Home » Seksuele gerichtheid

Categoriearchief: Seksuele gerichtheid

Wetenschapsbijbel miskent scheppingsorde

Gender is een hot topic vandaag. Het was te verwachten dat de pas verschenen Wetenschapsbijbel er aandacht aan zou besteden. Helaas wordt er geen recht gedaan aan de Schrift.

Er wordt een heel lemma gewijd aan de manier waarop de Bijbel over man(nelijkheid) en vrouw(elijkheid) spreekt. Volgens de auteur, dr. Anne Mareike Schol-Wetter, is gender in de Bijbel „niet zozeer een vaststaand gegeven” als wel „een ideaal waaraan individuen in meer of mindere mate kunnen voldoen”. Voor mannen gaat het dan bijvoorbeeld om eigenschappen als dapperheid en zelfbeheersing.

Wie langs deze lijnen de Bijbel leest, ontdekt geregeld dat mannen door de mand vallen (denk aan David of Ahasveros). We kunnen de auteur alleen maar bijvallen dat er niemand is die aan het Bijbelse ideaal voldoet en dat de Schrift impliciet en expliciet ons bekritiseert. So far, so good.

Essentie

Mijn moeite met dit lemma zit vooral in het feit dat de auteur de vraag naar wat man en vrouw-zijn inhoudt en wat hen onderscheidt, (bewust?) lijkt te laten liggen. Ze richt zich vrijwel uitsluitend op wat mannelijk en vrouwelijk gedrag is, de functionele kant van het man en vrouw-zijn. Dr. Schol hoopt zo „af te [kunnen] stappen van een strikte tweedeling tussen mannen en vrouwen”. Het lijkt erop dat ze zich ver wil houden van vragen over de essentie van het man en vrouw-zijn. Maar die vlieger gaat niet op. Dan doe je ook geen recht aan de Schrift. Helaas is dat het geval in deze bijdrage.

Rolverhouding

Volgens de auteur waren er in de oudheid (en dus ook in de Bijbel) „geen automatisch (biologisch) verkregen en onvervreemdbare eigenschappen”. Dat is nonsens. Allereerst onderscheiden Genesis 1 en 2 duidelijk tussen de anatomie van man en vrouw en de sociale rol (genderrol). Oudtestamenticus Michael Levevre wijst erop dat ”zakar” (mannelijk) en ”neqebah” (vrouwelijk) uit Genesis 1 verwijzen naar de mannelijke en vrouwelijke anatomie, terwijl het ”ish” (man) en ”isha” (vrouw) uit Genesis 2 gebruikt worden voor de sociale rol van man en vrouw.

Daarnaast wordt de schepping van man en vrouw in Genesis 1 in één adem verbonden met de opdracht om vruchtbaar te zijn en de aarde te vervullen. Je hoeft geen bioloog te zijn om te weten dat dit onlosmakelijk verbonden is met de biologische constitutie van de man om kinderen te verwekken en van de vrouw om kinderen te baren.

Nog bonter maakt de schrijver het als ze stelt dat er in Genesis 1 en 2 nog geen sprake is van een onderlinge hiërarchie. Dat zou pas volgen op de zondeval. De schrijver gaat dus uit van een strikt egalitaire verhouding van man en vrouw. Dat is pertinent onwaar. De rolverhouding tussen man en vrouw is niet een gevolg van de zondeval, maar ligt in de schepping van man en vrouw zelf besloten.

De tekst van Genesis 1-3 maakt op allerlei manieren zichtbaar dat de rol van de man een andere is dan die van de vrouw. Adam is eerst gemaakt, niet Eva. Eva wordt uit Adam gemaakt, niet Adam uit Eva. Het is Adam die de dieren een naam geeft, niet Eva. Het is eveneens Adam die Eva haar naam geeft. Het is Adam die in de eerste plaats verantwoordelijk is voor de zondeval, niet Eva. Daarom roept God ook eerst Adam tot verantwoording, niet Eva: „Adam, waar zijt gij…?” Het is duidelijk dat Adam de eerste in orde is, de primus inter pares (de eerste onder zijn gelijken). Dit primaat wordt in de hele Schrift gehandhaafd: de man als ”hoofd” van de vrouw (bijvoorbeeld 1 Korinthe 11:3; Efeze 5:23).

Gelijk niveau

God geeft Eva als „hulp tegenover hem”. Ze is geschapen ter ondersteuning en completering van Adam. Adam is niet ‘af’ zonder Eva. Hij heeft haar nodig. Man en vrouw zijn niet gemaakt voor competitie, maar voor coöperatie.

”Hulp” is een militair woord dat gebruikt wordt voor een leger dat een ander leger te hulp schiet. Vrouwen zijn niet zwak, maar sterke en onmisbare hulptroepen. Het is een eretitel, een naam die God Zelf ook draagt: „Hij is onze Hulp en ons Schild”. (Psalm 33)

Dit ”hulp-zijn” betekent niet dat ze minder(waardig) is ten opzichte van de man. Ze is immers hulp tegenover hem. Niet onder hem, niet boven hem, maar tegenover. Op gelijk niveau. Ze kan hem in de ogen kijken. Maar hoewel gelijkwaardig, is ze wel anders en heeft ze ook een andere rol en roeping.

Dat is wat in de theologie bekend staat als de scheppingsorde: de man als hoofd, de vrouw als hulp. Hoewel dat tegenwoordig een vies woord lijkt en de auteur er zich verre van houdt, is dit direct af te leiden uit Genesis; het wordt bovendien in het Nieuwe Testament voluit bevestigd (2 Timotheus 2:13). Man en vrouw hebben beiden een verschillende rol en roeping – en dat is Gods gebruiksaanwijzing voor alle tijden.

Het is betreurenswaardig dat de auteur dit helemaal laat liggen. Niet alleen doen we dan ernstig tekort aan de gezonde woorden van de Schrift, we onthouden mannen en vrouwen bovendien een duidelijke, door God gewilde visie op wat het betekent om man en vrouw te zijn voor Gods aangezicht in de wereld van vandaag. En daar is niemand mee geholpen.

Dit artikel is met toestemming van de auteur overgenomen uit het Reformatorisch Dagblad. De volledige bronvermelding luidt: Klaassen, M., 2022, Wetenschapsbijbel miskent scheppingsorde, Reformatorisch Dagblad 52 (202): 28-29 (artikel).

Vuur, maar weinig licht – Bespreking ‘Vuur dat nooit dooft’

Om maar meteen met de deur in huis te vallen: ”Vuur dat nooit dooft” is een verwarrend boek. Hoewel aangeprezen als „onmisbaar”, een „must have” en getipt voor het beste theologische boek van het jaar, maakt het deze kwalificaties helaas niet waar. Het helpt christenen niet verder in de bezinning op de thema’s seksualiteit en gender. De reden? De auteurs luisteren te veel naar de cultuur en te weinig naar de Bijbel.

René Erwich en Almatine Leene beogen vier doelen met ”Vuur dat nooit dooft”. Ze willen de huidige maatschappelijke context duiden, een historisch overzicht geven, wetenschappelijke benaderingen bespreken en theologische inzichten delen. Ten dele slagen ze daar ook in. Het boek bevat verschillende interessante en leerzame gedeelten waar de lezer zijn winst mee kan doen. Zo biedt hoofdstuk 2 een overzicht van visies op gender en seksualiteit door de eeuwen heen, maakt hoofdstuk 3 inzichtelijk hoe de wetenschappelijke omgang met gender zich ontwikkeld heeft en biedt hoofdstuk 5 een nuttige bespreking van de geweldige impact van pornografie.

Maar naast de genoemde vier doelen hebben de auteurs nog een vijfde doel. Hoewel ze heel bescheiden stellen slechts een „beetje orde in de verwarring te willen scheppen”, worden ze gedreven door een heel duidelijke missie, een missie die als een rode draad door het boek loopt – en dat is het ter discussie stellen van gevestigde patronen binnen de christelijke traditie, zoals binair denken en heteronormativiteit. Dat maakt het vanaf het begin een gekleurd boek. Terecht merkte dr. Yme Horjus op dat de conclusies al van tevoren vaststonden. Wat betreft gender vinden de auteurs dat man en vrouw „geen binair en polair gegeven” is, maar een „continuüm waarbinnen ruimte voor diversiteit is.” Er bestaan volgens hen „veel meer geslachtsvariaties dan slechts de mannelijke en vrouwelijke vorm.” Het „krampachtige binaire denken rondom gender” zou opgegeven moeten worden. Die aanname –die uiteraard een keuze is– leidt ertoe dat de auteurs sympathiek staan tegenover gendertransitie en homoseksualiteit.

Helaas heeft ”Vuur dat nooit dooft” de nodige kritiekpunten. Allereerst ontbreekt het dit boek aan een duidelijke eigen visie. De uitgave had aan kracht gewonnen als de auteurs minder zouden zijn teruggevallen op andere schrijvers en gewoon hun eigen verhaal geschreven hadden. Te vaak heeft het boek het karakter van een omgevallen boekenkast waarbij zo veel mogelijk visies aan het woord moeten komen. Daarnaast is het lezen van deze studie bij tijden een vermoeiende exercitie. Geregeld zijn zinnen verwarrend geconstrueerd, zodat je je afvraagt wat er nu precies bedoeld wordt. Wat bijvoorbeeld te maken van deze zin op blz. 63-64: „De ‘regie’ van de man werd steeds minder onderworpen aan de vormgevingseisen, waarbij voorheen, voordat de biologie zich ermee bemoeide, altijd een of andere medische rechtvaardiging had bestaan”? Daarnaast worden er regelmatig balletjes opgeworpen die vervolgens niet uitgewerkt worden.

Veel bezwaarlijker dan deze stilistische mankementen zijn echter de inhoudelijke bezwaren die tegen het betoog van de auteurs ingebracht moeten worden. De auteurs gaan tamelijk kritiekloos en naïef mee in het huidige discours over gender en seksualiteit zonder de fragwürdige aannames die daaronder liggen bloot te leggen. Het is een verbijsterende lacune dat de magistrale studie van Carl Trueman –die dat wél deed– niet eens aangehaald wordt door de auteurs. Enige vorm van cultuurkritiek ontbreekt vrijwel geheel.

Wat ook ontbreekt, is een helder normatief kader. De auteurs zijn vuurbang voor het vingertje. Ze maken al gelijk aan het begin duidelijk dat ze vooral niet willen voorschrijven. Als je op zoek bent naar een ethisch kader „moet je elders zijn.” Voordat je het weet zijn we moralistisch bezig; het gaat immers zo vaak al over grenzen. Tja, als zelfs theologen het daar niet meer over mogen hebben, wie dan nog wel?!

