Home » Artikelen geplaatst door Wim de Vries

Auteursarchief: Wim de Vries

Maak kabinetsplannen voor emissiereductie uitvoerbaar

Op 10 juni 2022 presenteerde minister Van der Wal haar startnotitie ”Nationaal Programma Landelijk Gebied”, met daarin ”richtinggevende emissie- reductiedoelstellingen”. Bij de boeren sloeg de notitie in als een bom.

De kabinetsplannen leiden tot veel commotie en de vraag of het allemaal wel nodig is. Daarbij wordt de onderbouwing ervan sterk betwijfeld. En dat onder het motto: ”Het gaat om metingen en feiten en niet om theoretische modellen.” Een motto van niet alleen boeren maar ook van een deel van de politieke partijen, zoals blijkt uit de nipt aangenomen VVD-motie op dit punt. Hieronder mijn reactie op de onderbouwing van de kabinetsplannen in vijf vragen en antwoorden.

1. Is een gemiddelde emissie- reductie van 50 procent nodig voor de natuur?

Vanuit de natuur gezien is dat zeker zo. Ammoniak en stikstofoxiden vermesten en verzuren de natuur al meer dan veertig jaar. De diversiteit aan plantensoorten neemt af door een onbalans in voedingsstoffen, enerzijds een tekort aan calcium, kalium en magnesium en anderzijds een overschot aan stikstof. Dat heeft negatieve effecten op de insecten-, vlinder- en vogelstand. Landelijk gezien gaat de biodiversiteit al decennia meetbaar achteruit door de uitstoot van stikstof boven de zogeheten ”kritische depositiewaarde”. Emissie- reductie zorgt wel voor herstel maar door jarenlange overbelasting slechts in beperkte mate. Bij de achteruitgang van de natuur speelt er uiteraard meer dan alleen stikstofdepositie, maar de verstoring van het ecosysteem door stikstof staat buiten kijf en is op vele gegevens en metingen gebaseerd.

2. Zijn die berekende overschrijdingen van kritische depositiewaarden wel realistisch als ze niet zijn gemeten?

Gemiddeld zeker wel. Modellen staan niet tegenover metingen, maar worden ermee gecombineerd. Modellen worden gebruikt om vragen te beantwoorden die je met metingen alleen niet kunt beantwoorden. Bijvoorbeeld het vaststellen van de bijdrage van landbouw, verkeer, industrie en buitenland aan de belasting van ammoniak en stikstofoxiden op natuur. Want je kunt die stikstofconcentraties wel meten, maar deze metingen vertellen je niet precies welke sector er verantwoordelijk voor is.

Modellen zijn pas bruikbaar als de modelresultaten goed overeenkomen met de metingen. Wat betreft stikstof is dit op landelijke en provinciale schaal het geval. Die conclusie volgt uit de gemiddeld goede overeenstemming tussen modelberekeningen en metingen op honderden plekken. De metingen liggen veelal zelfs iets hoger. Mede op basis daarvan zijn emissieschattingen ook bijgesteld. Wel is het waar dat in de berekende depositie en ook in de (overschrijding van de) kritische depositie er lokaal grote afwijkingen mogelijk zijn. Meer metingen veranderen echter weinig tot niets aan het landelijke beeld.

3. Is de variatie in emissie- reductiedoelstellingen goed onderbouwd?

Nee, wat mij betreft niet. Het kaartje met ”richtinggevende emissiereductiedoelstellingen” dat de commotie veroorzaakt, bevat precieze getallen van 12, 47, 58, 70 en 95 procent. De waarden tot 58 procent zijn gebaseerd op het halen van bepaalde ammoniakreductiedoelen; die van 70 en 95 procent op heel hoge reductie in de buurt van Natura 2000-gebieden. De effectiviteit van die aanpak is nergens onderbouwd.

Het principe om per gebied een reductiepercentage vast te stellen, is een begrijpelijk uitgangspunt. Het kabinetsbeleid is om in 2030 bijna driekwart van de natuurgebieden onder de kritische depositiewaarde te hebben. Bij een gelijke emissiereductie over heel Nederland kom je dan op 50 procent. Maar dat kan natuurlijk efficiënter door meer reductie te bewerkstelligen in gebieden waar de uitstoot hoog is en waar boerderijen vlak bij gevoelige natuurgebieden liggen. Dan is het niet vreemd dat je gebieden aanwijst met een reductie die hoger dan wel lager is dan het gemiddelde van 50 procent.

