te nemen. Volgens deze overtuiging is alles fluïde en in ontwikkeling. In lijn hiermee noemt Van den Brink zijn overtuiging een dynamisch wereldbeeld, in tegenstelling tot creationisten die een statisch wereldbeeld hebben. Deze niet-rationele basis overtuiging, die zowel niet-christenen als christenen diepgaand beïnvloedt, maar sterk antichristelijke trekken heeft, heeft er geen behoefte aan om bevraagd te worden maar stelt slechts eisen. Dit is ermee in lijn dat Van den Brink in een tweegesprek met Henk Jochemsen aangaf al lang geleden opgehouden te zijn vragen te stellen bij de metafysische vooronderstellingen van de evolutietheorie. Die fase is hij voorbij. Het spreekt voor zich dat deze basisintuïtie in tegenspraak is met datgene wat de Bijbel van ons vraagt. God vraagt van ons dat ons complete leven tot Zijn eer is. We eren Hem niet door Hem te negeren.

Dat er sprake is van een diepe basisovertuiging van de afwezigheid een Goddelijke orde in de natuur wordt ondersteund door een andere observatie. Namelijk, dat er in debatten die gaan over andere zaken waarin een Goddelijke orde in de natuur relevant is, de lijnen parallel lopen. We denken dan aan ethische vraagstukken. Theïstisch evolutionistische opinies glijden langzaamaan mee met die van de moderne tijd als het gaat over zaken als abortus, euthanasie en seksualiteit. Als Van den Brink voor een student nog een relevant afstudeerproject of promotietraject zoekt, dan zou ik hem dit onderwerp van harte aanbevelen.

Van dr. Erik van Engelen zijn op deze website nog één artikel en één lezing gepubliceerd. Op het ‘Bijbel & Wetenschap’-congres van 202111 besprak hij een wetenschappelijk paper vóór Intelligent Design: https://oorsprong.info/congres-over-bijbel-wetenschap-2021-5-dr-ir-erik-van-engelen-fine-tuning-in-de-biologie-een-peer-reviewed-paper-voor-intelligent-design/ (zie ook: https://oorsprong.info/rondom-het-congres-2021-5-waar-kan-ik-de-paper-voor-intelligent-design-van-thorvaldsen-en-hossjer-bestuderen/). Het artikel ging over het Marekvirus: https://oorsprong.info/marekvirus-niet-een-op-een-gelijk-te-stellen-met-het-coronavirus-reactie-op-het-artikel-van-donderdag-over-pathogeenevolutie/.

Voetnoten

Een kritische bespreking van ‘Onderzoek alle dingen’ – Overzicht van het vijfluik van Nathan van Ree

In 2021 werd bij uitgeverij KokBoekencentrum een nieuw boek uitgegeven van systematisch theoloog en theïstisch evolutionist prof. dr. Gijsbert van den Brink. Het betrof een boek met een serie Bijbelstudies over geloof en wetenschap. Nathan van Ree schreef voor deze website een vijfluik naar aanleiding van ‘Onderzoek alle dingen‘. Vorige week werd het vijfluik afgerond, vandaag worden in dit artikel alle delen overzichtelijk bij elkaar gezet.

Deel 1: Onderzoek alle dingen – Een kritische bespreking (1): Over wereldbeelden en wetenschap.
Deel 2: Onderzoek alle dingen – Een kritische bespreking (2): Over wonderen en de kosmos.
Deel 3: Onderzoek alle dingen – Een kritische bespreking (3): Over de mens en evolutie.
Deel 4: Onderzoek alle dingen – Een kritische bespreking (4): Over de toekomst en bewijs.
Deel 5: Onderzoek alle dingen – Een kritische bespreking (5): Over filosofie en onderzoek.

De trek van de Pacifische goudplevier als voorbeeld van niet-reduceerbare complexiteit – Interview met wijlen prof. dr. Johan Bruinsma (1927-2017)

In het voorjaar van 2005 gaf de toenmalige minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen (OCW), Maria van der Hoeven, aan dat ze kansen zag voor Intelligent Design als alternatief voor de evolutietheorie. Ze kreeg van mede-politici flink de wind van voren, maar de toon was gezet en het debat in volle gang. Ook in het Nederlands Dagblad werd er flink gediscussieerd. Er werd zelfs een kleine rubriek in het leven geroepen onder de titel ‘Intelligent Design’, in deze rubriek werden een vijftal academici geïnterviewd.1 Een van de geïnterviewden was de voormalige plantenfysioloog prof. dr. Johan Bruinsma (1927-2017).2 We willen het interview kort samenvatten.3

De Pacifische goudplevier (Pluvialis fulva) in Thailand. Bron: Wikipedia.

In het voorwoord van een van de nieuwsbrieven van Fundamentum heb ik al aangegeven dat ik op deze website af en toe rolmodellen voor het voetlicht wil brengen. Studenten en academici kunnen dan worden bemoedigd.4 Eén zo’n rolmodel was wijlen prof. dr. Johan Bruinsma, van 1968-1989 hoogleraar plantenfysiologie aan de Wageningen Universiteit. Begin dit jaar is het al weer vijf jaar geleden dat hij overleed. We willen de komende tijd, als de Heere gezondheid en leven geeft, zijn werk via deze website voor het voetlicht te brengen. Beginnend met dit interview voor het Nederlands Dagblad. Prof. Bruinsma werd geïnterviewd door de socioloog dr. Tjirk van der Ziel.

Intelligent Design

Bruinsma geeft aan dat hij het concept Intelligent Design altijd al nauw gevolgd heeft. Volgens de geleerde kun je overal in de natuur ‘duidelijk een bepaald ontwerp’. Op het niveau van de cellen, maar ook in groter verband, zoals de ecologie. Als voorbeeld noemt Bruinsma het trekgedrag5 van de Pacifische goudplevier (Pluvialis fulva) die de zomers doorbrengt in Alaska en Siberië. In het hoge noorden eet het beestje de helft van zijn gewicht erbij. Bruinsma: “Dan zet hij koers, de Grote Oceaan op, door weer en wind, precies naar de minieme Hawaii-eilanden, negentig uur non-stop met vijftig km per uur. Sneller zou inefficiënt zijn, langzamer te vermoeiend. Achthonderd km vóór Hawaii zou het vet op zijn als de vogels niet energiesparend in V-formatie zou vliegen. Als dit alles niet precies en volledig in het vogelkopje was geprogrammeerd, zou er geen Pacifische goudplevier bestaan.” De plantenfysioloog noemt dit een schoolvoorbeeld van niet-reduceerbaar complex ontwerp.6