Maar hoe kan het anders als je de theologische vooronderstellingen aanhangt die Erwich en Leene aanhangen? Daar liggen de grootste vragen. God, geloof, theologie en seksualiteit hebben „met elkaar te maken”, maar over het hoe blijft veel onduidelijk. Dat is volgens de auteurs dan ook „niet eenvoudig” en veel hangt daarbij af van de „bril waarmee we de Bijbel lezen.” De auteurs geven aan dat ze de Bijbel niet willen lezen als een „wetboek” (wie wel? vraag je je af). In plaats daarvan stellen ze voor de Bijbel te lezen vanuit het kader van „verlangen”: het verlangen van God naar de mens en het menselijk verlangen naar relationaliteit.

Mijns inziens wordt de Schrift zo in een jas gestopt die slecht past. Niet dat verlangen niet belangrijk is, maar het is een thema dat in het geheel van de Schrift een bescheiden rol speelt en zeker geen kernthema is. Erger nog is dat met behulp van deze benadering de inhoud en zeggingskracht van Bijbelteksten gerelativeerd of geherinterpreteerd worden. Dat wordt duidelijk zichtbaar bij de behandeling van homoseksualiteit. Bij de zonde van Sodom zou het niet zozeer om homoseksualiteit gaan, maar om gebrek aan gastvrijheid. Deze exegese deugt beslist niet. In het licht van de heiligheidscode uit Leviticus (hoofdstuk 17-26) en de interpretatie hiervan bij Ezechiël wordt duidelijk dat het wel degelijk om seksuele zonde ging, in het bijzonder homoseksuele handelingen. Bovendien blijkt dat God al voor het betoonde gebrek aan gastvrijheid van plan was Sodom en Gomorra te verdelgen.

Als het gaat om Paulus’ visie op homoseksualiteit wordt weer eens de bewering gedaan dat het hier niet om homoseksualiteit als zodanig zou gaan, maar vooral om misbruik en exploitatie (van bijvoorbeeld jongens, zogenoemde pedasterie). Maar er is niets in Romeinen 1 wat aanleiding geeft tot de gedachte dat er sprake is van machtsmisbruik; alles wijst erop dat het seksuele handelen plaatsvindt in een sfeer van gelijkwaardigheid en wederzijdse instemming. Het zijn exegeses die al lang grondig weerlegd zijn; ook Ad de Bruijne –die zelf geen bezwaar heeft tegen homoseksuele relaties– is er in zijn recente studie over homoseksualiteit duidelijk over dat de Schrift alle vormen van homoseksueel gedrag veroordeelt.

Selectief

De auteurs geven er geen blijk van op de hoogte te zijn van hoogwaardige studies als die van Robert Gagnon, gaan vrijwel niet in interactie met andere stemmen, maar zijn heel selectief in hun literatuurkeuze. Zo wordt een echt debat uit de weg gegaan en wordt het preken voor eigen parochie. Je vraagt je af wat er zo nog overblijft van de helderheid (”claritas”) en vooral het gezag van de Schrift. In plaats van de wat vreemde keuze voor ”verlangen” als leidend motief, hadden de auteurs beter in kunnen steken met de klassieke trits schepping-val-verlossing. Echter, de schepping wordt gerelativeerd en het effect van de (zonde)val wordt compleet genegeerd. Dan zijn we mijlenver verwijderd van de klassiek-christelijke visie en is het niet vreemd dat dit boek zo weinig zeggingskracht heeft.

Je zou graag willen dat er iets minder aandacht was voor diversiteit en iets meer voor de zo broodnodige normativiteit. Daarvoor moet je niet bij Erwich en Leene zijn. Volgens de auteurs gaan we nu eenmaal struikelend door het leven – en ik kan helaas niet anders dan toestemmen dat er in dit boek heel wat gestruikeld wordt. Ja, het is waar, bij een complex thema als seksualiteit en gender zijn „antwoorden niet altijd te geven”, maar ik ben ervan overtuigd dat er in het licht van de Bijbel heel wat meer te zeggen is dan Erwich en Leene doen.

Dit boek draagt niet bij aan een helder getuigenis over Gods bedoeling met gender en seksualiteit, maar vergroot de verwarring veeleer. Het geeft wel vuur, maar weinig licht. Hooguit zal het hen die al ‘om’ waren, bevestigen in hun gelijk. We snakken ondertussen naar een boek in Nederland dat ons met kennis van zaken en trouw aan de Schrift en de christelijke traditie wel de weg kan wijzen.

Dit artikel is met toestemming van de auteur overgenomen uit het Reformatorisch Dagblad. De volledige bronvermelding luidt: Klaassen, M., 2022, Vuur, maar weinig licht, Reformatorisch Dagblad 52 (201): 26-27 (artikel).

Heeft dr. Prosman het boek gelezen met één oog dicht? – Een Twitter-draad van dr. René Erwich als reactie op een recensie in De Waarheidsvriend

Het boek ‘Vuur dat nooit dooft’ lijkt een steen in de vijver van de Gereformeerde Theologie te worden.1 De Gereformeerde Gezindte zou op het gebied van seksualiteit hoognodig moeten ‘omdenken’ (p. 37). Helaas voor de auteurs blijkt niet iedereen in de Gereformeerde Gezindte dat van plan te zijn. Eén van de auteurs van het genoemde boek, hoogleraar praktische theologie dr. René Erwich, reageert daarom als in de spreekwoordelijke wiek geschoten op theologen die het oneens zijn met het boek. Systematisch theoloog dr. Jan Hoek2 zou last hebben van een ‘normatieve reflex’ en ’empirie allergie’.3 Theoloog dr. Yme Horjus4 ‘smeert het debat dicht’ en haalt ‘zijn bekende eenzijdige kijk op wat een ‘echt’ theologische discussie is’ van stal.5 Theoloog dr. Ad Prosman6 zou het boek gelezen hebben ‘met één oog dicht’7 en zijn recensie ‘dient niemand, ook uw achterban [die van De Waarheidsvriend, JvM] niet’.8 Op de recensie van classicus en theoloog dr. Benno Zuiddam9 hoopt dr. Erwich nog te reageren.10

Nu kan ik mij voorstellen dat de emotie komt bovendrijven als een jarenlang project wordt aangepakt. Zo’n boek is immers toch je kindje geworden. Wanneer het gesprek wordt platgeslagen met dergelijke emoties wordt het ‘open gesprek’ niet verder geholpen. Vandaag plaatste ik een drietal recensies, van dr. Prosman, dr. Horjus en dr. Zuiddam.11 Via LinkedIn kreeg ik reactie van dr. René Erwich, een van de auteurs van het boek ‘Vuur dat nooit dooft’. Hij schreef:

“Graag ook onze reactie op dit artikel overnemen om eenzijdige beeldvorming en het gemakkelijk wegzetten van zaken te voorkomen. Dat doet het debat recht.”

Met dat laatste ben ik het eens, als er reacties zijn dan moeten die ook weergegeven (of er liever naar verwezen) worden. Bij navraag via LinkedIn bleek de recensie van dr. Ad Prosman in De Waarheidsvriend te worden bedoeld met ‘dit artikel’. Zelf was ik niet bekend met een officiële reactie van de auteurs op dit artikel dan alleen een Twitter-draad van dr. René Erwich. Kan dat als officiële reactie gezien worden? Volgens dr. Stefan Paas is een (opinie)artikel toch echt iets anders dan een tweet (of Twitter-draadje). En dat ben ik het met dr. Paas eens. Social media is in mijn ogen veel vrijblijvender en vluchtiger.12 Dr. Erwich ziet de Twitter-draad echter als officiële reactie op de recensie. In een vervolgreactie schrijft dr. Erwich nog:

“Jan van Meerten, wellicht vrijblijvend maar niet minder fundamenteel, zou fijn zijn als die reactie vermeld werd. Lijkt me ook gewoon eerlijker. Horjus, Prosman en Zuiddam melden zich vanuit een specifieke hoek en dat is prima, maar dan ook de andere geluiden laten horen s.v.p.”

Ik ben het eens met het feit dat er verwezen moet worden naar de reacties, om zo de discussie inzichtelijk te maken en de standpunten eerlijk weer te geven. Dat wil niet zeggen dat we met Fundamentum alle meningen maar een podium zouden moeten geven. Fundamentum is niet een neutraal christelijk platform waar de pluriformiteit van aardse kerkgenootschappen zichtbaar zou moeten worden. We staan ergens voor! Bij Fundamentum wijzen we bijvoorbeeld homoseksuele praxis af als zonde (op de manier van Johannes 8)13 en geven we een pastoraal bewogen getoonzette ‘nee’ bij transitie.14 Daarnaast belijden en verdedigen we bijvoorbeeld een zesdaagse schepping, historische zondeval en een wereldwijde zondvloed.15 Uiteraard moeten we deze standpunten op een gedegen wijze beargumenteren met het oog en een toonzetting gericht op het zielenheil van de naaste. Dat wil niet zeggen dat we allerhande meningen in artikelvorm overnemen op onze website. Om tegemoet te komen aan het verzoek van de auteur hieronder een weergave van de Twitter-draad in verhaalvorm. Dit doe ik zonder inmenging of annotaties. Zelf heb ik het boek bijna uitgelezen en hoop ik, als de Heere leven en gezondheid geeft, hiervan een recensie te maken. De recensie zal hoogstwaarschijnlijk negatief zijn, heb het boek namelijk met gemengde (maar vooral negatieve) gedachten gelezen.