Maar een benadering met minder grote verschillen in reductiepercentages (bijvoorbeeld in vier klassen van 20 tot 70 procent) in grotere deelgebieden is om meerdere redenen verstandiger dan de huidige aanpak van zeer precieze reducties in veel deelgebieden met grote verschillen op heel korte afstand. De ondergrens van 20 procent is met relatief eenvoudige en betaalbare maatregelen te halen zonder het inkrimpen van de veestapel. De hogere percentages komen dan in gebieden met een toenemende opgave.

Minder klassen en grotere gebieden zijn ook logisch gezien de grote opgaves die er liggen op het gebied van klimaat, wat veel minder een regionale opgave is. Ten slotte zal het ook juridisch tot minder hoofdbrekens leiden. Ook bij deze aanpak is het overigens onvermijdelijk dat de boerensector in gebieden met de hoogste reductiedoelstelling moet inkrimpen. Want innovatie en techniek alleen zijn niet voldoende.

4. Is dan nog het middel niet erger dan de kwaal?

Bedenk bij de beantwoording van die vraag: het probleem is breder. Ten eerste is stikstof- emissie niet alleen een probleem voor de natuur maar ook voor onze gezondheid. Stikstofoxiden en ammoniak leveren beide een hoge bijdrage aan fijnstof, in Nederland circa 40 procent. Fijnstof is zeer schadelijk voor onze gezondheid. Volgens schattingen draagt fijnstof voor 21 procent bij aan alle bronchitisklachten, voor 11 procent aan longkankersterfte en voor 1 tot 2 procent aan luchtwegklachten en hart- en vaatziekten. Stikstof- oxiden in de atmosfeer zijn daarbij overigens extra schadelijk voor onze gezondheid mede ook door de vorming van ozon.

Verder leidt de huidige vorm van landbouw ook tot problemen met de waterkwaliteit. Ook draagt die significant bij aan het klimaatprobleem. Minister Van der Wal spreekt dan ook steeds over natuur én water én klimaat. Behalve aan uitstoot aan ammoniak draagt de veestapel in sterke mate ook bij aan de uitstoot van de broeikasgassen lachgas en methaan. Verder spoelt stikstof, met name in de vorm van nitraat, uit naar grondwater en oppervlaktewater. Samen met de uitspoeling van fosfaat leidt dit tot een afname van de waterkwaliteit, waardoor de diversiteit en aantallen aan waterplanten, macrofauna en vissen afneemt.

Kortom, het is van belang om integraal te denken en bij maatregelen niet louter naar het effect op de stikstofdepositie te kijken. Wie al die doelstellingen samen beziet, kan niet anders dan concluderen dat naast innovatie ook een reductie van de veestapel noodzakelijk is.

5. En waarom vooral de boerensector?

Omdat de bijdrage van die sector veruit het grootst is, ook omdat ammoniak dichter bij de bron neerslaat dan stikstofoxiden, die voor het grootste deel de grens overgaan. Maar er moet zeker meer aandacht komen voor het evenredig verdelen van de pijn. Want daar steekt het bij de boeren. Het gevoel dat men gewoon kan blijven vliegen en rijden, terwijl zij alle pijn lijden. Hoewel het waar is dat de bijdrage van de industrie en het verkeer aan de stikstofdepositie circa vier maal zo laag is als die vanuit de landbouw, is het bij elkaar wel de helft. Niet bepaald verwaarloosbaar. En de effecten van de uitstoot van stikstofoxiden op de gezondheid, die ernstiger zijn dan die van de uitstoot van ammoniak, zouden ook zwaarder moeten meetellen. Inderdaad is de bijdrage van vliegverkeer maar een beperkt deel van de totale verkeersbijdrage en onvergelijkbaar met de bijdrage van de landbouw. Maar de klimaateffecten van vliegen zijn wel heel significant.

Ook hier geldt dat we het niet alleen van techniek moeten verwachten, zoals schonere auto’s en vliegtuigen, maar dat er ook een gedragsverandering moet komen. Meer de fiets en het openbaar vervoer, minder de auto en het vliegtuig. Naast veestapelreductie ook transportreductie. Ook de industrie moet bijdragen. Alleen dan dragen we het in solidariteit.

