Home » Evolutietheorie

Categoriearchief: Evolutietheorie

Scheppingsgedachte uit klas bannen zet leerlingen op dwaalspoor

Dit artikel is samen met Jan van Meerten geschreven.

Het recent gelanceerde EvoKE-project heeft een kwalijke agenda, stellen Hans Degens en Jan van Meerten. Door het scheppingsparadigma in het onderwijs te bestrijden, ontnemen de initiatiefnemers kinderen de mogelijkheid om onbevangen over de oorsprong van het leven na te denken.

“Een monopoliepositie van de evolutietheorie in het onderwijs bemoeilijkt een onbevangen houding van leerlingen.” Bron: Pixabay.

In Europa is er dit jaar een nieuw initiatief gestart: EvoKE. De letters staan voor ”Evolutionary Knowledge for Everyone” (evolutionaire kennis voor iedereen). Het doel van het project is Europeanen kennis bij te brengen van de evolutietheorie (in de zin van universele gemeenschappelijke afstamming) en hen te overtuigen van de juistheid ervan. Volgens de initiatiefnemers is evolutie het centrale beginsel binnen de biologie. Toch is niet iedereen in Europa daarvan overtuigd. Naar schatting 20 tot 40 procent van de Europese bevolking aanvaardt de evolutietheorie niet.

Dat komt volgens de initiatiefnemers van EvoKE doordat er talloze misvattingen over de theorie zijn en omdat macro-evolutie-in-actie niet valt waar te nemen binnen een mensenleven. Deze misvattingen zouden voor een belangrijk deel veroorzaakt worden door het summiere, of soms zelfs geheel afwezige, onderwijs over de evolutietheorie op de middelbare school.

Om mensen vertrouwd te maken met de evolutietheorie stelt EvoKE voor om al vanaf de kleuterschool te beginnen met evolutionaire educatie, leerkrachten toe te rusten voor het onderwijzen van de theorie, en kindvriendelijk en eenvoudig materiaal te ontwikkelen voor radio en televisie.

Raad van Europa

Dat lijkt op het oog redelijk en niet iets om ongerust van te raken. In april verscheen er echter in ”Nature Ecology & Evolution” een interview met de initiatiefnemers. Hierin wordt ook gesproken over de Resolutie van de Raad van Europa (2007) aangaande ”De gevaren van creationisme in het onderwijs”. Volgens de raad is het scheppingsparadigma niet gebaseerd op feiten en maakt het geen gebruik van de logica en wetenschappelijke methoden.

Bovendien wordt het, tot onze verbijstering, door de raad gepresenteerd als „een bedreiging voor de mensenrechten.” Een dergelijk standpunt maakt duidelijk dat het hier niet alleen te doen is om verbetering van het begrip van de evolutietheorie, maar ook om bestrijding van het scheppingsparadigma. De raad heeft universele gemeenschappelijke afstamming verheven tot dogma en duldt geen twijfel aan de juistheid van de evolutietheorie. Dat de raad daarmee zelf buiten het terrein van de wetenschap treedt lijkt geen bezwaar.

Dogma

De overtuiging dat alle levensvormen afstammen van een gemeenschappelijke voorouder, komt in belangrijke mate voort uit een naturalistisch wereldbeeld, en uit de bewuste verwerping van de mogelijkheid dat alles is ontworpen. Dat de door religieuze (zo zegt de resolutie) overwegingen ingegeven scheppingsgedachte dus „een bedreiging voor de mensenrechten” vormen, is ongerijmd. Net zo goed zou de evolutietheorie, in belangrijke mate voortgekomen uit het naturalistische dogma, een bedreiging voor de mensenrechten genoemd kunnen worden.

Is de indruk van universele gemeenschappelijke afstamming wel zo sterk? Of is er sprake van een ontwerp? In die laatste richting wijst de Cambrische explosie. Het is een voorbeeld van het plotselinge, zonder aanwijsbare voorouders verschijnen van hoofdgroepen en bouwplannen in het fossiele archief. Een dergelijk plotseling optreden van levensvormen vergt enorme veranderingen in het genetisch materiaal. De vraag is hoe dergelijke veranderingen in geologisch bezien korte perioden tot stand konden komen. Al heb je miljoenen jaren daarvoor beschikbaar, er is simpelweg nog steeds veel te weinig tijd om de complexiteit van het fossiele archief te verklaren door middel van mutatie en natuurlijke selectie. Recombinatie en genoomduplicatie verkleinen dat probleem niet.

Intelligentie

Misschien nog interessanter is de vraag hoe die complexe genetische informatie door puur natuurlijke processen tot stand kon komen. We weten allemaal uit de praktijk dat informatie alleen gegenereerd kan worden door intelligentie. Dit is algemeen aanvaard, ook door evolutionisten als Sagan, die in 1974 gebaseerd op dit principe een bericht (de Arecibo Message) de ruimte in stuurde om daarmee in contact te komen met buitenaardse intelligentie. Waarom wordt dan de enorme hoeveelheid complexe informatie in het genoom, die vele malen die van de meest complexe software overschrijdt, gezien als een product van toeval? Is het eigenlijk niet veel redelijker om hierin een sterke aanwijzing voor een intelligente ontwerper te zien?

Het monddood maken van de mensen die het scheppingsmodel onderschrijven, komt dus niet voort uit een open en onbevangen analyse van de wetenschappelijke gegevens, maar veeleer uit een toewijding aan een naturalistisch wereldbeeld dat reeds bij voorbaat het creatieve werk van een Schepper uitsluit.

We stellen niet dat de evolutietheorie niet onderwezen zou mogen worden, maar uiten wel onze zorg dat niet alleen het scheppingsparadigma gecriminaliseerd wordt, maar dat ook een monopoliepositie van de evolutietheorie in het onderwijs een onbevangen houding van leerlingen bemoeilijkt.

Dit artikel is met toestemming van de auteur overgenomen uit het Reformatorisch Dagblad. De volledige bronvermelding luidt: Degens, H., Meerten, J.W. van, 2017, Scheppingsgedachte uit klas bannen zet leerlingen op dwaalspoor, Reformatorisch Dagblad Puntkomma 47 (45): 6-7 (artikel).

Thema-avond Waarheid en Vrede – Schepping en evolutie – 21 oktober 2020

Op woensdag 21 oktober 2020 organiseerde de Hervormde Vereniging ‘Waarheid en Vrede’ in de Augustijnenkerk te Dordrecht een themabijeenkomst over schepping en evolutie. Sprekers waren theoloog dr. Klaas D. Goverts en wetenschapsfilosoof prof. dr. Marc J. de Vries. Volgens de organisatie gingen de sprekers in op ‘Goddelijke openbaring, geloof, wetenschap, wereldbeeld en gevolgen van de aanvaarding van de evolutietheorie door Bijbelgetrouwe christenen’. De avond werd gestreamd via YouTube en is sindsdien bijna 1000 keer bekeken. Het is de moeite waard om de avond terug te kijken, beide sprekers weten de luisteraars te boeien. Met dank aan Dordrecht Wijk 2 en 7 verwijzen wij graag naar deze twee sprekers. Veel zegen bij het kijken en luisteren!