Reactie van dr. René Erwich op Twitter

Dr. René Erwich reageerde op Twitter in een paar korte statements op de recensie van dr. Ad Prosman in De Waarheidsvriend n.a.v. het boek ‘Vuur dat nooit dooft’. Hij geeft aan dat hij de reactie ook namens dr. Almatine Leene geeft. Hieronder in quote-vorm zijn hele reactie.16

Onze reactie op dr. Prosman in De Waarheidsvriend op ‘Vuur dat nooit dooft’ in een paar korte statements:
(1) Wij beweren in het boek niet dat er afscheid genomen moet worden van binair denken, wel een relativering van dat denken.
(2) Wij schrijven nergens dat de Bijbel verantwoordelijk is voor allerlei onderdrukkingsmechanismen; wel zijn we van mening dat specifieke interpretaties van met name het OT hebben bijgedragen aan onderdrukking van vrouwen.
(3) We presenteren in het boek het resultaat van een lezing van een aantal teksten en thema’s uit de Bijbel; Prosmans bewering dat onze interpretatie van data en de optelsom van OT/NT m.b.t. seksualiteit samen de emancipatiebehoefte van vandaag realiseert, is ronduit ongefundeerd.
(4) Prosman heeft wellicht een cursus ‘closereading’ nodig. Hij ziet geen onderscheid tussen het citeren van of verwijzen naar een wetenschappelijke bron enerzijds en de mening van ons als auteurs anderzijds (Vuur dat nooit dooft, p. 167, voetnoot 146).
(5) Wij beweren dat de menselijke seksualiteit een herrijking nodig heeft vanuit een trinitarisch perspectief, dit i.p.v. een eenzijdige inbedding in Grieks-Romeinse dualistische concepten. Dat is dus wat anders dan dat wij alles als dualistisch wegzetten.
(6) Wij beweren dat het krampachtige binaire denken moet worden opgegeven vanwege het herscheppende en transformatieve werk van de Geest. Prosmans interpretatie dat volgens ons het binaire man-vrouw denken moet worden opgeheven delen wij niet. Zijn analyse is incorrect.
(7) Prosman claimt dat ‘wie verlangen als criterium en leidraad kiest, (die) baant de weg voor homoseksualiteit…’. Wij bedoelen alleen dat ‘verlangen’ een sterk grondmotief is dat haar inbedding en zuivering vindt in relatie tot de Opgestane en Zijn Geest.
(8) Ten slotte: De Waarheidsvriend, het zou uw blad zieren als u iets zorgvuldiger te werk gaat in het recenseren van deze literatuur en iets zorgvuldiger leeswerk verricht voordat u de zaak affakkelt. Dat dient niemand, ook uw achterban niet.

De reactie op de recensie van dr. Ad Prosman is daarmee niet mals. Bij het vierde statement van de auteurs staat een verwijzing naar voetnoot 146 van het boek Vuur dat nooit dooft. Voor de volledigheid, in deze voetnoot staat het volgende:

Jennings (Jennings, 2019) wijst in zijn uitvoerige bijdrage over homoseksualiteit ook op een groot aantal andere teksten in de Bijbel en voorbeelden waarin homoseksualiteit op een of andere wijze naar voren lijkt te komen, en niet enkel in teksten uit het Nieuwe Testament. In dit verband gaat hij in op de liefdesrelatie tussen Ruth en Noömi (Ruth 1:16-17). De beide vrouwen moeten volgens Jennings hun relatie verborgen houden in een patriarchale samenleving en met dat doel heeft Ruth geen andere optie dan hun overleven veilig te stellen door een relatie met Boaz aan te gaan. Interessant is het commentaar in Ruth 4:14. Ruth slaapt met Boaz, raakt zwanger en baart een zoon. De omstanders getuigen dan tegen Noömi: ‘Geprezen zei de HEER, die jou vandaag iemand gegeven heeft die voor je zorgen zal. Moge zijn naam in Israël blijven voortbestaan! Hij zal je je levensvreugde teruggeven en je onderhouden als je oud bent, want je schoondochter, die je liefheeft en die meer waard is dan zeven zonen, heeft hem gebaard.’ De vreugde over de geboorte van de zoon richt zich niet op Boaz, maar op het feit dat Noömi een zoon heeft gekregen. Dat is een opmerkelijk commentaar in de tekst. Jennings interpretatie is boeiend en vraagt om verdere reflectie. Uiteraard komen achtereenvolgens ook de relatie tussen David en Jonathan aan de orde (1 en 2 Samuel), de centurio die Jezus vraagt om hulp voor zijn zieke knecht (Mat. 8) en het verhaal over de Ethiopische eunuch (Hand. 8:26-39). Jennings wijst ook op een mogelijke queer-lezing van teksten waarin de relatie tussen God en het volk Israël wordt beschreven. Hierbij is het volgens Jennings van belang om te zien dat bijvoorbeeld bij de profeten Amos en Hosea, maar zeker ook bij Jeremia en Ezechiël, de relatie tussen God en zijn volk vaak sterk gefeminiseerd wordt, God is vaak de jaloerse en benadeelde echtgenoot die moet omgaan met een overspelig Israël.

De volledige bronvermelding van Jennings 2019 is niet te vinden of het moet gaan om Jennings 2017. Dan luidt de volledige bronvermelding: Jennings, T.W., 2017, ‘Same-seks Relations in the Biblical World’, in: Thatcher, A. (ed.), The Oxford Handbook of Theology, Sexuality, and Gender (Oxford: Oxford University Press), blz. 206-221. Kennelijk hebben dr. Ad Prosman of de redactie van De Waarheidsvriend nog niet gereageerd op deze Twitter-draad. De auteur stelt voor om een briefwisseling op te starten in De Waarheidsvriend. Hij schrijft via Twitter:17

Voorstel: we openen een open briefwisseling in De Waarheidsvriend over de verschillen van inzicht om zo een goed gezamenlijk beeld te krijgen? Kunnen dr. Prosman, dr. Leene en ik het debat goed voeren op argumenten. Minder kun je toch niet verwachten als het zo belangrijk is!

Het voorstel van dr. René Erwich is een prima voorstel om op in te gaan. Wellicht komt deze briefwisseling nog eens tot stand of is inmiddels al afgesproken het zó of op een andere manier te doen. Laat het inhoudelijke debat maar gevoerd worden.

Voetnoten

Sprookjesboek – Bespreking ‘Vuur dat nooit dooft’

René Erwich, hoogleraar praktische theologie, en Almatine Leene, predikant in de GKv, vatten een paar jaar geleden het plan op om de kerken te dienen bij het nadenken over gender en seksualiteit. Dat resulteerde onlangs in de uitgave van het boek Vuur dat nooit dooft. Gender, seksualiteit & theologie in gesprek. Helpt dit boek de kerken verder?

Opvallend is dat de beide auteurs niet uitgaan van het bestaan van twee geslachten, man en vrouw, maar kiezen voor een zogenoemde fluïde (vloeibare) benadering van gender en seksualiteit (p.31). ‘Gender zit tussen je oren en niet tussen je benen’, zeggen ze (p.72), waarbij hun taalgebruik wel iets zegt over hun sociaal-maatschappelijke oriëntatie.

De auteurs menen dat alle transgender zelfidentificatie (= zelf bepalen of je man, vrouw of iets anders bent) een vorm van geslachtsvariatie is, punt. Pluriforme genderidentiteit (het bestaan van allerlei genders) leidt volgens hen tot een prachtige theologische verdieping, waarbij al het mannelijke en vrouwelijke in iedereen uiteindelijk zijn bestemming vindt in Christus. (p.240)

Eros

Het gaat in dit boek ten diepste om eros, seksueel verlangen met een onlosmakelijke lichamelijke component. Volgens Erwich en Leene heeft dit verlangen een normatieve functie: ze zien de mens met zijn gevoelens als normatieve genderidentiteit en dat bepaalt uiteindelijk wat ethisch gewenst is. Dat de Bijbel ook spreekt over liefde in brede zin (het verlossende agape voor een gevallen wereld, ook in seksueel opzicht), over Adam als het mannelijke verbondshoofd en over een ordening van de samenleving volgens de schepping – dat is voor de auteurs niet van belang. Waar de Schrift in deze patriarchale termen spreekt, beoordelen ze dat negatief en als cultureel bepaald. (p.159) ‘Feitelijk is dit een vorm van seksisme, het bevoorrechten van een geslacht boven een ander geslacht en dat heeft veel invloed gehad en heeft dat nog steeds.’ (p.38) Zowel de Bijbel als de christelijke liturgieën en liederen staan hier schuldig voor het aangezicht van de auteurs.

Geslachtsblindheid

Het boek volgt kritiekloos de theorie van Thomas Laqueur.1 De auteurs menen dat mannelijk en vrouwelijk slechts principes zijn en geen seksen (p.51). Het verschil zou gradueel zijn: ‘er is één geslacht en dat is mannelijk. Pas rond 1800 veranderde deze gedachte’. Dit is wel een zeer verwarde kijk op de opvattingen van vroegere geslachten.

Het principiële probleem dat ook hier terugkeert is dat de auteurs de theologische notie van het verbond niet verdisconteren. Ook hun taalkundig geheugen is kort. Tot in de twintigste eeuw beschouwde men het vrouwelijke als bij het mannelijke inbegrepen. Er is in de Schrift en de Westerse traditie weliswaar sprake van één menselijk geslacht (of bloed, vgl. Hand. 17:26), maar zowel theologisch, biologisch als sociaal werd dit altijd strikt gescheiden in mannelijk en vrouwelijk.

Het menselijk denken, ons kijken naar de werkelijkheid en de taalkundige uitdrukking ervan, verloopt al duizenden jaren in termen van mannelijk, vrouwelijk en onzijdig. Dat de wereld vanaf de Franse Revolutie de man niet meer ziet als verbondshoofd van de schepping, die verantwoording aan God schuldig is, moge duidelijk zijn. Maar dat betekent geenszins dat de westerse samenleving pas rond 1800 begon te denken in termen van mannelijk en vrouwelijk. Wie dat zegt, heeft nooit echt Grieks, Latijn, Frans of oudere vormen van Nederlands gestudeerd. Daarbij: alleen al de middeleeuwse kerkelijke regels over intersekse (hoogst uitzonderlijke gevallen waarbij iemand met zowel mannelijke als vrouwelijke geslachtskenmerken ter wereld komt) laten zien dat het denken in twee geslachten – mannelijk en vrouwelijk – ook voor 1800 voluit normatief was. Na de puberteit moest men zich conformeren aan zijn/haar biologische geslacht en daarbij blijven.

Vaagheid

Naar duidelijke seksuele moraal en normativiteit zoekt de lezer in dit boek tevergeefs. De hoofdregel is dat er geen sprake mag zijn van misbruik of ongewenstheid. De theologie heeft als gesprekspartner slechts te zeggen dat wederkerigheid van seksueel verlangen als lichamelijke expressie belangrijk is (p.201). Zou iemand die onbevangen het Nieuwe Testament leest ook tot die conclusie komen?

Een seksueel actieve Jezus is in dit boek kennelijk een optie. De auteurs spreken van ‘een al dan niet gehuwde Christus’ en ‘Christus als huwelijkspartner vooral in metaforische zin’ (p.151). Daarbij geven ze de indruk zich te distantiëren van de vroege kerk. De superioriteit van het celibatair leven zoals bepaalde kerkvaders dit voorstonden, was ‘gebaseerd op hun overtuiging dat Jezus niet getrouwd was’ (p.151).