Evolutietheorie

Toen Bruinsma studeerde was hij geen christen. Hij had wel twijfels bij de evolutietheorie. Op latere leeftijd, nadat hij gelovig werd, is hij opnieuw kritisch naar de evolutietheorie gaan kijken. Tegenover Van der Ziel laat hij zijn bezwaren horen. Bruinsma constateert dat de evolutietheorie zich baseert op twee mechanismen: natuurlijke selectie en toevallige mutaties. Op het punt van natuurlijke selectie had Darwin volgens Bruinsma gelijk, er kunnen door selectie van genetische gegevens nieuwe soorten ontstaan. Over mutaties is Bruinsma sceptisch: “Mutaties zijn een verslechtering, in die zin dat de vermeerdering van genetische informatie nooit is aangetoond. Zoals we uit de informatica weten, kan dat van toevallige veranderingen ook niet worden verwacht. Met andere woorden: men heeft nooit een mechanisme van genetische verrijking gevonden. En dat zal toch moeten, als je wilt spreken van een ontwikkeling van eencelligen naar complexere organismen (…).” In zijn betoog maakt Bruinsma onderscheid tussen micro- en macro-evolutie.7 Hij geeft aan dat hij creationistisch denkt over de evolutietheorie en micro-evolutie aanvaard.

Creationisme

Van der Ziel vraagt aan de plantenfysioloog hoe sterk het creationisme, wetenschappelijk gezien, staat. Bruinsma: “Het creationisme is nog te fragmentarisch, en de wetenschappelijke onderbouwing met experimenten en waarnemingen door gebrek aan onderzoek helaas te mager.8 De plantenfysioloog ziet wel aanwijzingen voor een wereldwijde zondvloed. Als argument noemt hij de polystrate dendrolieten (rechtopstaande versteende boomstammen).9 Bruinsma hekelt het conservatieve karakter van wetenschapsbladen. Hij zegt: “Over het algemeen zijn ze bijzonder conservatief. Iedere biologiestudent wordt tegenwoordig meestal zo doordrenkt met de evolutieleer, dat ze niet leren zich af te vragen of het allemaal wel waar is. Ik hoop dat ID die reflectie wel voor elkaar krijgt. Ik verwacht in ieder geval een doorbraak in ons wetenschappelijk inzicht in het ontwerp van leven.10 Als het gaat om de lezing van Genesis, leest Bruinsma dit bijbelboek met de ogen van een gelovige. “Het scheppingsverhaal is niet als wetenschap bedoeld, hoewel het een niet met het ander in strijd hoeft te zijn.11 De plantenfysioloog sluit het interview af met een oproep tot bescheidenheid en geeft aan zijn beperktheid van inzicht te accepteren. “Wat ik lees is dat God zijn schepping goed noemt, en dat je nog niets leest over de dood. Ik denk ook dat de ontwikkeling van soorten door de micro-evolutie pas na de zondeval is ontstaan.

Ten slotte

Zo spreekt prof. dr. Johan Bruinsma nog nadat hij gestorven is. Het is bijzonder bemoedigend dat er geleerden zijn en waren die enerzijds op een professionele wijze aan wetenschapsbeoefening deden en anderzijds als gewone gelovige Genesis lazen zoals dit bijbelboek tot ons komt. Het is teleurstellend dat de ID-beweging in Nederland is ingestort en dat de de meesten van de toenmalige kartrekkers ervan nu flink evangeliseren voor theïstische evolutie. Het laatste congres van Fundamentum had als thema Intelligent Design12, maar er is veel meer nodig om tot een herleving van Intelligent Design in Nederland te komen.

Voetnoten

Onderzoek alle dingen – Een kritische bespreking (5): Over filosofie en onderzoek

In dit vijfde deel van het vijfluik waarin ik het boekje Onderzoek alle dingen – Bijbelstudies over geloof en wetenschap1 van Gijsbert van den Brink bespreek, ga ik in op de twee laatste hoofdstukken daarvan: de hoofdstukken 9 en 10.

Riskante filosofie

Het te lezen gedeelte voor dit hoofdstuk is Kolossenzen 2:4-10, waaraan het woord ‘filosofie’ uit de titel van dit hoofdstuk ontleend wordt: “Ziet toe dat niemand u als een roof vervoere door de filosofie en ijdele verleiding, naar de overlevering der mensen, naar de eerste beginselen der wereld, en niet naar Christus.” (SV) Van den Brink vangt aan met de notie dat veel bijbelwetenschappers menen dat de Kolossenzenbrief niet van Paulus’ hand is, maar van Timoteüs (of, zo deze spelling de voorkeur heeft, Timótheüs), om in de volgende paragraaf aan te geven dat er ook bijbelwetenschappers zijn die pleiten voor Paulus als auteur. De Bijbel met uitleg zegt hierover in de inleiding op Kolossenzen: “De Kolossenzenbrief is geschreven door de apostel Paulus (Kol. 1:1 en 23 en Kol. 4:18). Pas sinds ruim honderd jaar zijn er theologen die twijfelen aan de echtheid van de brief, zonder overtuigende redenen.”2 Deze redenen blijven in de Bijbel met uitleg onbenoemd, maar in de HSV-Studiebijbel lezen we: “Sommige geleerden hebben het auteurschap van Paulus in twijfel getrokken vanwege (1) de schrijfstijl, die zij strijdig achten met die van zijn niet-betwiste brieven, en (2) een aantal theologische uitspraken die zij als ontwikkelder beschouwen dan wat hij in eerdere brieven schreef. Het laatste bezwaar is eenvoudig te weerleggen door de unieke situatie die in de brief tot uitdrukking komt. Paulus pakte deze speciale problemen aan met de theologische accenten waar ze om vroegen. Er is niets in de theologie wat in strijd is met wat hij elders schreef. Veel van zijn uitspraken zijn gewoon logische ontwikkelingen van eerdere gedachten. Bovendien hangt de stijl van deze brief sterk samen met die van zijn andere brieven.”3