Dit artikel is met toestemming van de auteur overgenomen uit het Reformatorisch Dagblad. Bronvermelding: Vries, W. de, 2022, Maak kabinetsplannen voor emissiereductie uitvoerbaar, Reformatorisch Dagblad 52 (66): 20-21 (artikel).

Van prof. De Vries verschenen al eerder twee artikelen over het stikstofprobleem op deze website, zie hier en hier.

Er is wel degelijk een stikstofprobleem – Hoogleraar Wim de Vries reageert op tegenwerpingen

Naast de wereldwijde corona- en klimaatcrisis wordt ons land geplaagd door een stikstofcrisis. Bij de formatie van het kabinet-Rutte IV heeft het zelfs geleid tot een nieuwe ministerspost voor Natuur en Stikstof. Voor de formatie was er al een Wet stikstofreductie en natuurverbetering aangenomen met daarin een budget van vijf miljard euro. Die wet verplicht ons om de stikstofuitstoot met 50 procent te verminderen, zodat de neerslag, vaak depositie genoemd, in 2035 voor circa 75 procent van alle Natura 2000-gebieden beneden een kritische waarde ligt. Inmiddels heeft het nieuwe kabinet het jaartal naar voren gehaald naar 2030 conform het advies van de commissie-Remkes. Daarvoor is een ambitieuze vergroeningsagenda opgesteld, waarvoor tot 2035 in totaal 25 miljard euro beschikbaar wordt gesteld.

Op die aanpak is kritiek. Net als bij corona en klimaat zijn er ontkenners, stikstofontkenners. Die kunnen ter onderbouwing van hun standpunt niet alleen terecht bij columns van Jan Cees Vogelaar van het Mesdagfonds in landbouwbladen, maar ook bij voormalig minister Ronald Plasterk, een gerenommeerd wetenschapper in de moleculaire genetica. Zo stelt Vogelaar dat de basis voor het stikstofbeleid ontbreekt omdat het gebaseerd zou zijn op rekenmodellen en niet op metingen van de stikstofdepositie – wat uit de lucht op de grond komt – en stikstof in de bodem. Dus weten we helemaal niet of er wel een probleem is.

Plasterk gaat nog verder. Die betoogt in een tweetal columns in De Telegraaf dat het bij stikstof om een door Nederland zelf gecreëerd probleem gaat. Uit kaartjes met scherpe landsgrenzen voor het stikstofoverschot zou je al kunnen zien dat er iets niet klopt, want stikstof houdt zich niet aan landsgrenzen. Dus – concludeert hij – is het probleem gecreëerd omdat wij zulke strenge normen opleggen aan onze snippertjes aan Natura 2000-gebieden. In buurlanden hebben ze nooit van een stikstofcrisis gehoord en wij hebben hem ook niet, aldus Plasterk. Helaas: al die kritiek mist elke grond. Voor Plasterk geldt: schoenmaker, hou je bij je leest.

Houdt stikstof halt bij de landsgrenzen?

Nee zeker niet. Satellietmetingen laten bijvoorbeeld hogere stikstofconcentraties zien in grote delen van Ierland, de Benelux, West-Duitsland, Bretagne en de Povlakte. Ammoniak en stikstofoxiden worden ook over vele honderden kilometers getransporteerd en uit vergelijking van modelberekeningen met metingen blijkt dat de stikstofdepositie in Nederland minder dan de helft is dan de uitstoot, omdat we zeer veel exporteren naar het buitenland.

Kennelijk heeft Plasterk een kaartje gezien met daarop de gemiddelde stikstofoverschotten per land. Zo’n kaart laat alleen maar zien dat wij gemiddeld per hectare de hoogste uitstoot hebben in Europa. De interpretatie die Plasterk eraan geeft is misplaatst.

Missen er metingen voor stikstof?

Nee. Die metingen zijn er wel degelijk. Om vast te stellen hoeveel depositie er is in gasvorm (droge depositie) worden elk uur op 73 plekken de concentraties van stikstofoxiden in de lucht gemeten. Daarnaast worden maandgemiddelde concentraties ammoniak op meer dan driehonderd plekken in Nederland gemeten, waaronder in ruim tachtig Natura 2000-gebieden, en elk uur wordt de ammoniakconcentratie gemeten op zes locaties. Verder wordt op acht locaties de regenval gemeten en hoeveel nitraat en ammonium er in het regenwater zit. Daarmee wordt de natte depositie van stikstof bepaald. Ook effecten zijn gemeten, waaronder stikstofgehalten in bossen, planten en in de bodem en de gevolgen die het heeft voor de natuur en de vitaliteit van bossen.