Schriftgebruik

Het boek kenmerkt zich door situatie-ethiek, dat wil zeggen dat er geen vaste waarheid of normatieve ethische handelwijze is die overal voor alle mensen geldt. Het benadert de Schrift exegetisch niet als eenheid, als Godspraak van de Geest. Veel wat de auteurs niet uitkomt, verwerpen ze als achterhaald of cultureel bepaald. Paulus’ veroordeling van homoseksualiteit op grond van Gods natuurlijke openbaring (Rom. 1) wordt bij Erwich en Leene: ‘Paulus richt zich tegen homoseksuele activiteit waarin sprake is van misbruik en exploitatie’ (p.166). Natuurlijk doet de apostel dit impliciet ook, maar de tekst verwerpt homoseksueel gedrag van mannen en vrouwen expliciet op grond van Gods scheppingsbedoeling.

Een tekst die de auteurs past, ontvangt daarentegen de hoogste lof zonder dat de tekstuele context verrekend wordt. Zo wordt 1 Korintiërs 7:4 (‘ook de man beschikt niet over zijn eigen lichaam, maar de vrouw’) geprezen als zeer revolutionair, want in de Romeinse wereld zou seksualiteit een uitdrukking van macht zijn geweest ‘van mannen naar vrouwen’ (p.159). Ten diepste is dit een biblicistische benadering, een vorm van liberaal buikspreken die teksten losmaakt uit het denken van de Schrift en integreert in een andere levens- en wereldbeschouwing.

Historisch brongebruik

De selectieve omgang met primaire bronnen beperkt zich niet tot de Bijbel. De auteurs menen blijkbaar dat ze op deze wijze ook mogen omgaan met de kerkgeschiedenis. Ik geef een aantal voorbeelden van wat de auteurs zeggen en vergelijk dat met de werkelijkheid zoals die uit de kerkelijke bronnen blijkt.

Geen echtelijk verkeer voor geestelijken?

‘In 303 werd al geëist dat zowel bisschoppen, priesters en diakenen, alsook geestelijken die aan het altaar dienen zich
onthielden van echtelijk verkeer en moesten ophouden met het verwekken van kinderen’ (p.53).

De werkelijkheid: de vroege kerk kende geen algemeen verbod op seks voor geestelijken. Erwich en Leene zeggen niet wie of welke vergadering dit eiste, maar bedoelen waarschijnlijk de synode van Elvira (al dateren ze die elders in 306). Veel geleerden plaatsen de synode niet in 306 maar tussen 300 en 303, voor de grote vervolging onder keizer Diocletianus.) Het gaat hier hoe dan ook om een regionale kerkelijke wet die ingegeven was door een specifieke historische situatie waarin men het onverantwoord vond om zijn vrouw zwanger te maken. De inhoud van canon (regel) 33 is een logisch uitvloeisel van Mattheus 24:19 (‘Wee de zwangeren en de zogenden in die dagen’) en 1 Korintiërs 7:29 (‘Laten zij die vrouwen hebben, voortaan zijn alsof ze die niet hebben’). Zelfs het middeleeuwse canonrecht (bijv. Hostiensis, Lectura X 3.34.7) behandelt echtelijk verkeer binnen het huwelijk als een verplichting die ook aan de vrouw verschuldigd is. Wel kwam er uit hygiënische overwegingen een verbod op seksuele omgang van geestelijken voorafgaand aan de eucharistiebediening.

Geen seks in het decanaat?

‘Op het concilie van Elvira in 306 werd besloten dat hogere geestelijken (paus, dekens en bisschoppen) zich moesten onthouden van seks’ (p.53).

De werkelijkheid: Elvira was een regionale synode in Spanje die geen besluiten nam voor de hele kerk. Het besluit waarvan de auteurs hier spreken is overigens niet terug te vinden in de canones van Elvira. Bovendien: de paus bestond in 306 nog niet, alle metropolieten werden ‘paus’ genoemd. Ook dekens bestonden in 306 niet. Het decanaat is een organisatievorm die pas in de negende eeuw in Frankrijk ontstond en zich daarna over de westerse kerk verbreidde. Dat er getrouwde bisschoppen waren, is goed gedocumenteerd. De Westerse Kerk telde tot ver in de middeleeuwen pausen die getrouwd waren: Adrianus II (867–872) leefde met zijn vrouw in het Lateraanse paleis, Johannes XVII (1003) trouwde voordat hij gekozen werd tot bisschop van Rome. Dat een bisschop ‘de man van één vrouw’ moet zijn (1 Tim. 3:2) werd door de kerk niet in twijfel getrokken.

Zelfverminking Origenes?

‘Bijvoorbeeld de kerkvader Origenes (184-253) die zichzelf castreerde. Daar kreeg hij later spijt van, want
zo hoefde hij het gevecht met seksuele begeerten niet meer aan te gaan’ (p.54).

De werkelijkheid: In zijn late werk over het gebed (De Oratione XX.1) schrijft Origenes dat iemand die gecastreerd is niet in de kerk mag komen. Dit maakt zijn zelfcastratie historisch onwaarschijnlijk. Dat hij er later spijt van kreeg omdat hij graag de strijd aan wilde gaan tegen seksuele begeerten is een psychologisch inzicht van Erwich en Leene dat niet te herleiden is tot het werk van Origenes.

Zelfcastratie wenselijk?

‘De gedachte dat Jezus snel zou terugkomen had vooral aan het begin van de kerkgeschiedenis grote invloed. Het krijgen van kinderen was dan immers minder belangrijk. Het huwelijk bevolkt de aarde, maagdelijkheid de hemel en die hemel was voor veel mensen de belangrijkste prioriteit. Zelfcastratie was daarom wenselijk’ (p.55).

De werkelijkheid: wie aan zelfcastratie deed kwam onder tucht en mocht geen priester worden (canon 1 van Nicea 325). Kerkvaders als Chrysostomos spraken in dit verband van ‘moordenaars van Gods schepping’.

Transitie door onthouding?

‘Seksuele onthouding bood mensen met een lage status (vrouwen, armen en ongeschoolden) de mogelijkheid om een held te worden. Deze maagden hadden volgens Clemens hun seksualiteit overwonnen en daardoor konden zij mannelijke functies bekleden in de kerk. Ze werden niet langer als vrouwen gezien, maar als leden van een derde gender’ (p.56).

De werkelijkheid: Een derde gender dat toelating geeft tot de kerkelijke ambten is niet terug te vinden bij Clemens van Alexandrië, maar is een radicale feministische (her)interpretatie van zijn werk door de historicus April DeConick. De vroegkerkelijke schrijvers zijn eenduidig: de kerkelijke ambten zijn voorbehouden aan mannen die aan de voorwaarden voldoen. Er is geen derde sekse van vrouwen die een transitie tot man hebben ondergaan.

De vrouw een mislukte man?

‘De gedachte dat vrouwen eigenlijk mislukte mannen waren, zoals men in de oudheid al dacht, vind je dus terug in de vroege kerkgeschiedenis’ (p.56).

De werkelijkheid: Hiëronymus schreef aan een moeder die de maagdelijkheid van haar dochters wilde beschermen. Daarvoor geeft hij praktische tips. Het vrouwenlichaam is zo uiterst mooi en aantrekkelijk dat het tot zonde of een legitiem huwelijk kan verleiden. Wie maagd wil blijven, moet zich daarvan bewust zijn en ingetogen optreden uit zelfbescherming.

Prostitutie noodzakelijk?

‘De visie van de kerkvaders had ervoor gezorgd dat het huwelijk in de Middeleeuwen lange tijd werd veracht… Prostitutie was soms noodzakelijk omdat men niet wilde dat het zaad van een man verspild werd…’ (p.57).

De werkelijkheid: Hoewel de overheid dikwijls een tolerant beleid voerde, veroordeelden de middeleeuwse kerkelijke
canonregels seks buiten het huwelijk; seks met een prostituee gold als verzwarende omstandigheid.2 De canonregels eisten overigens zwaardere straffen voor bezoekers van prostituées en eigenaren van hoerenhuizen dan voor de betrokken vrouwen.

Conclusie

Vuur dat nooit dooft schept eigen waarheden in zijn omgang met de Schrift en de kerkgeschiedenis. Wie serieus beweert: dat de Kerk zelfcastratie wenselijk achtte, prostitutie noodzakelijk vond om geen zaad te verspillen, en vrouwen beschouwde als mislukte mannen die via seksuele onthouding konden uitstijgen tot een derde gender – doet niet aan wetenschap maar schrijft een sprookjesboek. Daarmee zijn de kerken niet gediend. Het boek wil helpen het open gesprek over seksualiteit serieus te voeren, ook als er verschil van inzicht blijft bestaan (p.249). Deze recensie bewijst dat het in ieder geval in dat opzicht geslaagd is.

Dit artikel is met toestemming van de auteur overgenomen uit Nader Bekeken. De volledige bronvermelding luidt: Zuiddam, B.A., 2022, Sprookjesboek, Nader Bekeken 29 (9): 304-308.

Boek ‘Vuur dat nooit dooft’ vermijdt echt theologische discussie

Er is een zeer sterke neiging zichtbaar om mensen die zich rekenen tot de lhbtiq+-gemeenschap ook vanuit de kerkelijke wereld met compassie en meeleven te bejegenen. Maar mag de Schrift daarbij zijn eigen zeggingskracht behouden?

Het boek ‘Vuur dat nooit dooft. Gender, seksualiteit en theologie in gesprek’ van prof. dr. René Erwich en dr. Almatine Leene (RD 24-6 en 8-8) heb ik kort na de verschijning van voor naar achter gelezen. Opvallend is dat het boek bijna geheel is gewijd aan de genderproblematiek, terwijl de titel is ontleend aan Hooglied 8:7 en 8, dat één grote ode is aan de liefde tussen man en vrouw (M en V).

Het is mij duidelijk geworden dat de auteurs van ‘Vuur dat nooit dooft’ ruimte zoeken voor alle mogelijke genderuitingsvormen. Een woordvoerder van de organisatie van de Canal Pride in Amsterdam verklaarde op tv dat nu alle letters van het alfabet bij deze manifestatie wel zo’n beetje vertegenwoordigd waren. Het is voor mij echter de vraag of deze ‘rek’ aanwezig is in het Hooglied. Maar de titel van het boek is daar wel aan ontleend!

Maar één conclusie

Het boek is één grote hoeveelheid citaten van vele auteurs. Het toont een enorme belezenheid, die breed wordt uitgestald. Veel mensen zullen erdoor geïmponeerd raken, om niet te zeggen overweldigd. Ik las al ergens dat iemand het boek een ”must have” had genoemd.

Ik begreep dat bij de presentatie nadruk werd gelegd op het niet innemen van standpunten. Dat bevreemdt mij, want de opbouw van het boek is van dien aard dat mensen op grond van het aangedragen materiaal eigenlijk maar één conclusie kunnen trekken: er moet in kerk en samenleving ruimte komen voor alle lhbtiq+-ers en men zou in de kerkelijke wereld niet al bij voorbaat een anti-houding moeten aannemen.