Wat is hier nu zo belangrijk aan, zou je kunnen denken. In het opschrift van Kolossenzen staan immers Paulus en Timoteüs beiden genoemd. Welnu, het punt dat ik hiermee wil maken is dat het Van den Brinks benadering van de Bijbel en de wetenschap illustreert. Hij schrijft namelijk: “Toch deden ze [leerlingen die op naam van hun meester schrijven] dit natuurlijk in hun eigen stijl, die soms best wat afweek van die van hun meester. En aan de inhoud merk je soms dat die een net wat latere tijd weerspiegelt. Zorgvuldig opererende wetenschappers vermoeden dat dat ook hier speelt, en dat de Kolossenzenbrief ontstaan is in de kring van Paulus’ leerlingen. Daarbij is het goed denkbaar dat (de oud geworden) Paulus wel input gehad heeft, bijvoorbeeld als het gaat om de persoonlijke details die in de brief voorkomen. In 4:18 schemert door dat Paulus de brief alleen maar ondertekend heeft. Het leeuwendeel moet dan dus door iemand anders geschreven zijn. Het ligt voor de hand daarbij aan Timotheüs te denken, wiens naam in 1:1 samen met die van Paulus genoemd wordt (daarom is er in dat geval ook geen sprake van echte ‘pseudepigrafie’). Het is gezien 1:1 zelfs vreemd dat we altijd doen alsof de brief enkel door Paulus geschreven is. Om dat recht te trekken zullen we hieronder juist Timotheüs als (hoofd)auteur aanduiden.” (p. 129)

Van den Brink gaat dus tegen de traditie in ten faveure van wat hij noemt “zorgvuldig opererende wetenschappers”, waarbij hij er anders in staat dat bijvoorbeeld de Bijbel met uitleg en de HSV-Studiebijbel. Nu wil het geval dat deze beide studiebijbels als het gaat om de kwestie die ten grondslag ligt aan het boek Onderzoek alle dingen, namelijk het spanningsveld tussen ‘wetenschappelijke’ oorsprongsuitspraken en een ‘recente’ zesdaagse schepping, de kant van het laatste bepleiten. Maar laten we eens zien wat een studiebijbel als de Studiebijbel in perspectief erover schrijft, die anders dan voornoemde studiebijbels stelt dat “Genesis 1 is verwoord in de taal van de antieke wereld en in de voorstellingswereld van die tijd, waarbij men de aarde zag als een plat vlak en de zon om de aarde scheen te draaien,”4 en daarmee wellicht als minder orthodox dan die twee kan worden gezien5:

“In de negentiende eeuw ontkenden sommigen dat Paulus de auteur van deze brief was. Als argument daarvoor gebruikte men de stelling dat de dwaalleer die bestreden wordt in deze brief, de gnostiek, pas in de tweede eeuw opgeld deed. Maar dit argument is weinig overtuigend. De dwaalleer in Kolosse was per slot van rekening nog geen uitgewerkte gnostische leer. Bovendien is bekend dat al in de eerste eeuw gnostische elementen de christelijke gemeenten binnendrongen. Ook nu nog zijn er specialisten die zeggen dat de brief pas aan het eind van de eerste eeuw geschreven is. Behalve dat de dwaalleer weerlegd werd, zou de brief ook als doel hebben om Epafras’ dienst in Kolosse te legitimeren en hem onder Paulus’ gezag te brengen. Dit standpunt is gebaseerd op het feit dat deze brief qua inhoud en stijl verschilt van andere brieven waarvan we zeker weten dat ze door Paulus geschreven zijn.

Maar iemands stijl en het literaire genre dat hij gebruikt hangt af van veel factoren. Het moment waarop hij schrijft, de situatie waarin hij zich bevindt, zijn stemming en de thema’s die hij aan de orde stelt spelen allemaal een rol. En in Paulus’ geval moeten we er ook rekening mee houden dat hij zijn ‘secretaris’ misschien enige vrijheid heeft gegund. Dicteerde Paulus zijn brieven woordelijk, of liet hij toe dat de schrijvers invloed hadden op de formulering? Dan konden verschillende schrijvers ieder hun eigen stijl aan de brief meegeven. Van een ontwikkeld man als Paulus kun je verwachten dat hij niet steeds dezelfde thema’s aan de orde stelt in zijn brieven. Hij schreef ze immers als reactie op specifieke noden in de gemeenten. Dat hij in de brief aan de Kolossenzen deze thema’s behandelt, komt omdat hij moest ingaan tegen de verkeerde ideeën die juist daar leefden. Paulus past zelfs zijn woordgebruik aan bij dat van de dwaalleraren. Bovendien zien we overeenkomsten met de brief aan de Galaten: bijvoorbeeld als Paulus de zelfbedachte godsdienstige regels afwijst, die hij ‘de machten van deze wereld’ noemt (Gal. 4:8-11; Kol. 2:16-23). Er zijn dus geen gegronde redenen om de brief niet aan de apostel Paulus toe te schrijven (1:1).”

Deze drie studiebijbels, geschreven onder redactie van bijbelgeleerden, stellen dus dat de argumenten van de “zorgvuldig opererende wetenschappers” waarachter Van den Brink zich hier schaart, niet deugen. Er is over deze argumenten nog veel meer over te zeggen,6 maar waar het om gaat is dat Van den Brink ook hier de kant lijkt te kiezen van negentiende-eeuwse inzichten ten koste van de traditie, waarbij hij stelt dat hij zich baseert op deugdelijk wetenschappelijk onderzoek.

De ironie hiervan is, dat de auteur in dit hoofdstuk nu juist waarschuwt tegen sciëntisme, “de verabsolutering van wetenschap en wetenschappelijke kennis” (p. 134). Terecht stelt hij dan ook, als titel van de paragraaf die begint op pagina 137: “Wantrouw niet de wetenschap maar deze filosofie”. In dit gedeelte schrijft hij: “Het is echter een misvatting dat de wetenschap op gespannen voet zou staan met het geloof en dus aanleiding is om dat geloof te laten varen. Veeleer is het een bepaalde filosofie die zo werkt – de filosofie van het sciëntisme. Niet wetenschap is dus een riskante onderneming, maar, net als in de dagen van Timotheüs en Paulus, filosofie. Pas wanneer er met plausibel klinkende redeneringen een bepaalde filosofie aan de wetenschap gekoppeld wordt, kan dat leiden tot erosie en uiteindelijk verdwijning van je geloof.” (p. 127-128)

En dit is het punt. De evolutietheorie, die ten grondslag ligt aan de inzichten van Van den Brink waarop zijn boeken En de aarde bracht voort en Onderzoek alle dingen gebaseerd zijn, is nu juist gebaseerd op on-Bijbelse filosofie. Hoewel Het ontstaan van soorten deze trend in de negentiende eeuw inzette, ligt de bakermat voor een alternatieve ontstaansgeschiedenis7 al in de klassieke oudheid. Evolutionistische opvattingen dateren al van voor Christus en werden op filosofische gronden al omarmd voordat het bewijs hiertoe aanleiding gaf.