Er zijn ook modellen nodig. Die worden onder andere gebruikt om schattingen van de stikstofdepositie te maken op landelijk niveau en om inzicht te krijgen in de belangrijkste oorzaken ervan. Want al meet je op 10.000 plekken, dan nog moeten die metingen worden opgeschaald om tot landelijke uitspraken te komen. En metingen van stikstofconcentraties vertellen je niet welke sector er verantwoordelijk voor is.

Modelresultaten worden daarvoor echter wel vergeleken met metingen om te zien of de voorspellingen betrouwbaar zijn. Daarbij blijken berekende en gemeten stikstofconcentraties in de lucht een goede overeenkomst te vertonen. Wel liggen de gemeten concentraties aan ammoniak gemiddeld iets hoger dan de modelberekeningen en daarvoor wordt dan ook gecorrigeerd in de modellen.

Heeft de natuur een stikstofprobleem?

Jazeker. Door neerslag van stikstof op natuur verzuurt de bodem. Door de verzuring spoelen belangrijke voedingsstoffen als calcium, kalium en magnesium uit. Samen met de hoge aanvoer van stikstof leidt dit tot een onbalans in voedingsstoffen die zorgt voor een afname aan plantensoorten. Die heeft op zijn beurt weer geleid tot een afname aan insecten, vlinders en vogels. Door die onbalans in voedingsstoffen is ook de vitaliteit van bossen afgenomen en is de gevoeligheid voor droogte, ziekten en plagen groter geworden. Deze kennis is niet afgeleid van modelberekeningen maar van metingen, niet alleen in Nederland, maar in grote delen van Europa, de VS, China en Latijns-Amerika.

Helpt de afname in stikstofuitstoot dan niet?

Jawel, maar de natuur herstelt er nog niet echt van. En dat is mede het gevolg van een lange historische erfenis van meer dan 40 jaar. In de jaren tachtig was de stikstofbelasting nog veel hoger en werden kritische waarden nog veel meer overschreden. Sinds die tijd is de uitstoot van stikstofoxiden en ammoniak meer dan gehalveerd. Desondanks komt daardoor op ongeveer driekwart van de Nederlandse natuur nog steeds te veel stikstof terecht. Zo heeft in de Nederlandse natuur een opeenhoping van stikstof plaatsgevonden gedurende meer dan 40 jaar. Daardoor gaat die natuur ondanks de verlaging er nog steeds niet op vooruit. Denk aan iemand die veel te veel heeft gegeten en als gevolg van gezondheidsklachten niet lijnt maar minder te veel gaat eten. Dan kunnen door het overgewicht desondanks de klachten voorlopig blijven of zelfs toenemen.

In het buitenland is er toch geen probleem?

Het is een Europees en wereldwijd probleem. Natuurgebieden in het buitenland zijn vaak nog gevoeliger voor stikstof dan in Nederland en ook daar worden kritische waarden overschreden. Maar die overschrijding is veelal lager dan in Nederland, door de lagere stikstofuitstoot per hectare, daarom is de vergunningverlening er wat soepeler. Maar dit staat onder druk.

Zo wordt er een Vlaamse stikstofregeling ontwikkeld die vergelijkbaar is met de Nederlandse situatie en is recentelijk een strengere stikstofwet aangenomen. Daarmee kunnen agrarische ondernemers alleen nog bouwvergunningen krijgen als ze aantonen dat de natuur er niet door wordt aangetast. Verder krijgen alle landen te maken met de doelstelling van de Europese Green deal om de stikstofverliezen naar lucht en water voor 2030 met 50 procent terug te dringen. Zo groot zijn de verschillen dus niet.

Maar dan nog is het toch geen 25 miljard waard?

Bij de stikstofproblematiek gaat het om veel meer dan alleen effecten op de natuur. Zo dragen ammoniak en stikstofoxiden voor bijna 40 procent bij aan de vorming van fijnstof met grote gezondheidseffecten. Verder hebben we bij stikstofgebruik in de landbouw niet alleen te maken met uitstoot van ammoniak, maar ook van lachgas, wat een broeikasgas is. Samen met de uitstoot van methaan, met name uit koeien, en van CO2, met name uit dalende veengronden, moet dit worden teruggedrongen in verband met het klimaatakkoord. En dan zijn er nog verliezen van stikstof, samen met fosfor, naar grond- en oppervlaktewater, met gevolgen voor de waterkwaliteit. En ook die verliezen moeten minder om te voldoen aan de Nitraatrichtlijn en de Kaderrichtlijn Water.

