Home » Baraminologie

Categorie archieven: Baraminologie

Eenvoudige uitleg van baraminologie met de konijntjes als voorbeeld – Biologieonderwijs vanuit het perspectief van de schepping door dr. Todd C. Wood

Creationisten belijden een schepping in zes dagen. Op de zesde dag schiep God de landdieren. Hoe zit dat met de konijntjes zijn deze ook zó geschapen? Hoe sommige creationisten hierover denken wordt duidelijk in dit eenvoudige filmpje van dr. Todd C. Wood.1 Met dank aan Douwe Tiemersma voor de Nederlandstalige ondertiteling van deze video.

Voetnoten

Dr. Todd C. Wood prominent aanwezig op de ICC – Geleerde presenteert maar liefst vijf papers, veelal over paleoantropologie en de implicaties voor het klassieke scheppingsparadigma

Langzaam, maar zeker, komt de International Conference on Creationism (ICC) dichterbij. De organisatie is nog bezig met het programma, maar dr. Todd C. Wood laat via zijn blog weten dat hij aanwezig is met maar liefst vijf papers. Ik weet dat ook andere onderzoekers zoals Paul Garner (MSc.)1, dr. Mátyás Cserhati2 en dr. Marcus Ross3 werk zullen presenteren. Terwijl we wachten op het programma werpen we een blik in de keuken van dr. Wood.4

De eerste paper draagt als titel: ‘Testing the order of the fossil record: Preliminary observations on stratigraphic-clade congruence and its implications for models of evolution and creation’. Het gaat hier om een gezamenlijke studie. Met welke andere wetenschappers deze studie gedaan is wordt niet vermeld. Mogelijk zijn Paul Garner (MSc.), dr. Kurt Wise en dr. Marcus Ross hierbij betrokken. Volgens Wood waren de resultaten ingewikkeld maar buitengewoon interessant. “We found a lot of patterns that we didn’t expect and really didn’t have a good explanation for.” Hij verwacht dat dit interessante gesprekken zal gaan opleveren.

De tweede paper draagt als titel: ‘A preliminary evaluation of ape baramins’. Wood heeft deze paper geschreven samen met een student. Welke student dat is blijft nog een verrassing? Onderzoek naar het baramin van de mensen is ook naar de mensapenbaramins kijken. Wood noemt de onderzoeksresultaten wat rommelig, maar ziet dit als een begin en hoopt dat er in de toekomst meer zal volgen.

De derde paper draagt als titel: ‘Essentialism and the human kind, or experiments in character weighting’. Deze paper begon als een reactie op critici, maar leverde ook meer interessante zaken op. De paper probeert de vraag te beantwoorden of het mogelijk is dat we mensen kunnen identificeren op basis van slechts een handjevol kenmerken. Wood geeft aan dat getest te hebben en dat deze test niet goed uitviel. De bioloog vermoedt dat hij over deze kwestie zal moeten nadenken tot hij daadwerkelijk de presentatie geeft. Hij geeft aan dat dit zijn enige ‘solo’-paper is.

De vierde paper draagt als titel: ‘Human history from Adam to Abraham: Integrating paleoanthropology with a young-age creation perspective’. Wood had veel meer te zeggen en wenste dat hij meer ruimte had gekregen. De paper is op zoek naar een creationistische consensus op het gebied van de paleoantropologie. Wood dacht met zijn medeonderzoekers na over hoe paleoantropologie verweven kan worden met een tijdlijn waarbij uitgegaan wordt van het klassieke scheppingsgeloof. Naar deze paper zie ik het meest uit, omdat deze ook relevant is voor het archeologische vraagstuk in Nederland.5

De vijfde paper draagt als titel: ‘Human baraminology in postcranial perspective’. Deze paper presenteert Wood samen met een student. Ik vermoed dat deze student Peter Brummel is. In eerder werk aangaande de baraminologie van mensen gebruikte Wood vooral schedelmateriaal. In dit onderzoek kijkt hij naar het complete skelet. Het lichaam kan ons namelijk meer vertellen dan alleen de schedel. Wood noemt het onderzoek veel werk, maar is tevreden met de resultaten die het onderzoek opleverde.

N.a.v.: Coming up at the International Conference on Creationism (http://toddcwood.blogspot.com/2023/06/coming-up-at-international-conference.html).