Met de Verlichting is in Europa de wetenschap los komen te staan van het geloof.8 Invloedrijke lieden als Bernard de Fontenelle (1657-1757), Benoît de Maillet (1656-1738), Georges-Louis Leclerc, bekend als Comte de Buffon (1707-1788) en François-Marie Arouet, bekend onder de naam Voltaire (1694-1778), hebben zich naar het schijnt laten leiden door een afkeer van het protestantse idee van Sola scriptura9 en een hang naar Oosterse religies en atheïsme.10

Deze Franse filosofen hadden gedurende de achttiende eeuw hun invloed op Britse geleerden als David Hume (1711-1776), Erasmus Darwin (1731-1802) en James Hutton (1726-1797). In het verlengde van Hutton plaveide Charles Lyell (1797-1875) met het idee van het uniformitarisme11 de weg voor de theorie van Charles Darwin (1809-1882) dat het leven zich gedurende vele miljoenen jaren op natuurlijke wijze ontwikkeld heeft vanuit één of enkele vormen.12

Veelzeggend is wat Philip Bell in diens boek Evolution and the Christian Faith – Theistic evolution in the light of Scripture schrijft over de Schotse politiek commentator en televisiepresentator Andrew Marr: “In his BBC documentary series, Darwin’s Dangerous Idea, he reiterated his connection between belief in evolution and the dismissal of the loving Creator of the Bible. […] “This was creation according to Darwin, no Adam, no need for God,” said Marr. He continued: “ ‘Man, wonderful man’, wrote Darwin, ‘must collapse into Nature’s cauldron. He is not a deity, he is no exception.’ ” At a stroke, Darwin had demolished the biblical account of creation.[ref.] This evolutionary demolition job on the biblical view of mankind had far-reaching consequences.13

Met de strekking van Van den Brinks negende hoofdstuk ben ik het eens, namelijk dat “de filosofie van het sciëntisme […] niet houdbaar [is]” (p. 138). Toch is het juist een dergelijke filosofie die aan de basis staat van Onderzoek alle dingen. Dat is de ironie van dit hoofdstuk: de evolutietheorie – want dit is uiteindelijk de ‘wetenschap’ waar het in dit boek allemaal om te doen is – komt voort uit dergelijke filosofieën. Maar zoals Paulus (en niet een ander, zo moeten we toch voorzichtig concluderen) schrijft: “Wees op uw hoede en laat u niet meeslepen door holle en misleidende theorieën die op menselijke tradities zijn gebaseerd en zich richten op de machten van de wereld en niet op Christus.” (Kol. 2:8, NBV21)

Onderzoek alle dingen

Het laatste hoofdstuk, met dezelfde titel als het boek als geheel, heeft mij eerlijk gezegd positief verrast. Gelezen hiervoor wordt 1 Thessalonicenzen 5:12-28 en het ‘onderzoeken van alle dingen’ zoals beschreven door Paulus, of – zo beredeneert Van den Brink op pagina 146 – beter gezegd: ‘beproeving’, ‘toetsing’ van alles, blijkt in de eerste paragraaf van dit hoofdstuk niet te slaan op wetenschappelijke14 theorieën, maar op valse profetieën.

Toch kan het niet uitblijven dat ook wetenschappelijke toetsing een rol speelt, en dat gebeurt inderdaad in de volgende paragraaf: ‘Toetsing in de wetenschap’. Met aanhaling van onder meer Karl Popper en Albert Einstein stelt de auteur terecht dat het in de wetenschap om toetsing en falsificatie gaat. Vervolgens bespreekt Van den Brink dat er in de wetenschap sprake is van paradigma’s. Een paradigma beschrijft hij als een “groter netwerk van theorieën, inclusief allerlei vooronderstellingen, aannames over hoe je ze moet toetsen et cetera” (p. 151) en hij noemt in dit verband Thomas Kuhn (1922-1996), die met de term kwam.

Kuhn schrijft in zijn bekende boek De structuur van wetenschappelijke revoluties over paradigma’s: “De beslissing om het ene paradigma te verwerpen is altijd tegelijkertijd de beslissing om het andere te aanvaarden, en het oordeel dat tot die beslissing leidt behelst de vergelijking van beide paradigma’s met de natuur en met elkaar. Daarnaast is er een tweede reden om eraan te twijfelen dat wetenschappers paradigma’s verwerpen omdat ze geconfronteerd worden met anomalieën of tegenvoorbeelden. […] [Wetenschappers] zullen talrijke verfijningen en ad-hocwijzigingen van hun theorie verzinnen om elk open conflict te vermijden.”15

De laatste paragraaf van Onderzoek alle dingen heet ‘Nogmaals broeder Juniper’. ‘Nogmaals’, omdat het laatste hoofdstuk ook begint met een relaas over dit personage uit de prijswinnende film The Bridge of San Luis Rey (1927). De strekking: broeder Juniper toetste de leer van Gods voorzienigheid en ook de theologie als wetenschap is toetsbaar, zij het dat hierin volgens Van den Brink meer sprake is van paradigma’s dan in de natuurwetenschap. Als het gaat om “levensbeschouwing en geloof” is er immers sprake van “grote en ongrijpbare dingen”, maar “gaat het vooral ook over een God die zich in zijn verhevenheid per definitie aan onze waarnemingen en meetzucht onttrekt” (p. 155).

Het boek eindigt, net zoals elk hoofdstuk, met enkele zinnige gespreksvragen en een alternatieve groepsverwerking. Een nawoord ontbreekt, en is wellicht ook niet nodig. Ik beperk me in dit vijfde en laatste deel van mijn bespreking van Onderzoek alle dingen tot de voorzichtige conclusie dat het boek de lezer in elk geval heel wat stof tot nadenken biedt. De auteur stuurt mijns inziens geraffineerd richting waardering van ‘de wetenschap’ als methode, om vervolgens – halverwege het boek – de evolutietheorie naar voren te schuiven als een deugdelijke vorm van wetenschap, die noopt tot het anders lezen van de Bijbel dan wellicht tot dan toe gedaan werd. Ik heb in deze reeks artikelen betoogd dat deze ‘alternatieve’ lezing niet houdbaar is, en dat veel van de groteske claims uit de evolutietheorie dat evenmin zijn. De welwillende lezer van Onderzoek alle dingen en van dit vijfluik kan zelf zijn of haar balans opmaken, eventueel zelf verder onderzoek doen, en ‘het goede behouden’.

Evolutie of ontwerp? – Evolutiebioloog Ruben Jorritsma (MSc.) spreekt op 28 september 2022 D.V. voor Deventer Denkt

Deventer Denkt nodigt u 28 september uit voor een interessante avond over het onderwerp: evolutie of ontwerp? Door evolutiebioloog Ruben Jorritsma (MSc.).

Waar komen we vandaan?