Omdat de organisatie het ’embedden’ uitgeschakeld heeft hier de link:
https://www.youtube.com/watch?v=G9ocBVP0X_k

Het gezag van de Schrift (2-slot): Waarom is het zo moeilijk voor de mens de Bijbel te aanvaarden en absoluut gezag toe te kennen?

“De scheppingsordening van het huwelijk wordt in het Nieuwe Testament zelfs geïntensiveerd. De verhouding van man en vrouw moet een afspiegeling zijn van de verhouding van Christus en Zijn kerk.” Bron: Pixabay.

De heilige kus en over slavernij

Ter onderbouwing van de zienswijze dat ook het Nieuwe Testament niet direct relevant kan zijn, wordt bijvoorbeeld gewezen op de opdracht elkaar een heilige kus te geven. Iets wat in de kerken van de gereformeerde gezindte niet gebeurd. Nu kan daar eenvoudig op worden geantwoord dat wij gehoor geven aan deze apostolische opdracht middels een cultureel equivalent van de heilige kus, namelijk een hartelijke handdruk.

Echter, zo horen we, wij wijzen toch terecht slavernij af en het Nieuwe Testament doet dat niet. Als wij hier lijnen doortrekken waarom dan niet als het gaat om de positie van de vrouw of het Bijbelse getuigenis van huwelijk en seksualiteit? Inderdaad, erkent het Nieuwe Testament slavernij als een maatschappelijke realiteit. Daarbij schrijft Paulus wel aan de gemeente van Korinthe: ‘Zijt gij, een dienstknecht zijnde, geroepen, laat u dat niet bekommeren; maar indien gij ook kunt vrij worden, gebruik dat liever.’ (1 Kor. 7:21).

Aan Filemon schreef Paulus over de weggelopen slaaf Onesimus het volgende: ‘Want wellicht is hij daarom voor een kleinen tijd van u gescheiden geweest, opdat gij hem eeuwig zou weder hebben. Nu voortaan niet als een dienstknecht, maar meer dan een dienstknecht, namelijk een geliefden broeder, inzonderheid mij, hoeveel te meer dan u, beide in het vlees en in den Heere.’ (Filemon 15–16). Niet onmogelijk is dat Paulus er op zinspeelt dat Onesimus wordt vrijgelaten. Zeker is dat in de mozaïsche wetgeving een Hebreeër nooit langer dan zes jaar slaaf kon zijn. In het zevende jaar werd hij vrijgelaten. De teneur van de Bijbel is dat slavernij nooit blijvend mag zijn.

Van belang is wel dat wij de complexiteit van het verschijnsel van slavernij onderkennen. We denken vaak aan de slavernij van Afrikanen en de Afrikaanse slavenhandel. Zeker is dat ook in de oudheid heel kwalijke vormen van slavernij voorkwamen. Slaven konden echter ook hoge posities bekleden. Slavernij stond niet los van de economische realiteit van schuld en de noodzaak van vast arbeidskrachten. Dan moeten we beseffen dat economische realiteiten die wij heel gewoon vinden, feitelijk in het licht van de oudheid als slavernij moeten worden gezien.

Bijvoorbeeld: een bedrijf betaalt je studie op voorwaarde dat je na afronding ervan minimaal vijf jaar bij dat bedrijf werkt. In het licht van de oudheid betekent dit vijf jaar slavernij, maar kwalijk kun je het moeilijk noemen. Anders ligt het met banken die zulke hoge leningen aan ondernemers verstrekken dat zij feitelijk een slaaf worden van de bank. Zij kunnen bepaald niet doen en laten wat zij willen. Nog altijd geldt dat het eerste doel van het Evangelie verzoening met God is en niet een totale vernieuwing van de maatschappij. Pas in het nieuwe Jeruzalem zal het zijn, zoals het zal moeten zijn.

Plaats van de vrouw

Nu is de slavernij geen scheppinginstelling. Dat geldt wel voor het huwelijk en daaraan gerelateerd de verhouding man en vrouw. De scheppingsordening van het huwelijk wordt in het Nieuwe Testament zelfs geïntensiveerd. De verhouding van man en vrouw moet een afspiegeling zijn van de verhouding van Christus en Zijn kerk. Een man moet voor zijn vrouw opkomen en haar beschermen, zoals Christus dat deed en doet voor Zijn kerk. De vrouw behoort haar man te gehoorzamen. Een getrouwde vrouw wordt zalig in het baren van kinderen. Een christelijk huwelijk vooronderstelt de bereidheid kinderen te ontvangen.

Dat is anders dan wat nu gangbaar is in onze westerse wereld, maar het Bijbelse getuigenis moet ons leven en wie weet vervolgens de cultuur stempelen. Het moet niet zo zijn dat de cultuur de inhoud van het getuigenis dat de kerk geeft, gaat bepalen. Dan is het kerkelijke getuigenis niet meer het Bijbelse getuigenis. Dat zien we zeker als het gaat om de positie van de vrouw.

Als het gaat om de zaligheid en het dienen van de Heere telt het onderscheid van man en vrouw niet. Dat neemt niet weg dat man en vrouw ook onder de nieuwe bedeling een eigen taak houden in het gezin, in de kerk en dat heeft dan ook zijn uitstraling naar de samenleving. Wie het Nieuwe Testament hier cultuurgebonden ziet, doet dat eigenmachtig zonder dat het Nieuwe Testament daar enige grond voor biedt.

Het beroep op de grote plaats van vrouwen rondom Jezus onder wie Maria in het Nieuwe Testament doet daar niets van af. De vrouwen die de boodschap van engelen over de opstanding hoorden, krijgen de opdracht dit de discipelen van Jezus te vertellen. Zij nemen niet hun plaats en taak over. Vrouwen hadden een een plaats in de eerste christelijke gemeenten.
We kunnen bijvoorbeeld denken aan Phebe. Zij is ongetwijfeld een wat rijkere vrouw geweest en een soort patrones geweest van de gemeente van Kenchreeën. In 1 Timotheüs 5 schrijft Paulus over de weduwen die diaconale diensten verleenden en door de gemeente werden onderhouden. Misschien is zij bedoeld met de vrouw die Paulus noemt in 1 Tm. 3:11, hoewel het waarschijnlijker lijkt dat de vrouwen van ouderlingen en diakenen zijn bedoeld.

Wie stelt dat het Nieuwe Testament de vraag naar de vrouw in het ambt open laat, leest het Nieuwe Testament wel heel bevooroordeeld. De uitspraken van Paulus in de pastorale brieven zijn volstrekt eenduidig en helder. Een ambtsdrager (diaken, ouderling onder wie ook wat wij een predikant noemen, is begrepen) is een man. Nergens geeft Paulus aanleiding tot de gedachte dat hij zich hierbij aanpast aan de omliggende cultuur.

Als betuigt dat hij de Joden ene Jood en de Grieken een Griek is (vgl. 1 Kor. 9:20v.), mogen we dat beginsel niet zo toepassen dat afstand nemen van zaken waaraan de Schrift ons uitdrukkelijk bindt. Concreet denkt Paulus aan de spijs- en reinheidswetten en wie zijn toespraak in Handelingen leest, bemerkt dat hij bij zijn boodschap zich rekenschap geeft van de voorkennis van zijn gehoor. Het laat ons zien hoe wij het genoemde beginsel moeten hanteren.