Hermeneutische sleutel

Mij echter overtuigde het boek eigenlijk niet. Ik kwam erachter dat de conclusies ervan al van tevoren vaststonden. De schrijvers kozen voor „het narratief van verlangen” dat in de Bijbel verankerd zou liggen. Dat is hun hermeneutische sleutel. Daarmee hopen ze dat alles wat ze schrijven plausibiliteit krijgt.

In de aanvulling van de auteurs (RD 8-8) op het verslag van de boekpresentatie (RD 24-6) wordt gesteld dat de normativiteit van de Schrift in gesprek moet worden gebracht met inzichten uit andere wetenschappen. Dat lijkt me een goed uitgangspunt, maar hoe voorkomen we dat de Bijbel meteen wordt weggeblazen? Mag de Schrift zijn eigen zeggingskracht behouden?

Onoverkomelijk

Een werkelijk theologische discussie gaan de schrijvers naar mijn opvatting uit de weg. Serieuze tegenspraak komt niet in het boek voor. Ik ben benieuwd naar wat het voor de auteurs betekent dat „zulke mensen (onder anderen mannen die met mannen slapen) het Koninkrijk van God niet zullen beërven” (1 Korinthe 6:10).

Feitelijk is dit een tuchtuitspraak. Ik kan mij niet voorstellen dat andere wetenschappelijke disciplines het gesprek willen en kunnen aangaan over deze uitspraak van Paulus, die niet getuigt van enige acceptatie. In het Bijbels-theologische hoofdstuk geven de schrijvers geen bevredigend antwoord op dit punt, dat voor velen wél onoverkomelijk is in zo’n genderdiscussie.

Dit artikel is met toestemming van de auteur overgenomen uit het Reformatorisch Dagblad. De volledige bronvermelding luidt: Horjus, Y., 2022, Boek ”Vuur dat nooit dooft” vermijdt echt theologische discussie, Reformatorisch Dagblad 52 (112): 25 (artikel).

Als geslacht niet meer telt – René Erwich en Almatine Leene banen de weg voor alle vormen van seksualiteit

Twee theologen van orthodoxe huize schreven een boek over seksualiteit. Zij wilden over deze materie een compleet boek schrijven, maar het gevolg is dat de ene gedachte over de andere buitelt. Menige lezer zich zal afvragen wat de auteurs met Vuur dat nooit dooft beogen.

In het boek van René Erwich en Almatine Leene komt het hele spectrum van seksualiteit aan de orde. Wie dit boek leest, beseft dat de hele kijk op seksualiteit in de loop van nauwelijks twee decennia ingrijpend veranderd is. Dat heeft uiteraard fundamentele gevolgen voor onze visie op het huwelijk. De auteurs van Vuur dat nooit dooft. Gender, seksualiteit & theologie in gesprek geven een flinke impuls aan wijt zij ‘omdenken’ noemen (p. 37). Erwich was docent aan de Christelijke Hogeschool Ede (CHE) en is nu als hoogleraar verbonden aan een theologische universiteit in Melbourne. Leene is predikant te Hattem (Gkv) en daarnaast docent Theologie in Zwolle. Zij kreeg bekendheid als Theoloog des Vaderlands (2020/21).

Omdenken

Om een indruk te geven van de inhoud van het boek geef ik hier een summiere opsomming. Het boek bestaat uit zeven hoofdstukken die verschillende facetten van gender en seksualiteit bespreken. Aan de orde komen: de geschiedenis van gender en seksualiteit (hoofdstuk 2), wat de moderne wetenschap erover te zeggen heeft (3), hoe deze begrippen functioneren in de Bijbel (4), hoe het concept van ‘verlangen’ ons in deze vragen verder helpt (5), met welke hedendaagse vormen van gender en seksualiteit we te maken hebben (6), plus een inleiding en nabeschouwing.

Wat bedoelen de auteurs met omdenken? De kern is dat we afscheid moeten nemen van het zogenaamde binaire denken en dat kerk en theologie plaats moeten inruimen voor het genderspectrum. Het binaire denken gaat ervan uit dat er twee geslachten zijn: man en vrouw. Wie in de lijn van een genderspectrum denkt, vindt dit achterhaald en ook veel te simpel. Want het is niet zo, betogen Erwich en Leene, dat wie biologisch man is, ook denkt, leeft en voelt als man en omgekeerd geldt ditzelfde voor een vrouw. Een man kan zich vrouwelijk voelen en een vrouw mannelijk. Het kan gaan wringen tussen geslacht en gender. We zijn eraan gewend geraakt dat relatiepatronen bepaald werden door het biologisch geslacht en niet door gender (hoe men zich ‘voelt’). Dit is het zogenaamde genderessentialisme: je gedraagt je zoals je geslacht is en niet zoals je je voelt (p. 74). Genderessentialisme is onrecht, zelfs onderdrukking. Voor een vrouw komt daar nog een extra vorm van onderdrukking bij, omdat zij steevast een lagere plaats inneemt dan de man. In de Hebreeuwse Bijbel zijn vrouwen meestal ‘in seksueel opzicht bezit van mannen’ (p. 136). Dus is de Bijbel verantwoordelijk voor allerlei onderdrukkingsmechanismen.

Ruimere opvattingen over seks

Het is toch wel verrassend dat Erwich en Leene in hoofdstuk 4 willen aantonen dat het Oude Testament in bepaalde opzichten behoorlijk liberale opvattingen huldigde. Dat geldt dan voor seksuele verhoudingen en niet zozeer wat man-vrouwverhoudingen betreft. Kort gezegd: in dit boek wordt betoogd dat het Oude Testament vrij omgaat met seks en dat het Nieuwe Testament de vrouw bevrijdt uit haar nederige positie. Dus als we Oude en Nieuwe Testament bij elkaar optellen, hebben we de emancipatie en bevrijding waar we in onze tijd behoefte aan hebben.

In het Oude Testament was seks buiten het huwelijk geoorloofd. Denk maar aan de aartsvaders, aan de koningen, aan het verschijnsel van bijvrouwen (bijvoorbeeld Hanna en Peninna). Ook homoseksualiteit werd volgens de auteurs niet veroordeeld. Zonder enig bewijs worden de liefde tussen David en Jonathan en tussen Naomi en Ruth als voorbeelden van homoseksualiteit genoemd (p. 167, noot 146). Uit dit alles moet blijken dat het huwelijk bijna een randverschijnsel was en dat men in Israël ruime opvattingen had over seks.

Tweepoligheid

Fundamenteler is hoe de auteurs Genesis 1:27 lezen, namelijk heel anders dan de kerk de eeuwen door gedaan heeft (p. 158). In dit vers staat dat God de mens mannelijk en vrouwelijk schiep. Dat betekent, zo schrijven zij, dat God een spectrum van gendermogelijkheden schiep waarvan het man-zijn en vrouw-zijn de twee polen zijn waarbinnen een grote variatie mogelijk is. Daarbij zullen we moeten denken aan homoseksualiteit en de meest uiteenlopende vormen van heteroseksualiteit. Zie de opsomming in hoofdstuk 3.

Erwich en Leene willen in de man-vrouwverhouding veel meer dynamiek aanbrengen. Het binaire denken (de tweepoligheid, bijvoorbeeld God-mens, man-vrouw, hemel-aarde, lichaam-geest) noemen zij dualistisch (p. 192) en zonder omwegen of verdere uitleg wordt de kerkelijke uitleg van Genesis 1:27 als afgedaan beschouwd. Het gebrek aan verantwoording van keuzes is trouwens typerend voor dit boek. Maar het punt dualiteit (het binaire denken) verdient nu juist wel aandacht. Dualisme brengt scheiding, dualiteit verenigt. Daar gaat het om. Genesis is niet dualistisch, maar benoemt dualiteit die juist de compleetheid van Gods schepping benadrukken. Hemel en aarde: dat is de compleetheid van de schepping. Lichaam en geest: dat is de compleetheid van de mens. Man en vrouw is de compleetheid van het huwelijk. Dualiteit is geen simplificering. Het wil alleen zeggen dat alle complexe systemen uiteindelijk hierop teruggaan. Het wil ook zeggen dat wie deze fundamentele tweeheid ontkent, uitkomt bij een holisme waarin alles tot één beginsel te herleiden is, zodat ook God en mens tot elkaar te herleiden zijn. De consequentie is uiteindelijk dat de mens de plaats van God inneemt.

Totaal nieuwe orde

Het binaire man-vrouwdenken is door Christus opgeheven, leer ik. Met instemming wordt Sarah Coakley aangehaald, die schrijft dat Christus elke tweeheid heeft tenietgedaan en tot eenheid heeft gemaakt (p. 194). Christus heeft dus ook de tweeheid van man en vrouw tenietgedaan. Man en vrouw zijn in Christus met elkaar verzoend. In Christus is een nieuwe mens tot stand gekomen. Geslachtelijke verschillen zijn niet meer van belang. Daarom moet ieder mens, wie ‘hij’ of ‘zij’ ook is – tussen aanhalingstekens omdat dit verschil eigenlijk niet meer van toepassing is – zichzelf verstaan vanuit Christus, dus als een mens voor wie geslacht niet meer telt. Dr. A.A. van Ruler zou uit zijn vel gesprongen zijn als hij dit had gelezen! Alsof de geschapen werkelijkheid als zodanig niet goed is! Het komt er dus op neer dat het man-zijn en vrouw-zijn tot de gebrokenheid van de schepping behoren, want anders zou Christus die tweeheid niet hoeven te verzoenen. Christus maakt heel, geneest, brengt de mens tot zijn doel door het man- of vrouw-zijn op te heffen, zodat dit onderscheid geen rol meer hoeft te spelen in de vragen rond seksualiteit. Omdat in Christus geen man of vrouw is (Gal. 3:28), moeten we voortaan spreken over het ‘continuüm mens, mensheid, menselijke werkelijkheid, personen’ (p. 197). Dit is een ‘totaal nieuwe orde’.

Afgezien van het feit dat dit betoog de theologische grenspalen fundamenteel verzet, wordt ons hier ook heel duidelijk gemaakt dat de diversiteit die zo sterk bepleit wordt (genderspectrum), tot een dwingende en verstikkende eenvormigheid leidt, namelijk tot de mens-in-het-algemeen, wiens biologische geslacht geen rol meer speelt.