Het antwoord op die vraag kan grote consequenties hebben voor hoe je in het leven staat. De meeste wetenschappers geloven in de evolutietheorie. En dat is niet voor niets: overeenkomsten tussen soorten lijken er duidelijk op te wijzen dat ze afstammen van een gemeenschappelijke voorouder. En fossielen schijnen aan te tonen dat het leven over miljoenen jaren langzaam is ontwikkeld.

Maar er zijn ook tegenargumenten: natuurlijke selectie is een traag en inefficiënt proces en is niet in staat het ingenieuze ontwerp van de cel te verklaren. Zijn we dan misschien toch geschapen door een intelligente Ontwerper? Ruben Jorritsma heeft evolutiebiologie gestudeerd aan Wageningen Universiteit.

Tijd

De avond duurt van 20:00 – 21:30 uur. De locatie gaat open om 19:30 uur en de lezing start om 20:00 uur. Na afloop van het praatje is er ruime gelegenheid voor het vraag- en antwoordgedeelte met de spreker.

Locatie

De gymzaal van Evangelisch Kindcentrum De Olijfboom. Enkdwarsstraat 2, 7413 TV Deventer.

10 minuten lopen vanaf het treinstation Deventer Centraal.

Parkeren

Je kunt onder andere bij de volgende locaties gratis parkeren.

1. Schurenstraat (bij Centrum voor Gezondheid Hoge Hond)
2. Schurenstraat 8 (achter het gebouw van het Apostolisch Genootschap)

Kosten

Toegang is gratis, wel is er een collecte om de onkosten te dekken. Aanmelden voor deze avond is niet nodig.

Deze informatie is afkomstig van de website Deventer Denkt. Hier is meer informatie te vinden over de organisatie en de avond(en).

‘Hoe verder de wetenschap het leven ontrafelt, hoe meer ik van Gods wijsheid en almacht zie’ – Interview met dr. Arie Sonneveld in het Reformatorisch Dagblad

“Ik heb veel gehad aan de oratie van Han Zuilhof, hoogleraar organische chemie aan de Wageningen Universiteit, in 2008.1 Van hem leerde ik dat nucleïnezuren waaruit ons DNA bestaat zo instabiel zijn als wat. Ze zijn verdwenen voordat ze de complexe moleculen, de polymeren, kunnen vormen, waaruit vervolgens het DNA zou zijn ontstaan. De wolkenkrabber van de evolutie heeft dus geen begane grond, stelde Zuilhof destijds.”2

Rolmodel

Dat stelde de biofysicus dr. Arie Sonneveld onlangs in een interview met het Reformatorisch Dagblad. In april 2022 gaf ik in een nieuwsbrief aan dat het voor studenten belangrijk is dat er rolmodellen zijn. Ik schreef: ‘Het is van belang dat studenten niet met deze twijfels en uitdagingen blijven lopen, maar te rade gaan bij een academicus als een soort mentor.’3 Ik was voornemens om zo nog meer rolmodellen te beschrijven, maar ‘de mens wikt, maar God beschikt’. Ons gezin kwam in grote zorgen terecht en deze zorgen zijn ook vandaag niet verdwenen.4 Onze lieve zoon overleed5 en zelf moest ik vanwege hartfalen ook al een aantal keren naar het ziekenhuis. Er is wel hoop, maar nog geen duidelijk uitzicht op herstel. De noodzaak van rolmodellen verdween echter niet naar de achtergrond en vandaag wil ik proberen om opnieuw een rolmodel voor het voetlicht te brengen. Niet om in de mens te eindigen, maar omdat God in Zijn oneindige goedheid deze mensen Nederland nog geeft.

Interview

Van de hand van wetenschapsjournalist Bart van den Dikkenberg (MSc.) verscheen op vrijdag 9 september 2022 een interview in het Reformatorisch Dagblad met de dr. Arie Sonneveld. Dr. Sonneveld promoveerde in 1981 als biofysicus aan de Universiteit van Leiden op een proefschrift met als titel ‘Primary photochemistry and energy transfer in photosystems I and II of photosynthesis: effects of magnetic field and temperature on submicrosecond chlorophyll a emission’. Dit jaar schreef hij een boek over schepping en evolutie met als titel ‘Boven tijd en toeval’. Het boek verscheen bij de bekende uitgever Buijten & Schipperheijn Motief.6 Voor Van den Dikkenberg een terechte reden om hem te interviewen voor de krant. De geleerde wijst de evolutietheorie, in de zin van Universele Gemeenschappelijke Afstamming, om biochemische, – fysische en -informaticale reden af. We kunnen niet het hele interview citeren, maar we proberen het samen te vatten.7

Thermodynamica

Op de middelbare school is Sonneveld onderwezen in de zesdaagse schepping als waarheid. Later op de landbouwhogenschool in Wageningen werd deze scheppingsgeschiedenis van de hand gedaan als interessante proza en werd aangegeven dat we (met de evolutietheorie) nu beter weten. Als student las hij het boek ‘Man’s origin, man’s destiny’ van de driemaal gepromoveerde dr. Arthur E. Wilder-Smith (1915-1995).8 Daardoor kreeg hij interesse in de thermodynamica. Hij vroeg Hans Lyklema (1930-2017), zijn hoogleraar thermodynamica9, om zijn mening. ‘Hoe kunnen geordende en complexe organismen ontstaan uit de wanorde van de oerknal?’, zo vroeg Sonneveld aan de professor. Hoe reageerde Lyklema? Sonneveld: “Hij had het boek (van Wilder-Smith, JvM) drie maanden in bezit en gaf het terug zonder commentaar. Heel apart. Wat belette hem om te zeggen dat hij er zwakheden in zou kunnen aanwijzen? Maar wellicht was het boek voor Lyklema te confronterend. Zijn reactie gaf mij het gevoel: ik heb beet. Saillant detail: nu, vijftig jaar later, bevestigt een artikel in New Scientist dit entropieprobleem.10 Door de oratie van prof. dr. Han Zuilhof, zie de inleiding hierboven, zag hij in dat het verhaal van zelforganisatie van moleculen niet deugt, ‘want ook de zelforganisatie kan de tweede hoofdwet van de thermodynamica niet omzeilen’.