“Ingrijpender nog dan het relativeren van het Bijbelse getuigenis over man en vrouw is dat van het niet ernstig nemen van het getuigenis over huwelijk en seksualiteit. Dat is daarom ingrijpender, omdat volgens de Bijbel zelf men hiermee zijn zaligheid op het spel zet.” Bron: Pixabay.

Huwelijk en seksualiteit

Ingrijpender nog dan het relativeren van het Bijbelse getuigenis over man en vrouw is dat van het niet ernstig nemen van het getuigenis over huwelijk en seksualiteit. Dat is daarom ingrijpender, omdat volgens de Bijbel zelf men hiermee zijn zaligheid op het spel zet. In 1 Kor. 6:9-11 lezen we het volgende: ‘Of weet gij niet, dat de onrechtvaardigen het Koninkrijk Gods niet zullen beërven? Dwaalt niet; noch hoereerders, noch afgodendienaars, noch overspelers, noch ontuchtigen, noch die bij mannen liggen, noch dieven, noch gierigaards, noch dronkaards, geen lasteraars, geen rovers zullen het Koninkrijk Gods beërven. En dit waart gij sommigen; maar gij zijt afgewassen, maar gij zijt geheiligd, maar gij zijt gerechtvaardigd, in den Naam van den Heere Jezus, en door den Geest onzes Gods.’

Belangrijk is te beseffen dat alle seksualiteit buiten het huwelijk voor de Bijbel een vorm van hoererij is. (vgl. ook Deut. 22:22-30). Daarmee is niet ontkend dat de ene vorm van hoererij ingrijpender is dan de andere. De wissel gaat niet om bij het al dan niet accepteren van stabiele homoseksuele relaties of transitie, maar bij het accepteren van seks voor het huwelijk. De eeuwen door werd hierover schuldbelijdenis noodzakelijk geacht. Een schuldbelijdenis die een publiek karakter had als de zonde ook publiek was. Zonder schuldbelijdenis daarover kon men immers het koninkrijk van God niet ingaan.

Als men dit niet meer nodig acht, is acceptatie van homoseksuele relaties en van transitie een kwestie van tijd. Immers niet de Bijbel is dan maatgevend – zeker niet als het gaat om het beërven van Gods koninkrijk – maar de maatschappelijke consensus. Dan zie je wel dat kerken en christenen die consensus nog een Bijbelse en christelijke kleur willen geven.

Juist op het gebied van huwelijk en seksualiteit moeten de kerk en een tegencultureel geluid laten horen en een tegenculturele houding tonen. Dat hebben de eerste christenen gedaan. Dat deed de Vroege Kerk en wij moeten het ook doen. Wat wij zien is dat christenen die in de brede zin van het woord orthodox willen zijn, met een beroep op de grote nood van mensen een transitie of stabiele homoseksuele relatie als noodoplossing geoorloofd zien.

Ik wil de nood van hen die transgendergevoelens of homoseksuele gevoelens hebben niet ontkennen, maar de vraag is of wij die nood onder de koepel van het Bijbelse getuigenis moeten zetten of het Bijbelse getuigenis onder de koepel van die nood. Wie dat laatste doet, zal dat ook moeten doen bij singles met heteroseksuele gevoelens voor wie het gemis van seksueel contact ondraaglijk wordt.

Bij deze benadering is de gedachte dat God anders zal oordelen dan Hijzelf in Zijn Woord heeft geopenbaard. Maar waar is die gedachte op gegrond. Vaak wordt dan gezegd: wij moeten het oordeel aan God laten, maar dat betekent toch niet dat wij moeten aannemen dat God anders is dan Hij Zichzelf heeft geopenbaard. We moeten dan aannemen dat er op de regel dat een mens wedergeboren moet worden uitzonderingen zijn. Dat kan je alleen aannemen als je een verschil ziet tussen de Bijbel en het Woord van God. Dan verwijst de Bijbel wel naar Gods Woord, maar is niet meer dan een eerste en primaire neerslag ervan.

Mij is in dit verband wel gezegd: U zou hier toch ook anders over kunnen gaan denken? Ik meen van niet, omdat Gods Geest Gods Woord in mijn hart heeft geschreven. Echter, met het oog op de argumentatie wil ik er dan vanuit gaan. Dan is mijn antwoord: Ga er dan niet van uit dat God anders zal oordelen, omdat ds. De Vries van gedachten is veranderd. Zijn Woord is waar, los van wat ik geloof. Dat staat om maar zo te zeggen los van mijn bevinding.

De Bijbel leert ons dat bij het kennen van Christus navolging van Christus behoort. Navolging betekent ook zelfverloochening en in Zijn kracht tegen jezelf strijden. Aan de navolging van Christus is voor de één een hogere prijs verbonden dan voor de ander. De één zal een zwaardere strijd moeten voeren dan de ander. Laat echter dit duidelijk zijn dat genade zonder zelfverloochening en een levenslange strijd tegen jezelf, goedkope genade is en niet de genade die God ons om Christus’ wil schenkt en waarin Hij ons doet delen door de kracht van Zijn Geest.

Bijbel en wetenschap

Hoe verhouden zich de Bijbel en de wetenschap? Bijbel en wetenschap hebben elk hun eigen focus. De Bijbel is ons gegeven opdat wij als gevallen mensen God weer echt leren kennen en dat door Zijn Zoon Jezus Christus. De wetenschap doorzoekt deze werkelijkheid. Elke wetenschap heeft zijn eigen terrein en in overeenstemming daarmee ook weer eigen regels.

In een aantal gevallen is er niet tot nauwelijks sprake van overlap. Ik denk aan chemie, economie, wiskunde. Hoewel als je wiskunde onderzoekt, kan je je de vraag stellen, waarom is wiskunde mogelijk? Waarom kunnen we met wiskundige formules deze werkelijkheid beschrijven? Het antwoord op die vraag blijkt altijd wetenschappelijk gekleurd.
Er zijn ook meerdere terreinen waarop overlap is tussen de Bijbel en wetenschap, maar waar het eigen perspectief van elk sterk naar voren komt. Ik noem als voorbeelden psychologie en sociologie. Je kunt bekering ook vanuit psychologisch perspectief beschrijven en de vroegste christelijke kerk vanuit sociologische categorieën beschrijven. Van groot belang is dan wel te beseffen dat dit deelperspectieven zijn. Zij onthullen niet wat bekering en wat de christelijke kerk in de diepste zin van het woord zijn. De waarheidsvraag blijft buiten beschouwing.

Ook van de natuurwetenschappelijke beschrijving van de werkelijkheid moet je zeggen dat het een perspectief is en bepaald niet aan de volledige werkelijkheid recht doet. Inmiddels al weer heel wat jaren geleden heeft de Delftse hoogleraar A. van den Beukel, die overigens geen orthodox christen is, daarop gewezen in zijn boek De dingen hebben hun geheim. Een natuurwetenschappelijke beschrijving is per definitie een reductie.