Verlangen

In het boek is de focus op de Anglicaanse theologie gericht. Dat betekent dat de nadruk niet op verzoening ligt maar op de menswording van Christus. In Christus ontmoeten God en mens elkaar. Ze ontmoeten elkaar in een wederzijds verlangen: zoals God verlangt naar de mens, zo verlangt de mens naar God. Dit noemen de auteurs de narratief van het verlangen, dat zij ontlenen aan Rowan Williams, voormalig aartsbisschop van de Anglicaanse Kerk (p. 41, 115,199 en hoofdstuk 5). Williams zegt dat in het verlangen naar God de mens het initiatief bij God moet laten. Zo is het ook in de seksuele liefde, want dan heb ik niet langer de leiding over wie ik ben. In het (seksuele) verlangen ervaar ik de ‘enorme hulpeloosheid van mijn eigen ik’ (p. 41). Met andere woorden, in het seksuele verlangen is de mens pas echt aangewezen op de ander. Alleen de ander kan geven wat ik mis.

Deze gedachte is bepaald niet nieuw, want ieder mens is in alle facetten van zijn bestaan aangewezen op de ander, van wieg tot graf. Toch hebben de auteurs met het woord ‘verlangen’ wel degelijk iets fundamenteels op het oog, namelijk dat daar waar mensen echt naar elkaar verlangen, elke seksuele verhouding aanvaardbaar is. Want wie verlangen als criterium en leidraad kiest, baant de weg voor homoseksualiteit, maar evengoed voor alle andere vormen van seksualiteit. ‘Verlangen heeft voorrang op geslacht, gender en seksualiteit’ (p. 191). Duidelijker kan het niet gezegd worden, Een echt verlangen naar de ander bepaalt of een relatie goed is of niet. Een zuiver (seksueel) verlangen is zelfs een teken van het nieuwe leven in het Koninkrijk van God; dan zijn we een nieuwe schepping, hebben we een nieuw lichaam, vertonen we het beeld van God en hebben we de nieuwe mens aangetrokken (p. 197).

Zo wordt in dit boek het leven in Gods goede schepping op een fatale wijze vermengd met het leven in het Koninkrijk van God. Bovendien wordt het leven in het Koninkrijk op een onbijbelse wijze ingevuld.

Dit artikel is met toestemming overgenomen uit De Waarheidsvriend. De volledige bronvermelding luidt: Prosman, A.A.A., 2022, Als geslacht niet meer telt. René Erwich en Almatine Leene banen de weg voor alle vormen van seksualiteit, De Waarheidsvriend 110 (35): 7-9 (artikel).

Geblokkeerd door theoloog dr. Marco Derks

Als sinds deze website bestaat heb ik het standpunt verdedigd dat homoseksuele praxis zondig is. Mensen met homoseksuele gevoelens moeten we echter niet verstoten, maar in liefde omringen. Als voorbeeld heb ik verschillende keren Johannes 8 genomen. Waar de Heere Jezus enerzijds de mensen die veroordelen beschaamd gemaakt heeft, maar anderzijds ook gewaarschuwd heeft voor doorwandelen op het pad van de zonde.1 Het waarschuwen daartegen is dus geen liefdeloos en zelfverheffend gebeuren. “Want zij2 hebben allen gezondigd, en derven de heerlijkheid Gods;” (Rom. 3:23, SV).

Dat dit standpunt niet in dank afgenomen wordt en leidt tot uitsluiting daar kwam ik laatst achter. Wat was het geval? Onlangs verscheen de zogenoemde NBV21 Wetenschapsbijbel. Het gaat om een soort Bijbel met kanttekeningen en uitgebreidere artikelen als bijlage. Deze kanttekeningen en bijlagen werden geschreven door een zestigtal wetenschappers. Een van de redacteuren, dr. Koert van Bekkum, deelde via het sociale medium Twitter de lijst met auteurs. Graag wilde ik meer weten over de auteurs en hun achtergronden. Door het ‘taggen’ van de auteurs door Van Bekkum kon ik veel informatie vinden. Ik klikte ook op de verwijzing naar theoloog dr. M. (Marco) Derks.3 Dr. Derks is coördinator van de Nederlandse Onderzoeksschool voor Theologie en Religie (NOSTER). NOSTER werkt samen met verschillende Nederlandstalige universiteiten. Op NARCIS is te lezen dat de geleerde expert is in Augustijnse studies, christelijke ethiek, pastorale theologie, queertheologie, radicale theologie en religie en secularisme.4 Helaas kwam ik via Twitter niet ver, want Derks heeft mij geblokkeerd.5 Waarom? Dat weet ik niet! Er staat geen opgaaf van reden bij, al heb ik wel een vermoeden. Ik heb, bij mijn weten, nooit een Twitter-conversatie gehad met dr. Derks. Maar ziende op zijn bijdrage in de zogenoemde NBV21 Wetenschapsbijbel (die gaat over Homoseksualiteit) en zijn expertise in de christelijke ethiek en queertheologie denk ik dat dit komt door mijn standpunt in het genderdebat en mijn visie op homoseksuele praxis.6 Blokkeren zonder ooit iemand gesproken te hebben is wel erg radicaal, het is ook jammer want had veel vragen naar aanleiding van zijn bijdrage Homoseksualiteit in de NBV21 Wetenschapsbijbel. Een gesprek daarover blijkt nu, in ieder geval via Twitter, onmogelijk!

Voetnoten

‘Dit boek is een eyeopener’ – Bespreking ‘Transgenderisme in Bijbels perspectief’

Transgenderisme – Waarhebben we het dan over? Transgenderisme is het idee dat geslacht een vrije keuze is en dat het niet meer vanzelfsprekend is dat het biologische geslacht ook het werkelijke geslacht is.

Na de maatschappelijke acceptatie van het feminisme en homoseksualiteit is transgenderisme de derde golf van de seksuele revolutie. Het doel van dit boek (Transgenderisme in Bijbels perspectief) is een leesbare handreiking te bieden die helpt bij bijbelse bezinning op het onderwerp transgenderisme. De doelgroepen zijn gezinnen, kerken en scholen. Dat betekent ook dat dit boek niet bedoeld is als pastorale handreiking voor degenen die zelf met hun geslacht worstelen. Het boek biedt in kort bestek een brede en – naar mijn inzicht – evenwichtige doordenking. Dit boek is verder ontwikkeld vanuit diverse bijdragen op conferenties die ‘Bijbels Beraad’ in 2021 gehouden heeft rond een bezinning op transgenderisme. De diverse auteurs hebben een verschillend vakgebied en een verschillende inbreng, waarin ze elkaar aanvullen en verdiepen. Er is een hoofdstuk waarin transgenderisme meer in zijn maatschappelijke ontwikkeling beschreven wordt, maar ook een hoofdstuk waarin een jonge Amerikaanse vrouw vertelt hoe ze de weg van sociale transitie en geslachtsoperaties insloeg, maar door God tot zichzelf gebracht werd. Die haar in staat stelde om de lange en moeizame weg terug te gaan. Verderop in het boek is een brief van haar opgenomen aan ouders van transgenders.

Er is een hoofdstuk met diepteboringen over ‘wereldbeeld en Bijbeluitleg’ (dr. B.A. Zuiddam). Prof dr. A.A.A. Kinneging laat zien waar transgenderisme vandaan komt. Ds. C. Sonnevelt en dr. Zuiddam schrijven over wat de Bijbel zegt. Drs. E. van Hoek-Burgerhart geeft een medisch-ethische reflectie over de transgender. En een (bioloog) vader van een transgender schrijft een hoofdstuk met als titel: ‘Je denken moet anders, je lichaam mag er zijn’.

Ik heb best het een en ander over transgenderisme gelezen en gehoord. Maar ik waardeer dit boek in zijn helderheid, beknoptheid en duidelijk bijbelse insteek. Helpend vind ik dit boek in zijn tekening van de huidige hoofdstoom in het denken, waarin de mens zichzelf tot norm van alles neemt en leeft en meet vanuit zijn gevoel. Ik las het naast het recente boek Ego van dr. Bram van de Beek en vond ze elkaar erg aanvullen.

Een paar kerngedachten uit het boek zijn: ‘Genderidentiteit, dat je zelf besluit hoe je in het leven staat en daarbij je biologische staat negeert, is een manier van kijken naar de mens die voor 1970 nauwelijks bestond.’ ‘In de Bijbel is sprake van een gezond evenwicht is de waardering van zowel ons lichaam als onze ziel. Die waardering is geworteld in het handelen van de Schepper. Beide zijn een gave van Hem. Ons biologisch geslacht is daarbij normatief voor onze identiteit en sociale rol.’ ‘Als we onszelf homoseksuele of queer christen noemen, ben ik bezorgd dat we dat aspect van ons leven te veel ruimte geven.’ ‘Niet alleen voor volwassenen, maar ook voor jongeren en met name voor meisjes is de transgenderideologie, hoe geweldig ze ook lijkt, uiteindelijk onbarmhartig.’ ‘Elke keer als u een transgender bevestigt in zijn gekozen identiteit, bouwt u mee aan zijn kartonnen harnas dat in de praktijk van de levensstrijd waardeloos blijkt.’ ‘Hoe zorgvuldig hormonen ook worden toegediend of medische ingrepen worden uitgevoerd, ze zullen een man nooit veranderen in een vrouw. En een vrouw wordt geen man’.

Wie al een eind meegenomen is door de doorgaande lobby van de derde seksuele revolutiegolf, zal dit boek pittig vinden. Dan is het ook een eyeopener. En die kunnen we in de 21e eeuw goed gebruiken.

Dit artikel is met toestemming overgenomen uit De Waarheidsvriend. De volledige bronvermelding luidt: Lange, A. de, 2022, Boekbespreking, De Waarheidsvriend 110 (44): 17.

Nederlander nog kritischer over nieuwe Transgenderwet

Dit jaar zijn Nederlandse burgers beduidend kritischer geworden over een lopend wetsvoorstel (Transgenderwet) dat het gemakkelijker moet maken om het geslacht in de geboorteakte en identiteitspapieren te veranderen.

Een meerderheid van de Nederlanders vindt een deskundigenverklaring van belang. Ruim tweederde vindt een minimumleeftijd van belang bij het wijzigen van het geslacht op de geboorteakte. Toch willen de initiatiefnemers van dit wetsvoorstel de belangrijkste voorwaarden – leeftijd en een deskundigenverklaring – laten varen.

Het (herhaal) onderzoek, in opdracht van NPV-Zorg voor het leven uitgevoerd door het Amsterdamse onderzoeksbureau DirectResearch, maakt duidelijk dat er voor de transgenderwet, ingediend door de voormalige ministers Dekker en Van Engelshoven, onder de bevolking geen draagvlak is.