Informatie

Op vakantie in Spanje kwam dr. Sonneveld een atheïst tegen en raakte met hem in discussie. De atheïst was computerdeskundige. Hij gaf tegenover de biofysicus aan dat hij sommige zaken ook niet begreep: “Ik ben atheïst, maar de informatiedichtheid van ons DNA gaat de informatiedichtheid van mijn laptop meer dan 10.000 keer te boven. Wie zit daarachter?” Een onoplosbaar raadsel voor de evolutietheorie. Sonneveld: “We hebben te maken met informatie, en meer specifiek: de toename van informatie. Dat er informatie in ons DNA bestaat, is een feit. Evolutionair bioloog Eugene Koonin wijst in zijn boek ‘The logic of chance’ op het probleem van het ontstaan van informatie. Hij schrijft dat er nog niet het begin van een oplossing is, en hij heeft het vermoeden dat die nooit komt.” Hoe kan DNA zo’n rijke bron van informatie zijn? “Er is in de schepping sprake van een verbijsterende orde, ongekende samenhang en een overdonderende hoeveelheid informatie. En er is sprake van innovatie; en het is nog nooit vertoond dat die plaatsheeft door tijd en toeval.” Waar komt informatie dan vandaan?11 De biofysicus verwijst tijdens het interview naar het boek ‘Belijdenissen’ van de kerkvader Augustinus.12 Sonneveld: “Augustinus schrijft in zijn ‘Belijdenissen’ dat als de mens iets maakt, hij daarvoor materie en gereedschap nodig heeft. Maar God niet. God sprak, en de informatie was er. De informatierijkdom in de natuur is verpletterend en overdonderend. Als concept staan Genesis 1 en Johannes 1 ontzettend sterk. God de Vader gebruikte ‘in den beginne’ Logos, het Woord, om de wereld in aanzijn te roepen, en de Heilige Geest geeft tijdens de scheppingsdagen gaven aan de mensen, schrijft Augustinus. Mooier kan ik het niet zeggen.

Theïstische evolutie

De biofysicus wijst theïstische evolutie af. Ook het voorbeeld van dr. Ard Louis om theïstische evolutie te zien als intelligent design, dan wel ontwerp dat zichzelf organiseert, neemt Sonneveld niet over.13 Sonneveld: “In de praktijk zie ik dat theïstisch evolutionisten nog veel grotere zendelingen zijn voor de evolutietheorie dan atheïstische evolutionisten. De laatsten zeggen tenminste nog dat er een aantal logische onmogelijkheden bestaan. Maar theïstisch evolutionistische hoogleraren beweren in discussies dat de problemen van de evolutietheorie over een aantal jaren wel opgelost zijn. Maar volgens mij is dat een god-van-de-hypothesen, een ongeldige redenering waarmee de discussie wordt doodgeslagen. Met fantasie omzeil je geen natuurwetten.14 Overigens wijst Sonneveld ook het zogenoemde jongeaardecreationisme af. Volgens hem wijzen de wetenschappelijke gegevens erop dat deze aarde een veel hogere leeftijd heeft. Wel benadrukt de geleerde dat de aarde een ‘volstrekt uniek’e plaats heeft in het heelal. Waar staat de geleerde dan wel in het schepping-evolutie-debat? Sonneveld: “Met de Britse theoloog Alister McGrath wil ik de schepping een ‘open geheim’ noemen. God is te groot om Hem te vangen in een beeld. Daar krijgen wij nooit grip op. De hoe-vraag, hoe God heeft geschapen, vind ik afleiden van de kern.15 Wat die kern volgens hem dan wel is dat wordt niet duidelijk uit het interview.

Slotakkoord

Hij keert tenslotte terug bij zijn eigen vakgebied, biofysica en fotosynthese. Het lukt wetenschappers nog niet om een levende cel exact na te maken. De best mogelijke kunstmatige cel is een miljard keer simpeler als de levende cel. Sonneveld: “Of neem fotosynthese, mijn expertise. Zonlicht wordt met een ongekend hoog rendement omgezet in energie voor de plant. Zover zijn we met onze zonnepanelen bij lange na niet.” De wetenschap heeft Sonneveld God als Schepper laten zien. “Hoe verder de wetenschap het leven ontrafelt, hoe meer ik van Gods wijsheid en almacht zie. God is niet te vangen met onze wetenschap.

Voetnoten

Onderzoek alle dingen – Een kritische bespreking (4): Over de toekomst en bewijs

In dit vierde deel van het vijfluik waarin ik het boekje Onderzoek alle dingen – Bijbelstudies over geloof en wetenschap1 van Gijsbert van den Brink bespreek, ga ik in op de hoofdstukken 7 en 8 daarvan.

To be continued

Het Bijbelgedeelte dat voor hoofdstuk 7 gelezen moet worden is 1 Korinthe 15:35-49. Hier schrijft Paulus over de opstanding uit de dood. Onder het kopje ‘Opstanding en wetenschap’ beschrijft Van den Brink de tegengestelde visies hierop tussen gelovigen en niet-gelovigen, waarbij hij aanstipt dat opstanding uit de dood wetenschappelijk gezien niet valt uit te sluiten.

Dan volgt de paragraaf ‘Twee soorten lichamelijkheid’. Hierin schetst Van den Brink de vergankelijkheid van ons menselijk lichaam, dat ondanks zijn enorm vernuftige samenstelling overgeleverd is aan ziekte en dood. Het is ‘zeer goed’, maar volgens Van den Brink is ‘zeer goed’ niet ‘perfect’, zoals hij meent eerder in zijn boek te hebben aangetoond. Dit in tegenstelling tot het geestelijke lichaam, dat wel “echt perfect” is (p. 104).

Het is allemaal een opmaat naar wat er vanaf pagina 105 beschreven gaat worden onder het kopje ‘Het natuurlijke lichaam als schepping’. De auteur werpt hier de vraag op hoe het komt dat ons lichaam aan verval onderhevig is. Zijn antwoord hierop brengt de lezer wederom op het punt waar deze telkens weer naartoe wordt geloodst: we zijn niet apart en onsterfelijk geschapen, maar uiteindelijk gewoon ‘sterrenstof’ (met aanhaling van het gelijknamige boek van René Fransen uit 2009 op pagina 106). Van den Brink schrijft, kennelijk wel aanvoelend dat dit schuurt: “De dogmatiek in mijn hoofd roept in elk geval luidkeels: ‘Dat komt door de zonde!’ […] Opvallend genoeg zegt Paulus hier iets anders.” (p. 106) Dit belooft wat, zoals in het vervolg ook zal blijken.

“Op geen enkele manier suggereert Paulus dat de werking van ons lichaam veranderd zou zijn door de zondeval,” schrijft Van den Brink op pagina 106, waarbij hij aangeeft dat Paulus de vergankelijkheid van ons huidige lichaam onderstreept met een citaat uit Genesis 2: “De eerste mens is geworden tot een levend wezen” (Genesis 2:7). Op de pagina erna bestaat het de auteur deze paragraaf als volgt te besluiten: “De Bijbelse doorlichting van ons menselijk bestaan en de evolutietheorie vallen elkaar op dit punt zogezegd bij en vullen elkaar aan.” Er is ons weliswaar leven ingeblazen, maar we hebben “van meet af aan” bescherming nodig voor ons bedreigde bestaan, is de redenatie hierbij. Maar is dat zo?