Voetnoten

Tweede artikel van Altenoweb in de discussie rond de baraminologie van de rode panda (Ailurus fulgens) en het werk van dr. Mátyás Cserháti

Vorig jaar schreef ik een artikel naar aanleiding van het baraminlogische werk van de uit Hongarije afkomstige bio-informaticus dr. Mátyás Cserháti.1 Cserháti publiceerde twee in-depth artikelen over de baraminologische indeling van de rode panda (Ailurus fulgens). Dit werd opgemerkt via de naturalistische website Panda’s Thumb door evolutiebiologe dr. Gerdien de Jong. De Jong schreef op de voornoemde website een kritisch artikel.2 Cserháti publiceerde via deze website zijn Engelstalige kritiek op het artikel van De Jong.3 De Jong is nu bezig met een 19-delige kritiek op het werk van de bio-informaticus.4 Bioloog Alteno volgde de discussie en schreef er twee artikelen over. Het eerste artikel heb ik hier kort samengevat.5 Het tweede artikel wil ik hieronder kort samenvatten. Omdat dit tweede artikel veel verwijzingen bevat kan deze samenvatting kort zijn.6

Holobaramin

Het tweede artikel van Alteno legt de focus op baraminologie. Allereerst verwijst Alteno naar een citaat van De Jong in het artikel op Panda’s Thumb, namelijk dat men bij baraminlogie met statistische clustering werkt en daarmee denkt te komen tot onoverbrugbare biologische discontinuïteit. In het artikel op de website ‘Oorsprong’ gaat Cserháti ook kort in op baraminologie. Alteno: “Er bestaan verschillende soorten baramins waarbij men op zoek is naar het holobaramin.” Om deze stelling te onderbouwen citeert Alteno zeer uitgebreid vanaf de website van de Creation Biology Society.7 Alteno komt tot de conclusie dat je het holobaramin zowel van boven naar beneden (vanuit het apobaramin) als van beneden naar boven (vanuit het monobaramin) kunt benaderen. Dit is correct, al is het uiteindelijk altijd te doen om te komen tot een holobaramin.

De werkwijze van Cserháti

Alteno ziet dat de werkwijze van Cserháti statistisch van aard is, net zoals Baraminic Distance. Wanneer de bioloog verder hierop zoekt, komt hij op de website van ‘de tendentieuze NCSE’.8 Alteno staat kritisch tegenover NCSE, maar noemt het gelezen artikel over baraminologie ‘verder goed leesbaar’. Hij ziet wel dat de auteur, Alan Gishlick, foutief ervan uitgaat dat ‘de verwantschap van leven het alleenrecht is van hen die in common descent geloven’. Na een groot citaat uit het artikel van Gishlick komt Alteno aan het einde van zijn artikel. In het slotakkoord geeft hij aan dat de werkwijze van Cserháti ‘een statistische benadering op basis van overeenkomsten en verschillen’ is. Het komt er volgens Alteno op aan ‘wat de wiskundige resultaten biologisch betekenende afhankelijkheid van de gekozen parameters en het belang van de biologische interpretatie’.

Dr. Peter Borger

Alteno besteedt ook nog één korte alinea aan moleculair bioloog dr. Peter Borger.9 Hij geeft aan dat hij onbekend is met wat Borger over de reuzenpanda heeft gezegd. Het gaat in de discussie hoofdzakelijk om de rode panda (Ailurus fulgens) en niet om de reuzenpanda (Ailuropoda melanoleuca). Waarom de gedachten van Borger over de reuzenpanda relevant zijn voor deze discussie ontgaat mij een beetje. Ongetwijfeld zijn Borger, Cserháti en De Jong het eens over de indeling van de reuzenpanda bij de beren (Ursidae). Borger richt zich volgens Alteno, in onderscheid van baraminologie, op essentiële/onveranderlijke genen.

Ten slotte

Het is te prijzen dat Alteno zich met dit artikel verdiept heeft in de theorievorming van baraminologie. Het begrijpen van deze creationistische werkhypothese is nuttig en nodig om de discussie tussen De Jong en Cserháti te volgen. Wanneer De Jong klaar is met haar 19-delige reeks hoop ik dat Cserháti bereid gevonden kan worden om te reageren op haar stevig gefundeerde kritiek.