Het gaat bij die 25 miljard dus om een integrale transitie van de landbouw om negatieve effecten van te veel stikstof, fosfaat en broeikasgassen op klimaat, luchtkwaliteit, waterkwaliteit en gezondheid te verminderen. Kosten die zijn op te brengen door meer te betalen voor ons voedsel en boeren ook te belonen voor schone lucht, schoon water en behoud van de natuur.

Dit artikel is met toestemming van de auteur overgenomen uit het Nederlands Dagblad. De bronvermelding luidt: Vries, W. de, 2022, Er is wel degelijk een stikstofprobleem, Nederlands Dagblad 78 (20.977): 12-13 (artikel).

Eerder schreef prof. dr. Wim de Vries het artikel ‘Stikstofmodellen zijn geen boerenbedrog’. Dit artikel is hier te vinden.

‘Schepping door evolutie holt Bijbelse boodschap uit’ – Dr. ir. Wim de Vries aan het woord over ‘Woord & Wetenschap’

Het was deze maand twee jaar geleden dat het boek ‘Woord & Wetenschap‘ werd uitgegeven door Labarum Academic, de academische tak van uitgeverij De Banier.1 Het boek werd geschreven door de drie ‘de Vriezen’: prof. dr. Marc J. de Vries, dr. Piet de Vries en prof. dr. ir. Wim de Vries. Op 20 februari 2020 werd op het YouTube-kanaal van het Reformatorisch Dagblad een korte video geplaatst over het boek met aan het woord Wim de Vries. We delen deze video hieronder ook op onze website.

Onder de video staat het volgende: “Het idee dat God heeft geschapen door evolutie verslaat zijn duizenden in de gereformeerde gezindte. ”Onderhuids gebeurt dat ook in de rechterflank. Binnen één generatie kunnen we helemaal zijn afgegleden.” Het was voor prof. dr. Wim de Vries aanleiding om het boek ‘Woord en wetenschap‘ te schrijven.”

Voetnoten

Stikstofmodellen zijn geen boerenbedrog

Nergens is het systeem om de uitstoot van stikstof te schatten zo goed op orde als in Nederland. Belangrijk, want door neerslag van stikstof vindt in de bodem onder meer verzuring plaats. Dit leidt tot een sterke afname van planten, insecten en vogels.

Stikstof houdt de gemoederen nog steeds bezig. Zo is de Eerste Kamer in maart dit jaar akkoord gegaan met de stikstofwet, die voorziet in een afname in de uitstoot van stikstof met 50 procent in 2035. Maar dat soort reducties zijn volgens Geesje Rotgers van de stichting Agrifacts (RD 12-7) gebaseerd op simplistische rekenmodellen. En die leiden tot een papieren werkelijkheid, stelt ze. Klopt die aantijging?

Recent zijn er vier stikstofrapporten uitgebracht. Op verschillende wijze geven die een nadere onderbouwing aan de vereiste reductie in stikstofuitstoot en waar die reducties het effectiefst zijn. Daarbij spelen inderdaad modellen een rol. Die modellen simplistisch noemen verraadt een enorm gebrek aan kennis, want dat zijn ze bepaald niet. Door over een papieren werkelijkheid te spreken, wekt Rotgers de suggestie gewekt dat resultaten van die modellen helemaal losstaan van metingen, maar dat is volslagen onjuist. De concentraties stikstofoxiden, met name afkomstig uit verkeer, worden elk uur op 73 plekken met geavanceerde apparatuur gemeten. Verder worden de maandgemiddelde concentraties ammoniak op meer dan 300 plekken in Nederland gemeten, waarvan ruim 80 in natuurgebieden. Modelvoorspellingen worden vergeleken met die metingen, en de overeenkomst daartussen is heel groot. Voor de statisch onderlegde lezer: een correlatiecoëfficiënt van meer dan 0,95. Daar likt elke modelleur zijn vingers bij af. En dus kun je die modellen gebruiken om schattingen te maken op plaatsen waar je niet meet. Dat moet je doen om voor heel Nederland een beeld te krijgen, ook al zou je op honderdduizend plekken meten.