Het is in elk geval zo dat Paulus in het besproken Bijbelgedeelte zijn argumentatie baseert op Genesis 1 en 2. In vers 40 van het te lezen gedeelte uit de Korinthebrief schrijft Paulus dat het vlees van mensen, dieren, vissen en vogels verschillend is. Een duidelijke herinnering aan het feit dat deze groepen apart geschapen zijn (‘naar hun aard’) en een directe ontkrachting van enige vermeende overeenstemming tussen 1 Korinthe 15:35-49 en de evolutietheorie, die immers stelt dat ‘alle vlees’ hetzelfde is. Waarom spoort Van den Brink zijn lezers eerder in zijn boek aan de Bijbel goed te lezen, maar slaat hij zelf een dergelijke passage over, terwijl die nu juist zo duidelijk aantoont hoe de kaarten op tafel liggen?

Laat ik nu een stukje citeren dat Van den Brink op pagina 108 schrijft onder het kopje ‘Het geestelijke lichaam als herschepping’: “Je zou dus kunnen zeggen dat Paulus hier zijn eigen ontwikkelings- of evolutietheorie ontvouwt: eerst is er het natuurlijke, zegt hij, daarna komt het geestelijke (vs. 46). God werkt blijkbaar van minder naar meer complex. Ofwel van zeer goed naar perfect. Zijn scheppingswerk was met de creatie van de eerste Adam nog niet voltooid, tekende de toonaangevende gereformeerdebonds-predikant C. den Boer in de vorige eeuw al aan bij deze worden van Paulus. Er is immers ook nog een herschepping.” Van den Brink redeneert dat er geen sprake is van “een soort terugkeer naar de oorspronkelijke toestand”, maar van “een oorspronkelijk plan” (p. 109). Met andere woorden wil hij kennelijk zeggen dat God ons sterfelijk geschapen heeft en dat Paulus dit betoogt in 1 Korinthe 15. Dit is de kern van waar het Van den Brink in dit hoofdstuk van zijn boek om lijkt te gaan.

Het zou echter erg vreemd zijn als Paulus zichzelf zo zou tegenspreken. In Romeinen 5 maakt hij heel duidelijk dat de dood in de wereld is gekomen vanwege de zonde, en de zonde was geen onderdeel van de schepping – of we die nu ‘zeer goed’ of ‘perfect’ willen noemen. Van den Brink spreekt zichzelf wél tegen. In het vorige hoofdstuk, op pagina 96, schrijft hij namelijk: “Dat wij mensen sterfelijk zijn, hoort bij ons leven; zo zijn we geschapen. Maar de dood hoorde aanvankelijk niet bij. God zorgde er om zo te zeggen voor dat die niet toesloeg zolang Adam en Eva Hem bleven vertrouwen en gehoorzamen. Pas toen ze voor zichzelf kozen, konden ze de dood niet langer ontlopen. […] Verouderingsprocessen hebben van meet af aan vat op ons. En aangezien God die processen niet meer afremt of voorkomt, gaan we zonder uitzondering op enig moment de weg van alle vlees.”

Hoorde de dood er nu aanvankelijk wel bij of niet? Zijn wij sterfelijk geschapen, maar waren we niet sterfelijk zolang we God “bleven vertrouwen en gehoorzamen”? Schiep God met andere woorden iets dat Hij vervolgens tegen moest houden, maar dat tegelijk het mechanisme was waarmee Hij werkte om vanuit een eencellige tot al het andere leven te komen – ook tot de mens? In hoofdstuk 6 redeneert Van den Brink dat de zonde de mensen vanaf Adam was aan te rekenen en dat de dood om die reden het gevolg van de zonde is voor alle mensen die het nageslacht van Adam zijn. Ook schrijft hij dat de dood onderdeel van de schepping is, en dus al vóór Adam aanwezig was in het dierenrijk en bij de door Van den Brink genoemde menselijke types die we volgens hem niet ‘preadamieten’ moeten noemen. Alleen is nu het punt: Paulus maakt ook in 1 Korinthe 15 de vergelijking tussen ‘de eerste Adam’ en ‘de laatste Adam’. Als de redenering van Van den Brink zou kloppen, dan zou Paulus in de Korinthebrief doelen op de vergankelijkheid van het menselijk lichaam van meet af aan die het gevolg is van het sterfelijk geschapen zijn van al het leven, dus ook het leven van dier en ‘niet-maar-misschien-toch-preadamiet’ al van ver voor Adam. Maar Paulus doelt nu juist op de vergankelijkheid die begon bij Adam, dus op de dood als gevolg van de zonde.

Van den Brink vervolgt zijn relaas door te vertellen dat Paulus zijn inzichten ontleent aan de opgestane Christus: Zijn opstandingslichaam is het soort lichaam dat ook wij eens zullen krijgen. Dit is, zoals de auteur schrijft, “de bodem onder Paulus’ verwachting” (p. 109). De vraag die blijft hangen is dan: was Christus’ lichaam vóór Pasen dan ook slechts ‘sterrenstof’? Was ook Hij in de periode voorafgaand aan Golgotha een door toevallige mutaties ontstane, doorontwikkelde aapachtige? Ik zou hier haast zeggen: de vraag stellen is hem beantwoorden. De niet beschreven implicaties van de lijn die Van den Brink volgt, doen des te meer voelen dat hier iets wringt.

De auteur beëindigt dit zevende hoofdstuk met twee vragen: “een natuurwetenschappelijke [en] een theologische” (p. 110). De natuurwetenschappelijke vraag luidt: “Spoort de verwachting van zo’n nieuwe, eeuwige bestaanswijze en een verheerlijkt lichaam wel met de voorspellingen van de wetenschap over de toekomst van het heelal?” Van den Brink geeft toe dat de doemscenario’s die de wetenschap voor het heelal in petto heeft – ‘koudedood’ door uitdijing, ‘warmtedood’ door omkering van deze uitdijing of een heen-en-weer gaan tussen uitdijing en inkrimping – “op het eerste gezicht […] op spanning [lijken te] staan met de visie van Paulus.” Maar ook hier weet hij er een draai aan te geven waardoor “[w]etenschap en geloof elkaar […] bepaald niet [uitsluiten]” (p. 111). God bepaalt immers wanneer en hoe het universum ophoudt te bestaan. Het is mogelijk dat de nieuwe hemel en de nieuwe aarde eerder worden verwezenlijkt dan dat de toekomstscenario’s van ‘de wetenschap’ in werking treden. Als u nu denkt: dat is wel een wat gemakkelijke oplossing, dan ben ik dat geheel met u eens. Op deze manier sluiten wetenschap en geloof elkaar nooit uit, want het komt erop neer dat ‘de wetenschap’ van alles kan roepen, maar dat God altijd anders kan besluiten. Waarom kiest Van den Brink dan niet voor deze gemakkelijke oplossing als het gaat om wat ‘de wetenschap’ roept over het niet-waarneembare verleden? God heeft immers al beschreven dat ook dit er anders aan toe ging dan tegenwoordig gesuggereerd wordt vanuit wetenschappelijke hoek.