Als het gaat om de Bijbel en wetenschap, dan moet de Bijbel het primaat hebben. Met betrekking tot wetenschap is van belang een verschil te maken tussen harde feiten en theorieën gebaseerd op die feiten. Wanneer we het over de Bijbel hebben, moeten wij beseffen dat wij als het gaat om het verstaan ervan ten dele kennen. Wel is van belang in overeenstemming met het zelfgetuigenis van de Schrift, vast te houden aan het gegeven dat de Bijbel de stem is van God en objectieve en vaste inhoud heeft.

We miskennen de aard van de Schrift, als voor ons de Schrift niet meer is dan de eerste en primaire neerslag van menselijke reacties op de openbaring. Dan krijgt de menselijke factor een zelfstandige betekenis. De Bijbel is dan niet langer rechtstreeks het Woord van God en de Bijbelschrijvers kunnen niet meer als secretarissen van de Heilige Geest worden gezien (een beeld dat niet wijst op de modus maar het resultaat van de inspiratie). De Bijbel wordt dan het boek van God én mensen.

“De Bijbel leert ons dat de mensheid afstamt van één mensenpaar die aanvankelijk het paradijs als woonplaats hadden. Wie de evolutieleer aanvaardt, moet het historische paradijs opgeven. Zondige gevoelens en begeerten zijn dan niet zozeer verbonden met erfzonde, maar een restant van dierlijk gedrag dat te maken heeft met het proces van evolutie.” Bron: Pixabay.

Kan aanvaarden van de evolutietheorie samengaan met geloof in de Bijbel?

Ik kan niet alle vragen op het gebied van het Bijbels getuigenis over het ontstaan van de wereld en wetenschappelijke inzichten daarover beantwoorden. De Bijbel zegt ons niet welke processen God heeft gebruikt in de zesdaagse scheppingsweek. Wel is duidelijk dat de mens wezenlijk van de rest van de schepping, ook van de bezielde schepping is onderscheiden. Dit is niet te verenigen met onvoorwaardelijke acceptatie van de evolutieleer.

De Bijbel leert ons dat de mensheid afstamt van één mensenpaar die aanvankelijk het paradijs als woonplaats hadden. Wie de evolutieleer aanvaardt, moet het historische paradijs opgeven. Zondige gevoelens en begeerten zijn dan niet zozeer verbonden met erfzonde, maar een restant van dierlijk gedrag dat te maken heeft met het proces van evolutie. De dood van de mens is geen gevolg van de zonde, maar behoort bij het leven.

Lezenswaardig is in dit verband nog altijd het boek Ik ben de Alpha van ds. G. Boer, een bundel Bijbellezingen (gehouden in de Hervormde gemeente van Huizen in 1964) over Genesis 1. De auteur worstelde ook met vragen rond de ouderdom van de aarde, maar als het gaat om zaken als pre-adamieten is hij volkomen duidelijk. Boer schrijft dan onder andere:

‘Maar weet ge, de gedachte dat Adam en Eva schimachtige figuren zijn, wint hand over hand veld, ook in kringen waar wij dit niet verwacht hadden. Daarom wil ik u wapenen voor een strijd die op de scholen reeds gaande is en van lieverlede de gemeenten binnendringt. Wie Adam laat verdampen in de nevelen van de oer¬geschiedenis, heeft de heilige Schrift naar haar zelfgetuigenis tegen zich. Ja, die heeft de Heilige Geest die van deze Schriften de auteur is tegen zich, die heeft God tegen zich. En dat heeft zich gewroken en zal zich verder wreken. Want wie Adam verliest, die verliest Christus. Wie de eerste mens afschrijft, die schrijft de tweede Mens af. Wie Adam tot een legendarische figuur maakt, die verliest de Christus der Schriften.’

Duidelijker en kernachtiger kan ik het niet zeggen. Wie overtuigt wordt in het licht van Gods heiligheid en majesteit wordt overtuigd van eigen verlorenheid en verdorvenheid, loopt vast met de evolutieleer en wie meegaat met de evolutieleer zet de deur open om het getuigenis van Gods heiligheid en onze verlorenheid steeds meer te relativeren.

Waarom is het zo moeilijk voor de mens de Bijbel te aanvaarden en absoluut gezag toe te kennen?

Heel eenvoudig, omdat ik er dan zelf aan moet. Niet mijn inzichten en gevoelens zijn het uitgangspunt en oriëntatiepunt, maar wat God zegt. Bekering betekent dat wij met Samuël leren zeggen: ‘Spreek, want Uw knecht hoort.’ En dan betekent ‘horen’ ook ‘gehoorzamen’. Intellectuele bezwaren tegen de boodschap van de Bijbel staan nooit op zichzelf. De diepste bezwaren tegen het christelijke geloof zijn altijd religieus en moreel.

Religieus, want men heeft moeite met het getuigenis dat er alleen toegang tot God is door Jezus Christus en dat er buiten het geloof in Hem geen zaligheid, is maar rampzaligheid. Moreel, want men wil een levensstijl en levenspraktijk handhaven, die strijdig is met de Schrift. Augustinus heeft zijn worsteling op dit punt uitvoerig beschreven in zijn Confessiones. In het zevende boek beschrijft hij hoe hij terugkeert naar de Kerk en zijn intellectuele bezwaren verdwijnen. Het achtste boek beschrijft hoe zijn morele bezwaren worden overwonnen. Dat is enkel te danken aan het wonder van Gods vernieuwende genade.

In de Christelijke Dogmatiek wordt uiteindelijk toch niet veel anders over realiteit van de eeuwige straf geschreven dan Berkhof en Berkouwer dat doen. Dit heft alles te maken met het feit dat Van den Brink en Van der Kooi evenals Berkouwer alleen in het kader van het (genade)verbond willen spreken en van Zijn genadige toewending tot de mens.

Huijgen lijkt nog dichter tegen Berkouwer aan te zitten. Daarbij zien we bij hem ook op dit punt heel duidelijk zijn geestverwantschap met Barth. Hij zei onlangs in een podcast van de EO het volgende: ‘Ik denk dat we moeten oppassen met het teveel invullen, maar ook moeten oppassen om te zeggen: God is zó goed, het komt allemaal in orde met ons. Daarvoor zijn de woorden van Jezus net iets te ernstig. Hoe het uitpakt is in Gods hand, daar hoeven wij geen oordeel over te hebben. Het positieve aan een oordeel is dat niet iedereen overal mee wegkomt. God neemt ons gedrag serieus.’

In de Christelijke Dogmatiek wordt uiteindelijk toch niet veel anders over de realiteit van de eeuwige straf geschreven dan Berkhof en Berkouwer dat doen. Dat heeft alles te maken met het feit dat Van den Brink en Van der Kooi evenals Berkouwer over God alleen in het kader van het verbond en Zijn genadige toewending tot de mens willen spreken.
Zowel binnen de gereformeerde gezindte als in evangelische kring wordt door theologen en ook op het grondvlak de realiteit van de twee wegen en van de twee eindbestemmingen gerelativeerd. Met een beroep op het feit dat wij niet mogen oordelen wordt vaak gesuggereerd dat wij niet mogen uitspreken dat God Zich op de jongste dat zal houden aan de maatstaven die Hijzelf heeft geopenbaard.