Voorwaarden

De meerderheid van de ondervraagden -een representatieve groep van 1007 Nederlanders – vindt het belangrijk dat er voor een juridische geslachtswijziging aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan. Tweederde vindt inmiddels dat er een minimumleeftijd moet zijn voor het veranderen van geslacht op de geboorteakte, paspoort of identiteitskaart. Dit aandeel is significant groter dan bij eerder onderzoek. Zo kiest de grootste groep respondenten voor een minimumleeftijd van 18 jaar (37 procent), terwijl 35 procent de leeftijd van 25 jaar gepast vindt, “als de hersenen zijn volgroeid.” Dat is 9 procent meer dan bij het eerste onderzoek. Voor een minimumleeftijd van 16 jaar of jonger kiest 28 procent.

Op de vraag of een verklaring van een arts of psycholoog nodig is, geeft 54 procent een positief antwoord; slechts 14 procent van de ondervraagden is het hiermee oneens. Een van de ondervraagden licht daarbij toe: ‘Een dergelijke beslissing is ingrijpend. Het is belangrijk dat een deskundige daarin meekijkt.’ Voor 29 procent is ook een X op de geboorteakte mogelijk, in plaats van een M of V. Daarnaast vindt de helft dat het geslacht M of V bij iedereen vermeld moet staan. Ook dit percentage is achterliggend jaar beduidend gegroeid. Ondervraagden zeggen dat op officiële documenten het biologisch geslacht leidend moet blijven. Voor een kleine groep is geslachtswijziging in geen enkel geval een optie (20 procent).

Debat

NPV-directeur Diederik van Dijk: ‘De kritiek op de nieuwe transgenderwet is onder de bevolking gegroeid. Ik kan dit niet los zien van de toenemende aandacht voor de zorgelijke gevolgen van dit wetsvoorstel. Het inhoudelijke debat hierover is lang achtergebleven en weggedrukt. Nu burgers zich realiseren wat er op het spel staat, nemen de zorgen toe. Dat geldt in het bijzonder voor de gevolgen voor jongeren. Het is te hopen dat de Tweede Kamer deze zorgen serieus neemt en dit wetsvoorstel naar de prullenbak verwijst.’

Binnenkort spreekt de Tweede Kamer zich uit over de wet, die is bedoeld om de emancipatie van transgenders te bevorderen. De wet moet het gemakkelijker maken om juridisch van geslacht te veranderen: de deskundigenverklaring en de minimumleeftijd van 16 jaar zijn geschrapt. Dit betekent dat er geen verklaring van een arts of psycholoog meer nodig is en dat ook jonge tieners, zonder toestemming van hun ouders, hun geslacht in geboorteakte en paspoort of identiteitskaart kunnen veranderen.

Het onderzoeksrapport is te downloaden via de website van de NPV: Onderzoek Direct Research – Transgenderwet – oktober 2022.

Deze gastbijdrage is met toestemming overgenomen van de website van de Nederlandse Patiëntenvereniging (NPV). Het originele artikel is hier te vinden.

Een Bijbelse visie op gender en omgaan met transgender gevoelens – In huidige cultuur een omslag waarneembaar die breekt met de eeuwen ervoor

In minder dan twee generaties is binnen de Westerse samenleving een totaal nieuwe visie op huwelijk en seksualiteit ontstaan. Eeuwenlang was in de samenleving het merendeel ervan overtuigd dat seksualiteit alleen binnen het huwelijk tussen een biologische man en biologische vrouw plaats hoort en dat een huwelijk de bereidheid vooronderstelt om als man en vrouw samen kinderen te ontvangen. Wanneer er van deze norm afgeweken werd, dan werd dit zelfs als zonde aangevoeld.

Dat is een groot verschil met de huidige samenleving, waarin huwelijk en seksualiteit steeds verder van elkaar losgemaakt. Deze omslag begon in de jaren zestig van de vorige eeuw en de ontwikkeling gaat nog steeds verder. Er wordt niet alleen ruimte gevraagd voor een andere visie op huwelijk en seksualiteit, maar daarnaast is ook een sterke lobby op gang gekomen om de veranderende visie te aanvaarden. Als normen in de samenleving bepaald worden door de meerderheid van dat moment, is er geen sprake meer van een vaste normering.

De macht van de taal

In de ontwikkelingen rondom gender speelt taal een belangrijke rol. Waarom? Omdat woorden die gebruikt worden gedachten sturen en de wijze waarop mensen denken beïnvloeden. Simpel gezegd: Woorden zijn een vorm van onderwijs. Daarom is de strijd om heel de samenleving te vervreemden vooral een oorlog over woorden en niemand begrijpt die beter dan de media. Zij weten beter dan wie ook dat mensen anders gaan denken als zij andere woorden gaan gebruiken. Sinds de taalfilosofie van Wittgenstein is dit gemeengoed geworden op de universiteit, vooral bij de sociaal-maatschappelijke vakken.

Omdat de overheid het huwelijk herdefinieerd heeft, staat iedereen onder druk mee te gaan met deze nieuwe definitie en zijn taalgebruik over ‘echtgenoot; man, vrouw, schoonzoon erop aan te passen. De echtgenoot van een man kan ook een man zijn en een schoondochter kan met een vrouw gehuwd zijn. Door dit taalgebruik over te nemen treedt vervreemding op ten opzichte van de Bijbelse boodschap. Een christen behoort daarom ook in zijn taalgebruik aan te sluiten bij de Bijbelse noties over ‘man’ en ‘vrouw’ en publiekelijk niet mee te gaan met deze herdefiniëring van taal. Er staat veel op het spel.

De genderideologie: Niet de biologische sekse maar eigen gevoelens bepalend

Werd er eerst maatschappelijk ruimte gevraagd voor alternatieve samenlevingsvormen en relaties, inmiddels is wat mensen over zichtzelf denken centraler komen te staan en wordt er gesproken van de LHBTG-beweging. Het gaat om een pluriforme beweging die uit verschillende groepen bestaat met verschillende belangen en zienswijzen. Een gemeenschappelijke factor is de afwijzing van de klassieke visie op huwelijk en seksualiteit.

Na het opkomen voor volkomen maatschappelijke aanvaarding van homoseksuele relaties, zien we nu dat de gedachte gepropageerd wordt dat gender geen biologische gegeven is. Het biologische geslacht en gender worden nadrukkelijk onderscheiden. De hele tweedeling man-vrouw zou een maatschappelijke constructie zijn. Of men man dan wel vrouw is, zou niet alleen door de biologisch sekse worden bepaald, maar vooral door hoe men voelt in het leven te staan.

Wat houden transgendergevoelens in?

Bij transgender gevoelens is er geen sprake van een lichamelijke stoornis, maar voelt men zich qua geslacht niet thuis in het lichaam dat men heeft. Het is van belang te weten er kleine groep personen die een DSD (disorder of sexual development)stoornis heeft. Men mist een geslachtschromosoom, men heeft een extra geslachtschromosoom of het mannelijke Y-chromosoom functioneert niet goed. Lichamelijk is dan niet eenduidig of men man dan wel vrouw is, Operaties zijn in deze gevallen nodig. In deze situatie kan men tot op zekere hoogte van een toewijzen van geslacht spreken.

De Deen Einar Wegener liet als eerste in 1930 zijn geslacht van man naar vrouw aanpassen. Nu horen we er steeds meer van. Een mannelijk collega zeggen dat hij vrouw is geworden. Een echtpaar heeft niet langer twee dochters en een zoon, maar twee zoons en een dochter. Opvallend is dat tot voor enkele jaren het vooral mannen waren die worstelende met transgendergevoelens. Inmiddels is er sprake van een explosieve stijging van meisjes en jonge vrouwen die man willen worden. Dit suggereert een verband tussen het heersende culturele klimaat dat invloed heeft op het ontstaan of activeren van transgendergevoelens. Abigail Schier heeft daarop gewezen in haar boek Irreverssible Damage. Dit sluit niet uit dat er een percentage mannen en vrouwen is die zich niet thuis voelen in eigen lichaam zonder dat er sprake is van een hype.

Bekend is een goede begeleiding bij 80 tot 95 procent van hen die zich afvragen of zij een lichaam hebben van het juiste geslacht, deze gevoelens verdwijnen. Het feit dat een jongen of meisje minder passen in bepaalde culturele conventies over gedrag van jongens en meisje, mag niet zomaar tot de conclusie leiden dat zo’n jongen of meisje met transgendergevoelens heeft te maken.

Transitie: Wat het betekent en de gevolgen

Nederland loopt voorop in het aanbieden van geslachtsaanpassende behandelingen. Daarbij moeten we denken aan hormoonbehandeling , vaak gevolgd door aanpassende operaties. De prijs voor deze behandeling kan onvruchtbaarheid zijn. Dat is een licht van de Schrift al een aanwijzing dat deze weg niet moet worden ingeslagen. Daarbij komt dat wanneer iemand genetisch een man of een vrouw is, hij of zij dat altijd blijft. Hormoonbehandelingen en operaties brengen geen verandering in het chromosomenmateriaal aan. Wie een ‘aanpassing’ ondergaat, is zijn hele verdere leven op hormonen aangewezen, want het lichaam wil zichzelf herstellen. Zo gauw men daarmee stopt, keren de kenmerken van het genetische en biologische geslacht terug. Daarbij komt dat de kans op zelfdoding – die bij transseksuelen behoorlijk groot is – na transitie niet minder wordt.

Inmiddels kan men in Nederland ook bij de burgerlijke stand zijn geslacht laten veranderen. Oorspronkelijk kon dat alleen als er sprake was van een medische behandeling. Er is een wetsvoorstel in voorbereiding waarbij ook die voorwaarde vervalt.. Men hoeft geen profeet te zijn om te begrijpen dat dit los van hoe men staat tegenover Bijbelse normen en waarden voor allerlei problemen gaat zorgen. Dat verklaart dat ook mensen die volstrekt seculier zijn zich zorgen maken over deze ontwikkeling.

Dat geldt bijvoorbeeld voor de Culemborgse juriste en feministe Caroline Franssen. Zij brengt dan onder andere het volgende naar voren: ‘Mensen moeten wakker worden. Wordt het wetsvoorstel aangenomen, dan kan iedere man zich als vrouw laten registreren. Een zedendelinquent zal van deze mogelijkheid graag gebruikmaken, want er is dan geen controle meer op. Vrouwen zullen hem moeten toelaten op plaatsen waar mannen nu niet welkom zijn. Ik denk aan vrouwengevangenissen en blijf-van-mijn-lijfhuizen, maar ook aan meer alledaagse ruimtes als toiletten en kleedkamers. Van vrouwen wordt verwacht dat ze allerlei concessies doen om mannen tegemoet te komen, maar mijn idee is: laat biologische mannen gewoon naar mannenruimten gaan.’