Niettemin stelt hij dat de tweede, theologische vraag veel moeilijker is. “Dat is deze: waarom heeft God de nieuwe bestaanswijze die Hij belooft niet meteen geschapen? Waarom zo’n enorm lange omweg met alle lijden en pijn die ermee gepaard gaat? Het antwoord op die vraag kennen we niet.” (p. 112) Van den Brink haalt Augustinus aan, die stelde dat God het blijkbaar beter vond het goede uit het kwade voort te brengen dan om het kwade niet toe te staan. Ik betwijfel of Augustinus dit heeft gezegd met hetzelfde indachtig als Van den Brink. In elk geval was het zo dat Augustinus uitging van een schepping uit niets, alleen zinspeelde hij erop dat deze in één ogenblik plaatshad in plaats van gedurende zes dagen. Van den Brink lijkt hier te doelen op een ontstaanswijze conform de evolutietheorie en dat is zeker niet waar Augustinus op heeft gedoeld.

Volgens Van den Brink zou Paulus op “een ‘getrapte’ werkwijze van de Schepper” zinspelen in vers 46, waar hij schrijft: “Het geestelijke is echter niet eerst, maar het natuurlijke en daarna komt het geestelijke.” (HSV) Van den Brink suggereert, met theoloog A.A. van Ruler (1908-1970), dat dit nodig was om de mensen ‘vuurvast’ te maken: immuun voor de zonde, zodat deze niet meer kan plaatshebben in de nieuwe schepping. We zouden dan geen zonde meer willen, omdat we de ellende ervan hebben ervaren en er berouw van hebben. God zou dus via lijden en dood hebben geschapen zodat wij door deze ellende te ervaren er wel voor oppassen ons in de nieuwe schepping te misdragen? Het klinkt wellicht wat onvriendelijk, en dat zij helaas even zo, maar dit is wat mij betreft toch echt volslagen kletskoek. Het antwoord op de tweede, “en veel moeilijkere,” theologische vraag is juist heel eenvoudig: God hééft een dergelijke bestaanswijze geschapen, alleen hebben wij dat met Adam verknoeid. Het verschil met de nieuwe schepping is alleen dat dit straks dankzij Christus niet meer mogelijk is. De vraag deugt simpelweg niet, omdat God helemaal niet via lijden en dood geschapen heeft; lijden en dood kwamen pas ná de schepping.

Doorslaggevend bewijs?

Voor het achtste hoofdstuk van Onderzoek alle dingen wordt Johannes 14:1-11 gelezen. Van den Brink vangt aan met de onzekerheid die de discipelen hadden over het spoedige heengaan van Jezus. Hij omschrijft daarbij Filippus als empiricus, die bewijs wil zien voor wat Jezus vertelt over Zijn Vader. De auteur vermeldt dat het belangrijker is te letten op hoe Jezus omgaat met scepsis dan dat sceptisch zijn van alle tijden is, maar maakt “eerst weer even een uitstapje naar de wetenschap” (p. 118).

Die wetenschap blijft in het boek van Van den Brink, getuige ook de ondertitel, van belang. Met aanhaling van Copernicus en de ontwikkeling van coronavaccins prijst hij de empirie van de natuurwetenschap. Ook de sociale wetenschappen en de geesteswetenschappen bespreekt hij in dit gedeelte. In alle gevallen draait het volgens Van den Brink om empirische feiten. “Het is deze mentaliteit die het aanzien van de wereld de afgelopen eeuwen op tal van fronten fundamenteel veranderd heeft.” Een verandering waar Van den Brink waarschijnlijk niet op doelt, is het feit dat het tegenwoordig kennelijk vaak niet lukt om wetenschappelijk onderzoek te herhalen; er is blijkbaar sprake van een ‘reproduceerbaarheidsprobleem’.2 Bovendien heeft empirie weinig te maken met het overgrote deel van de evolutietheorie, waar het uiteindelijk steeds weer om te doen is bij Van den Brink. Wat zich in het verre verleden zou hebben afgespeeld gedurende vele miljoenen jaren valt per definitie niet empirisch te onderzoeken, en wat wél empirisch onderzocht kan worden duidt telkens weer op niet meer dan variatie binnen dezelfde typen organismen (denk bijvoorbeeld aan het bekende experiment van Richard Lenski met de bacterie E. coli).3

Onder het kopje ‘Valt geloof te bewijzen?’ geeft Van den Brink aan dat het bestaan van God weliswaar nooit hard kan worden bewezen, maar dat er wel degelijk goede argumenten voor zijn. Uiteindelijk, zo schrijft hij, kun je echter het beste gewoon de Bijbel lezen. Dat sluit aan bij wat hij in het volgende gedeelte, ‘Twee soorten kennis’, schrijft. Op basis van argumenten zal iemand zelden tot geloof komen. Het gaat ook niet om de overtuiging dat God bestaat, maar om de persoonlijke relatie met Hem. Van den Brink maakt het verschil duidelijk tussen ‘feitelijke kennis’ en ‘vertrouwdheidskennis’. Uiteindelijk is het laatste veel belangrijker.

Van den Brink eindigt dit hoofdstuk met de paragraaf ‘Doorslaggevend geloof’, waarin hij weer terugkomt bij Filippus. Hij laat zien dat het Jezus gaat om vertrouwen in Hem; om vertrouwdheidskennis, de persoonlijke ervaring met Jezus. Het komt erop aan dat je je laat overtuigen om in Hem te geloven en op Hem te vertrouwen. Als de bereidheid daartoe ontbreekt, bieden ‘harde feiten’ ook geen soelaas. “Want zo hard, in de zin van dwingend, is bewijs doorgaans helemaal niet. Dat zien we vandaag ook als het om wetenschap gaat,” schrijft Van den Brink op pagina 126. Hier sluit ik me bij aan, en zeker als het gaat om het soort ‘wetenschap’ die heeft geleid tot het boek Onderzoek alle dingen. Sciëntisme4 is tenslotte niet de sleutel tot het goed lezen van de Bijbel, zoals Gijsbert van den Brink in dit hoofdstuk gelukkig (en enigszins paradoxaal) ook laat zien.