Met zulke geluiden zijn we heel ver verwijderd van de gereformeerde belijdenis. Ik noem vraag en antwoord 84 van de Heidelbergse Catechismus.

Vr 84. Vr. Hoe wordt het hemelrijk door de prediking des Heiligen Evangelies ontsloten en toegesloten?
Antw: Alzo, als, volgens het bevel van Christus, aan de gelovigen, allen en een iegelijk, verkondigd en openlijk betuigd wordt, dat hun, zo dikwijls als zij de belofte van het Evangelie met een waar geloof aannemen, waarachtig al hun zonden van God, om der verdiensten van Christus’ wil, vergeven zijn; daarentegen allen ongelovigen, en die zich niet van harte bekeren, verkondigd en be¬tuigd wordt, dat de toorn Gods en de eeuwige verdoemenis op hen ligt, zolang als zij zich niet bekeren; naar welk getuigenis des Evangelies God zal oordelen, beide in dit en in het toekomende leven.

Daartegenover stel ik het getuigenis van R.C. Sproul, een man die wij als de geestelijke vader van de Chicago Statement on Inerrancy kunnen zien. Sproul groeide op in een gemeente met een liberale signatuur, maar kwam als student tot bekering. Niet lang daarna werd hij gewonnen voor de gereformeerde belijdenis. Hij was vooral bekend geworden door Ligioneer Ministries.

Sproul was ervan doordrongen dat we alleen in het licht van Gods heiligheid de grootheid van het Evangelie leren verstaan. In dit verband wees hij vaak op Jesaja 6. De profeet roept als hij zelfs maar iets van Gods heerlijkheid ziet, uit: ‘Wee mij want ik verga.’ Vele malen heeft Sproul een preek over dit hoofdstuk uit de Bijbel gehouden.
Het gemis van het besef van Gods heiligheid zag Sproul als één van de grootste bedreigingen voor de kerk. In relatie met Gods heiligheid was Sproul diep doordrongen van de werkelijkheid van de eeuwige rampzaligheid. Daarin wist hij zich een leerling van Jonathan Edwards, maar bovenal van de Schrift zelf. Meer dan eens wees hij erop dat wij binnen de Bijbel het meeste onderwijs van de realiteit van de hel vinden op de lippen van Jezus Zelf.

Op de vraag of zaken als een poel die brandt van vuur en sulfer en de buitenste duisternis geen beeldspraak is, kon hij antwoorden dat dit inderdaad het geval is, maar dat de werkelijkheid nog erger is dan zelfs deze beeldspraak ons doet vermoeden. Dat mensen moeite hadden met de realiteit van de rampzaligheid – en dan vooral het eeuwigdurend karakter ervan – kon Sproul goed begrijpen. Hij kon daar zelf ook mee worstelen, niet in de laatste plaats als het ging om mensen buiten de kerk aan wie menig christen een voorbeeld kon nemen.

Echter, zo zei hij: ‘Ik ken in ieder geval één persoon van wie het volkomen terecht is, dat hij voor eeuwig verloren gaat en dat is R.C. Sproul.’ Hij kon zeggen dat de Heere hem dat had geleerd en hoopte dat elk van zijn hoorders zo zijn eigen naam leerde invullen. Sproul betuigde ook dat hij mocht weten dat Christus hem had vrijgekocht en verlost van de toekomende toorn. Dat vervulde hem met verwondering en blijdschap.

Afronding

Ik ga afronden. Lees dagelijks biddend de Bijbel om God te leren kennen, jezelf en de Heere Jezus Christus. De Bijbel werpt licht over de gehele werkelijkheid, maar focus van de Bijbelse boodschap is toch de verzoening met God door Christus’ bloed en de vernieuwing door Gods Geest. Laten we daarom ook telkens vragen: ‘Maak in Uw Woord mijn gang en treden vast’ en ‘Heere, wat wilt Gij dat ik doen zal?’ Eenmaal wordt heel deze werkelijkheid vernieuwd. Het nieuwe Jeruzalem zal neerdalen uit de hemel, maar om die stad binnen te gaan, is het nodig om hier in dit leven de lof van het Lam te gaan bezingen.

Weggroeien van het volstrekte gezag van de Schrift is altijd verbonden met het weggroeien van deze focus. Relativering van het gezag van de Schrift staat eigenlijk niet los van het feit dat de vraag naar de persoonlijk zaligheid naar de achtergrond verdwijnt. Die wordt als vanzelfsprekend voorondersteld. Omgekeerd staat blijven bij en terugkeer tot het onvoorwaardelijk buigen voor het gezag van de Schrift nooit los van het feit dat men is geraakt door de boodschap van zonde en genade, dat Christus niet alleen voor anderen maar ook voor mij de Zaligmaker is Die redt van de toekomende toorn.

Een christen is een rentmeester en heeft hier op aarde een taak, maar bovenal is een christen een pelgrim die de Bijbel als reisgids heeft naar het nieuwe Jeruzalem. Hier wandelen we door geloof. Geloof is zowel een zeker weten als vast vertrouwen. Zeker weten dat alles wat God ons in Zijn Woord geopenbaard heeft waarachtig is. Een vast vertrouwen dat niet alleen aan anderen maar ook aan mij om Christus’ wil vergeving van zonden is geschonken en er daarom de begeerte is uit Hem, door Hem en tot Hem te leven.

Het eerste deel van dit tweeluik over Schriftgezag verscheen is hier te vinden.

Deze gastbijdrage is met toestemming overgenomen van de website van dr. P. de Vries. Het originele artikel is hier te vinden.

Onderzoek alle dingen – Een kritische bespreking (2): Over wonderen en de kosmos

In dit tweede deel1 van het vijfluik waarin het boek Onderzoek alle dingen – Bijbelstudies over geloof en wetenschap2 van Gijsbert van den Brink kritisch besproken wordt, ga ik in op het tweede en derde hoofdstuk ervan.

De stilstaande zon – en andere wonderen

Voor dit hoofdstuk is de te lezen Bijbeltekst Jozua 10:7-14. Hierin lezen we hoe op verzoek van Jozua de zon stilstond. Met aanhaling van de gereformeerde theoloog Gisbertus Voetius (1589-1676) wijst Van den Brink erop dat deze tekst reden is geweest voor christelijk verzet tegen het heliocentristische wereldbeeld. Er werd een domino-effect gevreesd als men zou accepteren dat de Heilige Geest “ons niet in elk detail van de Bijbel eenvoudig de waarheid zou hebben doorgegeven” (p.45). Er zijn volgens Van den Brink namelijk “zeker een stuk of tien teksten die een geostatisch3 wereldbeeld veronderstellen”. Terecht merkt Van den Brink vervolgens op dat men hier tegenwoordig geen moeite mee heeft, omdat de Bijbel redeneert vanuit de waarneming. Opvallend is het echter dat hij in het voorgaande hoofdstuk argumenteert alsof dit niet het geval is.