Onderschat

Vanwege de kritiek op modellen heeft minister Schouten de ”Commissie meten en berekenen” ingesteld (de commissie-Hordijk). Die beoordeelde het Nederlandse meet- en rekensysteem als goed. En dat was een terughoudend oordeel. Feitelijk is het heel goed. Vrijwel nergens in de wereld is het systeem om de uitstoot te schatten, dat de invoer voor het luchtmodel vormt, zo goed op orde als in Nederland. Wel blijken de metingen voor ammoniak helaas gemiddeld wat hoger te liggen dan de modellen, wat erop wijst dat de uitstoot van ammoniak wordt onderschat. Daarom wordt er gecorrigeerd voor die klaarblijkelijk te optimistische schatting. Wel kan lokaal de onzekerheid in stikstofbelasting of in de schatting van die belasting vrij groot zijn. Maar het gemiddelde beeld is betrouwbaar, net zoals dat geldt voor een gemiddelde weervoorspelling. Met haar zogenaamde ”natuurcheck” in het Wierdense veld in Overijssel ridiculiseert Rotgers ook de effecten van stikstof op natuur. De suggestie is dat het bij stikstof alleen zou gaan om het in stand houden van kleine stukjes wensnatuur. Want zo noemt zij de circa 100 vierkante meter actief hoogveen, die zij kennelijk niet heeft kunnen ontdekken. Wellicht nuttig om te vermelden dat drie ecologen van verschillende organisaties onlangs geconstateerd hebben dat het actieve hoogveen is uitgebreid van circa 100 naar 140 vierkante meter, maar feitelijk gaat het daar niet echt om. Veel belangrijker in dit gebied de 380 hectare herstellend hoogveen.

De kern is dat het bij de schade van stikstof op de natuur om heel veel meer gaat dan om kleine stukjes veen die je wilt behouden. Door neerslag van stikstof op natuur vindt er in de bodem verzuring plaats, met als gevolg een tekort aan calcium, kalium en magnesium. Dit leidt bijvoorbeeld bij kool- en pimpelmezen tot eieren met een te dunne schaal en jongen die al in het nest hun pootjes breken.

Verder hebben het overschot aan stikstof en de verzuring negatieve effecten op de diversiteit aan plantensoorten. Veel kenmerkende soorten worden overwoekerd en daardoor kunnen insecten en vlinders ook moeilijker overleven. Met weer als gevolg dat de vogelstand terugloopt. In bossen op de hoge zandgronden zijn roofvogels zoals havik, buizerd, sperwer en boomvalk sterk achteruitgegaan. Die achteruitgang komt ook doordat het probleem al meer dan veertig jaar speelt. Het heette begin 1980 ”zure regen”. Dat ging toen ook al om de neerslag van stikstofoxiden en ammoniak uit verkeer en landbouw. Daarnaast was er ook neerslag van zwaveloxiden, maar de uitstoot daarvan is sinds 1980 met circa 90 procent gedaald.

Boerenbedrog

Sindsdien 1990 is ook de uitstoot van stikstofoxiden en ammoniak meer dan gehalveerd. Desondanks komt op ongeveer driekwart van de Nederlandse natuur nog steeds te veel stikstof terecht. Want destijds was de belasting torenhoog. En daardoor gaat de natuur er nog steeds niet op vooruit. Door het probleem te bagatelliseren bewijs je boeren geen dienst en pleeg je boerenbedrog.

Daarbij moet ook bedacht worden dat stikstofgebruik in de landbouw niet alleen tot uitstoot van ammoniak leidt, maar ook van het broeikasgas lachgas en tot verliezen van nitraat naar grond- en oppervlaktewater. En ook die verliezen moeten minder vanwege effecten op het klimaat en de waterkwaliteit. We staan naar mijn vaste mening dan ook op de drempel van een transitie in ons voedselsysteem. Ik begrijp de frustratie van de boeren goed als het gaat om hun gevoel dat zij tegen marginale prijzen voedsel moeten produceren en dat ook nog eens milieuvriendelijk. De kosten van die transitie moeten we niet afwentelen op de boeren, maar we dienen hun meer te betalen voor ons voedsel en hen ook te belonen voor schone lucht, schoon water en behoud van de natuur.

Dit artikel is met toestemming van de auteur overgenomen uit het Reformatorisch Dagblad. Bronvermelding: Vries, W. de, 2021, Stikstofmodellen zijn geen boerenbedrog, Reformatorisch Dagblad 51 (96): 34-35 (artikel).