Het wetsvoorstel betekent volgens Franssen ook het einde van de vrouwensport: ‘Als mannen hun geslacht op papier kunnen veranderen, kunnen ze als vrouw deelnemen aan wedstrijden en zullen vrouwen nergens meer winnen. Heb je als mannelijke gewichtheffer weinig succes, dan kun je wel als transvrouw scoren. Mannen zijn nu eenmaal sterker, dus feitelijk betekent dit de afschaffing van de vrouwensport.’

Wetenschappelijke bezwaren

Ook wetenschappers tekenen bezwaren aan. De laatste jaren wordt steeds meer bekend over de medische verschillen tussen man en vrouw. Kennis van die verschillen, bijvoorbeeld bij een hartaanval, kan levens redden. Heeft men zich onder een ander geslacht laten registreren dan het biologische geslacht, dan kan dat in levensbedreigend situaties gevaarlijk, omdat dit niet direct bekend is.

Carole Hooven die als hoogleraar evolutionaire biologie aan topuniversiteit Harvard is verbonden, stelt dat zij als wetenschapper de feiten wil onderwijzen. Daarin moet zij als bioloog recht doen aan het onderscheid tussen mannen en vrouwen. Ze heeft gezegd dat de genderideologie de wetenschap steeds meer infiltreert, deels ook in haar eigen leslokaal.

Het verbaast haar dat het voor velen inmiddels een uitgemaakte zaak is dat een transman een man en een transvrouw een vrouw is. Een elementair biologisch gegeven wordt op een of andere manier ongeldig verklaard, aldus Hooven. Zij kan niet begrijpen dat schijnbaar verstandige mensen die je op een ander moment haarfijn kunnen uitleggen dat graancirkels mensenwerk zijn, de aarde rond is en kinderen niet uit de boerenkool komen, voor dit nieuwe bijgeloof een plekje ingeruimd? hebben in hun bovenkamer.

Hoe moet de kerk reageren?

Hoe wil ik persoonlijk omgaan met identiteit en welke aanwijzingen vind ik daarvoor in de Bijbel? Hoe gaat je om met mensen die zeggen van man vrouw te willen geworden of omgekeerd? Onze gedachten moeten gevangen laten nemen tot in gehoorzaamheid aan het Woord van God. Dat sluit niet uit maar in dat wij willen meeleven met hen die transgender gevoelens ervaren.

Om op een goede wijze mee te leven en de weg te wijzen moeten we zelf wel weten wat de Bijbel zegt. Wie de openingshoofdstukken van de Bijbel leest, constateert dat man en vrouw door God in de schepping biologisch en anderszins complementair zijn gemaakt. Een man kan kinderen verwekken en een vrouw kinderen baren. Meeleven met hen die transgendergevoelens hebben, kan dan ook nooit betekenen dat we meegaan met de wens naar aanpassing kan en mag niet anders dan een liefdevol maar ook krachtig nee klinken. Dit geldt dubbel als het gaat om gehuwden. Immers transitie is heel kennelijk een breuk van de trouwbelofte die men als man en vrouw bij een christelijk huwelijk aan elkaar heeft gegeven.

Als het gaat om de fundamentele betekenis van het onderscheid tussen man en vrouw en in het verlengde daarvan die van huwelijk en seksualiteit spreken allen klassieke stromen van het christelijke geloof met één mond. Overeenstemming was er in de overtuiging dat seksualiteit alleen binnen het huwelijk tussen één man en één vrouw een plaats behoort te hebben.

De nood van de mens en het falen van de kerk mogen geen zelfstandige factoren zijn

Helaas worden de fundamentele betekenis van de schepping als man naar Gods beeld inmiddels door menig theoloog gerelativeerd. Zo meent men dat er ruimte is voor aanpassing van het lichaam als er genoegzame dysforie, een existentieel gebrek aan welbevinden is. Met een redeneertrant die daarop lijkt, wordt ruimte gecreëerd voor homoseksuele relaties, al is het maar als laatste optie.

Meer dan eens wordt deze benadering beargumenteerd door erop te wijzen dat de kerk vaak in pastorale zorg en aandacht tekort is geschoten naar hen die transgender of homoseksuele gevoelens. Ik wil dat niet ontkennen, maar onze verlangens als mens of het falen van anderen in onze nood bepalen niet het antwoord op de vraag hoe de Heere wil dat wij leven.
Wie vanwege ‘nood’ ruimte ziet voor een stabiele homoseksuele relatie, heeft ook geen weerwoord als heteroseksuele singles uit seksuele nood een one-night-date afspreken en vervolgens ten avondmaal gaan. Men kan niet de nood van een groep zelfstandige betekenis toekennen en die van de andere niet. Altijd moet wordt het Bijbels getuigenis gerelativeerd en worden uitzonderingen gemaakt op de regel dat zonder heiliging niemand het koninkrijk Gods zien zal en dat waarlijk wedergeboren mensen vruchten dragen der bekering waardig. In de Bijbel geeft de Heere ons Zijn goddelijke kaders die voor iedereen gelden (Pred. 12:13; Rom. 1:18v.; 1 Kor. 6:8-10; Openb.21:8).

De Bijbelse lijn

De Kerk bepleit op grond van Gods bedoeling die tot uitdrukking komt in zowel de natuur als in de Bijbel dat wij het geslacht aanvaarden waarin God ons schiep, ook al kost dat strijd. De Catechismus van de Katholieke Kerk stelt dat iedereen man en vrouw zijn biologische identiteit behoort te erkennen en te aanvaarden.

Verklaringen van protestante kerken bevestigen hetzelfde, zoals die in de Verenigde Staten onder andere door de Southern Baptist Convention (ruim zestienmiljoen leden) en de Presbyterian Church in America (ongeveer vierhonderdduizend leden) officieel is aanvaard, geeft hier eenzelfde geluid. Daar wordt beleden dat ons zelfverstaan als mannelijk of vrouwelijk bepaald moet worden door Gods heilige bedoelingen in schepping en verlossing, zoals Hij die openbaart in de Bijbel. En dat het in strijd is met Gods heilige bedoelingen als men transgendergevoelens als deel van zijn of haar diepste identiteit ziet.

Ook de Lutheran Church Missouri Synod (ruim driemiljoen leden) en de Wisconsin Evangelical Lutheran Synod (ongeveer zeshonderdvijftigduizend leden) geven eenzelfde Bijbels geluid. Men belijdt dat God de mens als man en vrouw schiep en dat dit het ideaal blijft waar iedereen die met een normaal gezond lichaam geboren is, naar moet streven.

Wereldwijd zijn er nog genoeg andere kerken te noemen. Ik denk hierbij onder andere aan Anglicaanse kerken op het zuidelijk halfrond. Laten Nederlandse kerken hierin het voorbeeld van kerken en christenen elders in de wereld volgen en tegen de genderideologie het Evangelie belijden. Kerken en christenen moeten zich bewust zijn van de problemen, de beweringen en de tegenstrijdigheden van deze nieuwe aanval op Gods oorspronkelijke goede schepping met de mens als kroon, omdat deze naar Zijn beeld werd geschapen.

Laten kerken en christenen ook openlijk betuigen dat mensen uiteindelijk het gelukkigst zijn als ze hun gevoelens kunnen afstemmen op de lichamelijke en morele realiteit van het goede beeld van God. Het is God Zelf die door Zijn Geest hiervoor de kracht wil geven ( Rom. 6:1v; Filip. 4:13).

Naast een krachtig getuigenis tegen de genderideologie mag en moeten we meeleven en begrip opbrengen voor broeders en zusters die worstelen met hun identiteit en ongemak ervaren met de biologische natuur van het eigen lichaam. De kerk heeft de verplichting om de naaste bij te staan in de moeilijke strijd die daarin gevoerd wordt. Als mensen bevinden we ons sinds de zondeval allemaal in een gebroken realiteit, of we nu worstelen met ons gender, of met homoseksuele of heteroseksuele begeerten die niet naar Gods bedoeling zijn.

In het licht van het Bijbels getuigenis mogen we in geen van die gevallen onze gevoelens als uitgangspunt nemen voor onze identiteit. Voor een christen is zijn diepste identiteit dat God in Christus een nieuw begin met hem heeft gemaakt. Wie met Hem is opgewekt, is ook bereid zichzelf te verloochen en om Zijnentwil verlangens en begeerten te kruisigen. Vanuit Zijn liefde voor jou kan er ook aanvaarding komen van jezelf, soms ondanks je eigen gevoelens. In de Bijbel is de mens zoveel meer dan een genderidentiteit. Dat geldt temeer als we weten dat als het gaat om de zaligheid het onderscheid tussen man en vrouw geen rol speelt. En ook op de nieuwe hemel en de nieuwe aarde zal er geen huwelijk meer zal zijn.

Wie we zijn voor God is het belangrijkste en onze identiteit bestaat uit zoveel meer dan seksuele verlangens. Alles is bij een christen ondergeschikt aan het verlangen te leven in gemeenschap met Christus. Een genadig en barmhartig God die al onze zwakheden kent en met ons lot bewogen is.

Een christen die leeft met Christus en leeft uit Hem en weet ook van het van de Geest dat zijn verlangens ordent en zuivert. Er is een verlangen om een verheerlijkt lichaam te ontvangen waarin niet meer de gevolgen van zonde en zondeval merkbaar zijn. Hij of zij weet namelijk dat hij door het bewust overtreden van Gods bedoeling Christus als Zaligmaker verloochent, en daarmee zijn eeuwige zaligheid op het spel zet.

Gelukkig, als je een onbijbelse weg ingeslagen bent, dan is er in dit leven altijd een weg terug naar God. In het heden der genade is niemand buiten het bereik van de vergeving van zonden en van de vernieuwende werking van Gods Geest. God is ook hierin een Gods die wonderen kan werken.

Wie weet van het verzoenende bloed van Christus en de Heilige Geest als onderpand van de eeuwige heerlijkheid heeft ontvangen, zal met niet slechts met berouw erkennen dat hij gezondigd heeft, maar ook breken met een proces of met relaties die tegen Gods bedoeling ingaan, zelfs als die vanuit menselijk oogpunt te begrijpen en te rechtvaardigen zijn.

Laat we allen om genade en kracht vragen om de smalle weg in te slaan en die te blijven bewandelen. En laten we anderen op die goede weg wijzen. Alleen zo hebben we onze naaste werkelijk lief als onszelf en God boven alles.

Deze gastbijdrage is met toestemming overgenomen van de website van dr. P. de Vries. Het originele artikel is hier te vinden.