Van den Brink isoleert de gebeurtenissen in Jozua 10 echter van dergelijke inzichten. Hij geeft aan dat hier sprake is van een tijdelijke afwijkende werking van een natuurwet. Dan spitst hij deze zaak toe op de vraag waar dit hoofdstuk om gaat: “Kun je op goede gronden in wonderen geloven?” (p. 48) Het antwoord dat hij de lezer biedt is: ja. God staat namelijk boven de natuurwetten. Van den Brink laat in dit hoofdstuk goed beredeneerd zien dat er niets mis is met geloof in wonderen.

In de volgende paragraaf werkt de auteur toe naar wat deze inzichten te bieden hebben voor waar het in dit boek om gaat. God kan handelen via de natuurwetten; “Hij kan als de eerste oorzaak gebruikmaken van allerlei tweede oorzaken, die zich op een ander niveau bevinden” (p. 51). En al gebruikt Hij de natuurwetten, dan kan Hij daardoor nog wel tot ons spreken. Gods werk slechts beperken tot het wonderlijke zou volgens Van den Brink leiden tot de valkuil van de ‘God-van-de-gaten’: bij elke wetenschappelijke verklaring voor iets die erbij komt neemt de noodzaak van Gods handelen weer iets af, totdat er uiteindelijk niets meer overblijft.

De essentie van wat Van den Brink wil zeggen met dit hoofdstuk kan ik het beste weergeven door zijn eigen woorden hier te citeren: “Atheïstische denkers mogen het graag zo voorstellen: ‘Vroeger dachten we dat God alle diersoorten geschapen had, tegenwoordig weten we dat ze door evolutie ontstaan zijn.’ Alsof die twee elkaar uitsluiten. En alsof God niet allerlei geleidelijke processen in zijn scheppingswerk zou kunnen gebruiken. […] Dan keren we ons tegen de wetenschap zodra die met een goede verklaring komt. Maar dat gevecht verlies je als gelovige op den duur altijd. Daarom is het veel beter om in te zien dat God heel goed aan het werk kan zijn – ons ten goede – door allerlei natuurlijke processen heen.”

Hier zit nu juist het probleem: die twee (door God geschapen diersoorten en het ontstaan daarvan door evolutie) sluiten elkaar wel degelijk uit. De reden hiervoor is de volgende: volgens de evolutietheorie is er helemaal geen sprake van sturing. Geen teleologie of vooruitziende blik, geen plan en geen doel. Volgens een recente uitgave van NewScientist, How Evolution Explains Everything About Live (2017)4, is het zelfs zo dat het ontstaan van vele nieuwe genen in “ons apen” die mede hebben geleid tot het ontstaan van de ‘moderne’ mens, waarschijnlijk het gevolg is van binnendringen van een nieuwe genetische parasiet in ons genoom. Een ongelukje, omdat de parasiet “accidentaly” (per ongeluk) het RNA van zijn gastheer heeft veranderd, wat heeft geleid tot kopieën van vele duizenden genen, waarvan er zeker zestig tot zeventig in nieuwe genen zijn veranderd (p. 52).

De fout die Van den Brink dus maakt, is dat hij van twee walletjes wil eten die elkaar uitsluiten. ‘De wetenschap’ heeft inmiddels ‘ontdekt’ dat wij er zijn gekomen door een ongelukkige invasie van een parasiet, niet door een gepland inzetten van evolutionaire mechanismen door God. Los van wat er tegen deze ‘ontdekking’ en de evolutietheorie als geheel allemaal valt in te brengen (daar gaat deze tekst niet over en daar is elders al het nodige over geschreven – ook ga ik hierop in het derde deel van dit vijfluik dieper in), zal Van den Brink om consequent te zijn dus moeten accepteren dat parasitaire invasie van het genoom het scheppende werk van God is geweest, ons ten goede.

Een ander probleem is dat hier sprake is van de drogreden van de equivocatie. Allereerst stelt Van den Brink ‘de wetenschap’ voor als de bron van het juiste inzicht, vervolgens stelt hij de evolutietheorie gelijk aan de wetenschap, om zo tot een valse dichotomie te komen: wie zich tegen de evolutietheorie verzet, verzet zich tegen de wetenschap. Die wetenschap, zo laat Van den Brink ons in de eerste hoofdstukken van zijn boek zien, is deugdelijk en het zou erg naïef zijn ertegenin te willen gaan, getuige bijvoorbeeld de geschiedenis omtrent het geocentristische wereldbeeld. Maar tegen de evolutietheorie ingaan is heel iets anders dan verzet tegen ‘de wetenschap’.

De creatie van de kosmos

In dit hoofdstuk, dat volgt op de lezing van Genesis 1:1 – 2:3, komt Van den Brink met een naar mijn idee wat goedkoop staaltje framing op de proppen: “Jongeaardecreationisten in zowel de joodse, de christelijke als de islamitische wereld zien een zogeheten letterlijke lezing [van Genesis 1] als lakmoesproef voor rechtzinnigheid. Omgekeerd pinnen militante atheïsten de monotheïstische godsdiensten graag vast op juist die letterlijke lezing, om op die manier elk geloof in God weg te zetten als ridicuul, want volstrekt achterhaald door wetenschappelijk vastgestelde feiten. Wie zorgvuldig een tussen weg zoekt tussen deze extremen [lees: Van den Brink, onder anderen] loopt het risico nauwelijks gehoord te worden, omdat elke nuancering er voor het grote publiek algauw één te veel is.” (p. 57)

Zogenaamde ‘jongeaardecreationisten’ waren onder meer de kerkvaders en de reformatoren. De term ten spijt (want er kleeft de negatieve connotatie aan die onder anderen de ‘militante atheïsten’ er graag aan geven) is dit geen positie die misstaat in het christendom. Ondanks de karikatuur die er hier van wordt gemaakt, gaat het bij de zogenaamde ‘jongeaardecreationisten’ om het geheel van schepping, zondeval, zondvloed, verbond en redding door Jezus Christus, niet zozeer om de duiding van Genesis 1. De ‘rechtlijnigheid’ zit hem in het serieus nemen van de Bijbel als geheel. Zelf spreek ik liever van bijvoorbeeld het klassieke scheppingsgeloof .

De ‘militante atheïsten’ waarvan Van den Brink spreekt, maken met dezelfde toewijding het gehele geloof in God belachelijk, alsmede de in het vorige hoofdstuk nog door Van den Brink besproken wonderen, waarvan met het geloof ervan volgens hem (terecht) niets mis is. Niettemin doen ze dat alles met dezelfde ‘wetenschappelijke’ argumenten als waar Van den Brink mee schermt.

De laatste opmerking van het hierboven gegeven citaat van Van den Brink staat mijns inziens los van de werkelijkheid. Hier lijkt mij sprake van nogal misplaatst ‘calimerogedrag’. Een blik in de boekwinkel (zowel christelijk als seculier) is voldoende om te zien dat degene die “zorgvuldig een tussenweg zoekt tussen deze extremen” tegenwoordig de meeste christelijke literatuur achter zich heeft staan, niet in de laatste plaats met boeken waar Van den Brink (mede)auteur van is. Ook op christelijk internet is misschien wel de meest gehoorde stem die van het theïstisch evolutionisme. En hoe goed handig gekozen, sturende termen als ‘zorgvuldig’ en ‘nuancering’ ook klinken als tegenhanger van ‘extremen’, in feite is daarmee sprake van vlees noch vis: de wetenschap zit niet op door God geleide processen te wachten, het christendom niet op atheïstisch ingegeven ‘god-loze’ ontstaanstheorieën. Iets waar bijvoorbeeld ook Reinier Plomp op wijst in zijn artikel Evolutie en Bijbel. Pleidooi om weten en geloven niet te vermengen (2021).5

Van den Brink geeft op pagina 59 een tabel die de zogeheten ‘kaderuitleg’ weergeeft: op dag 1, 2 en 3 van de schepping worden de ruimtes gecreëerd die op dag 4, 5 en 6 worden gevuld:

Ruimte gecreëerd Ruimte gevuld
Dag 1 Licht losgemaakt van duisternis Zon en maan erin geplaatst Dag 4
Dag 2 Regenwater losgemaakt van zeewater Zeedieren en vogels erin geplaatst Dag 5
Dag 3 Het land losgemaakt van water Dieren en mensen erop geplaatst Dag 6
Dag 7: De sabbat als climax

Een visie die Bijbeluitleggers tot Arie Noordtzij (1924) niet in de Bijbel lazen en die duidelijk is ingegeven om Genesis 1 te rijmen met seculiere ontstaanstheorieën. Jonathan Sarfati legt in zijn boek The Genesis Account6 uit waarom de bovenstaande tabel niet klopt. Zo zijn de zon en de maan wel geschapen op dag 4, maar in het hemelgewelf geplaatst dat op dag 2 geschapen is. De zeedieren werden op dag 5 in de zeeën geschapen, maar die zijn pas op dag 3 geschapen, niet op dag 2.

Hoewel de kadertheorie een knieval was voor ‘wetenschappelijke’ inzichten, koppelt Van den Brink deze aan het oosterse wereldbeeld dat volgens hem ten grondslag ligt aan Genesis 1: “Het is om zo te zeggen de taal van de eerste lezers die hier gesproken wordt. Het is dan ook belangrijk dat we bij het lezen van dit hoofdstuk in het oog houden op wie het als eerste gericht was. Het Oude Testament is immers in eerste instantie het boek van en voor het volk Israël in het oude Nabije Oosten. Wij mogen vandaag als het ware door Gods genade de post meelezen die allereerst aan hen geadresseerd was. In termen van hún wereldbeeld wordt Gods scheppingswerk hier beschreven, zodat zij het konden plaatsen.” (p. 59) Met andere woorden: er is kennelijk wel degelijk sprake van geschiedschrijving, maar die is door God bewust onjuist weergegeven om binnen het op afgoderij gebaseerde wereldbeeld de ‘eerste lezers’ te passen. Zou het werkelijk?

Na bespreking van de kadertheorie vergelijkt Van den Brink “dit machtige openingskoraal van Genesis” (p. 59) met naburige ontstaansmythen en wijst hij op cruciale verschillen hiermee: een liefhebbende Schepper tegenover egoïstische goden die elkaar de loef proberen af te steken, een onbeduidende zon en maan tegenover vereerde hemellichamen en een soevereine schepping tegenover een “bloedig gevecht […] met allerlei kosmische oerkrachten” (p. 61). Wellicht zou het de overweging waard zijn dat deze ontstaansmythen aftreksels zijn van het daar op deze “cruciale punten” zo van afwijkende scheppingsverslag in Genesis 1, in plaats van het idee dat Genesis 1 op dergelijke onjuiste voorstellingen van zaken gebaseerd zou zijn.

Onder het kopje ‘Krachtige zorgzaamheid’ schrijft Van den Brink: “Je kunt je zelfs afvragen of er in Genesis 1 eigenlijk wel sprake is van een ‘schepping uit het niets’. De meeste Bijbelwetenschappers ontkennen dat.” (p. 62) Vervolgens wijst hij op de alternatieve lezing van Genesis 1, “[z]o in de trant van ‘Toen God in het begin de hemel en de aarde schiep, ging het er als volgt aan toe’. En dan begint het eigenlijke verhaal in vers 2 met de aarde, die er dus al is, maar die bedekt is met water en waar het een warboel is. Op die toestand grijpt God in zijn scheppingswerk dan in. Inderdaad gaat het in Genesis vooral om het ordenen en laten functioneren van voorgegeven materiaal, ook al kunnen we dat niet (zoals soms gebeurt) helemaal uitspelen tegen het tot stand brengen van nieuwe dingen.” (p. 62)

Inmiddels is in de NBV21 deze alternatieve lezing rechtgezet door er een voetnoot van te maken in plaats van (zoals in de NBV uit 2004 nog het geval is) hem in de hoofdtekst te gebruiken. Matthijs de Jong en Cor Hoogerwerf schrijven hierover in hun boek NBV 21 – De vertaalmethode toegelicht (2021)7: “De alternatieve opvatting, die teruggaat op de Joodse geleerde Rasji, leest Genesis 1:1-3 als één lange zin. Vers 2 is dan een tussenzin die – net als bij de traditionele lezing – de uitgangssituatie aanduidt, en vers 1 en 3 hangen direct samen: vers 1 geeft een tijdsbepaling en vers 3 begint de handeling. Hoewel tegenwoordig veel geleerden kiezen voor de alternatieve opvatting, wordt ook de traditionele lezing nog steeds verdedigd.” (p. 205)

Waar De Jong en Hoogerwerf pleiten voor “een iets opener vertaling [die] de tekst ook bruikbaarder maakt” (p. 206), lijkt Van den Brink juist aan te sturen op de opvatting – die heerste bij de oude Grieken – dat alle materie er altijd al geweest is: “[…] bewust hebben we dit hoofdstuk niet ‘de schepping van de kosmos’ genoemd (want dan denken we meteen aan schepping uit het niets), maar ‘de creatie van de kosmos,’ om zo te accentueren dat Genesis 1 vooral vertelt over Gods vormende werk, waarmee hij voorgegeven elementen van een doodse bedoening tot een goed functionerend geheel maakt.” (p. 62)

Waar wil Van den Brink hiermee heen? Op de volgende pagina schrijft hij immers: “Latere Bijbelschrijvers, met name in het Nieuwe Testament, hebben intussen geconcludeerd dat het niet anders kan of God moet wel degene zijn die verantwoordelijk is voor het bestaan van alle materie.” Wil Van den Brink nu een tweespalt creëren tussen de verschillende Bijbelschrijvers alsof die er verschillende waarheden op na hielden? Onder het kopje ‘Genesis 1 en de oerknal’ blijkt waar het uiteindelijk om te doen is: “Het zal duidelijk zijn dat Genesis 1 zo beschouwd [en ‘zo’ refereert kennelijk ook deels aan het aan deze zin voorafgaande relaas over de omgang van de mens met de aarde] niet concurreert met hedendaagse wetenschappelijke visies op het ontstaan van onze kosmos. De strekking ervan blijft immers volkomen intact, ook nu we menen dat het er bij de totstandkoming van ‘hemel en aarde’ anders aan toe gegaan is dan de oud-oosterse Israëliet zich dat voorstelde. Wereldbeelden komen en gaan, maar het Woord van God blijft eeuwig bestaan.” (p. 64)

Vervolgens volgt een uiteenzetting over de oerknal die impliceert dat het heelal inderdaad een begin heeft gehad. De redenering van Van den Brink lijkt dus als volgt: met de oerknal, 13,8 miljard jaar geleden volgens de huidige inzichten, schiep God alle materie. Daaruit ontstond, conform de seculiere theorie, de aarde. Daar was het “een warboel”, maar toen begon God op enig moment het scheppingswerk waarvan we lezen in Genesis 1. Alleen ging het in werkelijkheid er niet zo aan toe, want die lezing is gebaseerd op een verouderd wereldbeeld uit het oude Nabije Oosten. Ook ons huidige wereldbeeld kan er echter naast zitten. Niettemin is er dus wel een begin van alles, waarmee God als eerste oorzaak kan worden aangewezen.

Maar wat als ‘de wetenschap’ nu inderdaad ernaast zat en inmiddels weer van opvatting veranderd is? Wat als, zoals Ethan Siegel schrijft in zijn artikel Did the Big Bang begin from a singularity? Not anymore8, er volgens de nieuwste wetenschappelijke inzichten géén begin van het heelal is geweest? Scheiden dan de wegen tussen Van den Brink en ‘de wetenschap’, of neemt de auteur dan afstand van de inzichten die zijn Bijbelstudenten voorgeschoteld hebben gekregen in hoofdstuk 4 van Onderzoek alle dingen, waarin hij schrijft: “De kosmos is zelfs ontstaan ‘uit het niets’, zoals volgens het christelijk geloof God de schepping ex nihilo (uit niets) gemaakt heeft” (p. 67)?

Concluderend kunnen we stellen dat Van den Brink in deze twee hoofdstukken met seculiere wetenschappelijke ideeën meebeweegt als “riet dat wuift in de wind” en daarop zijn Bijbellezing lijkt te baseren. Wat dit van de teksten maakt is helaas een nog grotere “warboel” dan de door hem vermeende toestand van de net (of wellicht beter gezegd: niet) geschapen aarde. Toch wordt de dwaling in de twee hierna volgende hoofdstukken zo mogelijk nog ernstiger. Hierover meer in het komende deel van dit vijfluik.

Patholoog prof. dr. Piet Slootweg promoveert vandaag als theoloog op de relatie tussen de goede schepping en het lijden van dieren

Doet de evolutietheorie afbreuk aan God als goede Schepper? Veel gelovigen die denken vanuit het klassieke scheppingsgeloof zullen dit beamen. Zij zien het dierlijk lijden, dat inherent is aan de evolutietheorie, als gevolg van de zondeval en niet afkomstig uit Gods goede schepping.1 Wanneer de evolutietheorie, in de zin van Universele Gemeenschappelijke Afstamming, wordt voorgestaan dan is er al dierlijk lijden ver vóór de zondeval, als deze al heeft plaatsgevonden. Voor theïstische evolutionisten is dit een moeilijk oplosbaar vraagstuk. Patholoog en theïstisch evolutionist prof. dr. P.J. Slootweg promoveert vandaag aan de Vrije Universiteit op een historische duiding van dit vraagstuk.

Proefschrift

De geleerde onderzocht hoe men in het verleden dacht over de relatie tussen God en het dierlijk lijden. Kan dat wel samen? Volgens Slootweg waren er al ver voor Darwin debatten over dierlijk lijden. Men was ervan bewust dat er spanning bestaat tussen een liefdevolle God en het dierlijk lijden en probeerden deze spanning hiertussen op te heffen.2 Zijn dissertatie, die helaas nog niet volledig te lezen is via de website van de Vrije Universiteit, bevat een weergave van het onderzoek van de patholoog en theoloog. De titel luidt: ‘Teeth and Talons Whetted for Slaughter’: Divine Attributes and Suffering Animals in Historical Perspective (1600-1961).3 Binnenkort verschijnt bij Brevier een handelseditie van het proefschrift.4 Om 11.45 uur hoopt Slootweg in de aula van de Vrije Universiteit zijn proefschrift te verdedigen.5

Discussie

Over dit proefschrift zal, naar alle verwachting, nog wel gediscussieerd worden. Het is de volgende strategische zet van theïstisch evolutionisten om een promovendus te laten promoveren op dit thema.6 De (co-)promotors zijn bekende theïstisch evolutionisten: dr. Gijsbert van den Brink, dr. Ab Flipse en dr. Bethany Sollereder (bekend van BioLogos). De promotiecommissie heeft ook bekende theïstische evolutionisten op de lijst: dr. Christopher Southgate, dr. Nicola Hoggard Creegan en dr. Marcel Sarot. Alle hiervoor genoemde namen zijn bekende auteurs van theïstisch evolutionistische boeken en (wetenschappelijke) artikelen. Op te merken is dat een verdediger van het klassieke scheppingsgeloof, dr. Wim van Vlastuin, ook in de promotiecommissie zit. Ben erg benieuwd naar zijn bevindingen. Het zou goed zijn om, samen met een aantal academici die ook het klassieke scheppingsgeloof voorstaan, dit proefschrift te lezen, annotaties te maken, te bediscussiëren en te bekritiseren. Niet om de patholoog en theoloog dr. Piet Slootweg een hak te zetten, want dat is een vriendelijke en erudiete man, maar om het theïstisch evolutionisme te bespreken, te weerspreken en te weerleggen. Een leeskring opzetten met gelovigen die een klassiek scheppingsgeloof voorstaan en de bevindingen delen via deze website zou één van de mogelijkheden kunnen zijn.

Voetnoten

Stel dat het waar is, maar is ‘het’ wel waar? – Henk Jochemsen op een congres van ‘Weet wat je gelooft’

‘Stel dat het waar is, maar is ‘het’ wel waar’. Dit was de titel van de lezing van wetenschapsfilosoof en natuurwetenschapper prof. dr. Henk Jochemsen op een congres in 2017 over het boek van de systematisch theoloog prof. dr. Gijsbert van den Brink. Volgens de christelijke filosoof is er geen sluitend bewijs voor macro-evolutie en de oorsprong van het leven te vinden. Met dank aan ‘Weet wat je gelooft’ embedden wij hieronder de video. De komende tijd willen we op donderdag de bijdragen die neigen naar Intelligent Design en/of het klassieke scheppingsgeloof op deze website delen. Voor wie dit ‘oneerlijk’ zal vinden en graag alle lezingen wil terugkijken, die verwijzen wij naar het YouTube-kanaal van ‘Weet wat je gelooft’ (de playlist van het congres is hier te bekijken).

Adam of Aap? – Aflevering 3: Stom toeval

In 1977 van de vorige eeuw zond de Evangelische Omroep de serie Adam of aap? uit. Er verscheen in hetzelfde jaar ook een boekje met de gebundelde teksten van de uitzending. De serie werd uitgezonden onder leiding van de onlangs overleden drs. Koos van Delden. In dankbare herinnering aan hem delen wij de komende periode iedere zaterdag een aflevering van Adam of aap? Vandaag deel 3: Stom toeval. In deze derde aflevering gaat het de vermeende evolutionaire ontwikkeling van het leven van eencellige tot mens. Is dat gegaan door ‘stom toeval’?