Home » Artikelen geplaatst door Jan Hoek

Auteursarchief: Jan Hoek

Hanteer Bijbel als uniek normatieve gids op seksueel terrein

Over het Schriftberoep in de ethiek (inclusief seksualiteit) is van orthodox-protestantse zijde grondig nagedacht. Voorbijgaan aan die bezinning is slechts tot groot nadeel.

Prof. dr. René Erwich en dr. Almatine Leene komen terug (Reformatorisch Dagblad van 8-8) op het eerder gedane verslag van de presentatie van hun boek ”Vuur dat nooit dooft” (RD 24-6). Ze memoreren daarbij dat ik bij die gelegenheid vroeg waarin hun betoog verschilt van prof. dr. F. O. van Genneps publicatie ”Mensen hebben mensen nodig” uit 1972. Het toen door Erwich gegeven antwoord is nu in hun artikel nader uitgewerkt. Ik heb er behoefte aan te preciseren wat ik met mijn vraag heb bedoeld en ook aan te geven waarom het antwoord van Erwich en Leene mij niet bevredigt.

Volmondig geef ik de auteurs toe dat zij in vergelijking met Van Gennep de thematiek in een veel breder kader plaatsen. Dat hebben ze gedaan door een ter zake kundige hantering van het viertakenmodel van Richard Osmer. Ze doen een serieuze poging om nieuwe kennis uit wetenschappen zoals biologie, psychologie en seksuologie theologisch te verdisconteren. Dat is naar mijn overtuiging volkomen terecht en prijzenswaardig. Inderdaad heeft theologie bij vragen over gender andere wetenschappen nodig en terecht stellen Erwich en Leene dat de normativiteit van de Schrift in gesprek moet worden gebracht met inzichten uit andere wetenschappen.

Kernnoties

Mijn grote zorg is echter, ook na herlezing van dit boek, dat deze normativiteit van de Schrift ernstig in het gedrang komt. Indertijd bestond in grote delen van de Nederlandse Hervormde Kerk en zeker in de breedte van de gereformeerde gezindte grote moeite met de benadering van Van Gennep, die in zijn seksuele ethiek het beroep op de Schrift versmalde tot de kernnotie van het ”verbond”. Zo gebeurde dat ook in de pastorale handreiking ”In liefde trouw zijn”, die in 1983 verscheen in de toenmalige Gereformeerde Kerken (synodaal). In ”Vuur dat nooit dooft” lijken de auteurs dezelfde weg te gaan door de notie ”verlangen” centraal te stellen.

Het beroep op zulke kernnoties kan zeker diepe en zinvolle aspecten van de Bijbelse boodschap doen oplichten. Tegelijkertijd blijven vele andere Bijbelse gegevens ongebruikt, bijvoorbeeld over de uniciteit van het huwelijk tussen man en vrouw, de fundamentele betekenis van het man of vrouw zijn vanuit de schepping naar Gods beeld, de teksten die waarschuwen voor allerlei vormen van seksuele onreinheid enzovoorts.

Spanningsveld

Erwich en Leene wijzen in navolging van de Amerikaanse theoloog David Jenson een benadering af die de Bijbel ziet als een gids voor seksualiteit, waarin zekere teksten worden uitgekozen die bepalend zijn voor wat wel en wat niet mag op seksueel gebied. Ze stellen dan: „Dit maakt van de Bijbel een soort wetboek, waarbij weinig ruimte is voor diverse contexten.”

Mij gaat dit veel te kort door de bocht. Is het Woord van God niet de beste gids op alle levensterreinen? Zeker, er moet zorgvuldig worden nagedacht over de actuele toepassing van Bijbelwoorden en er gaat veel mis wanneer losse teksten klakkeloos worden geciteerd. Maar over het Schriftberoep in de ethiek (inclusief seksualiteit) is van orthodox-protestantse zijde grondig nagedacht (ik noem bijvoorbeeld het werk van J. Douma en W. H. Velema). Voorbijgaan aan de resultaten van die bezinning is slechts tot groot nadeel. De christelijke ethiek staat naar een woord van S. Meijers in het voortdurende spanningsveld van áándachtig en índachtig. Aandachtig ten aanzien van de gegeven situatie (en dan doen alle wetenschappen voluit mee) en indachtig het hele Woord van God (tota Scriptura). Daarbij moeten we ook teksten die een andere (bijvoorbeeld patriarchale) cultuur ademen en contextueel gekleurd zijn zorgvuldig beluisteren, om hun blijvende normatieve kern recht te doen en door te vertalen (de hermeneutische opdracht).

Ik hoop dat de auteurs van ”Vuur dat nooit dooft” zich nader willen bezinnen op de unieke normativiteit van heel de Schrift als Woord van God en stem uit de hemel.

Dit artikel is met toestemming van de auteur overgenomen uit het Reformatorisch Dagblad. Bronvermelding: Hoek, J., 2022, Hanteer Bijbel als uniek normatieve gids op seksueel terrein, Reformatorisch Dagblad 52 (118): 25 (artikel).

Prof. dr. Jan Hoek over de boekpresentatie ‘Wat is de mens?’

In 2018 was prof. dr. Edgar Andrews te gast op ‘De Bronckhorst Hoeve‘ in Brummen. Hij sprak daar over zijn boek ‘Wat is de mens?’ (zie hier voor zijn presentatie). Na afloop werd de systematisch theoloog prof. dr. Jan Hoek kort geïnterviewd naar aanleiding van de boekpresentatie en het boek. Hieronder is deze videoboodschap opgenomen.

Toon pastorale bewogenheid met mensen met genderdysforie

Bij de benadering van gender­dysforie gaat het om twee polen naast elkaar: principieel protest tegen het transgenderisme én optimaal invoelingsvermogen voor mensen met genderdysforie.

In het RD (6-9) publiceerde de visiegroep Bijbels Beraad M/V een verklaring onder de kop ”Transformatie in plaats van transitie”. Hierin wordt onomwonden stelling genomen tegen geslachtsveranderende behandelingen, die gekwalificeerd worden als „Bijbels geen begaanbare weg.” Geponeerd wordt dat wie transformatie (hier in de zin van bekering) leert kennen, niet meer zal willen kiezen voor transitie, geslachtsaanpassing. Aan het slot van de verklaring wordt onder het kopje ”vervolgvragen” gewezen op het belang van pastorale ondersteuning voor mensen die worstelen met genderdysforie (dat wil zeggen: persisterende onvrede met het bij de geboorte vastgestelde geslacht en onbehagen over de bijbehorende genderrol).

Prof. dr. Martin den Heijer plaatst in zijn Forumartikel ”Genderdysforie te complex voor stellige woorden” (RD 8-9) kritische kanttekeningen bij deze standpuntbepaling. Het is niet mijn bedoeling mij in deze discussie te mengen, maar het lijkt mij wel noodzakelijk het grote belang van oprechte pastorale aandacht en bewogenheid krachtig te onderstrepen.

Principieel en pastoraal

Krachtig verweer tegen de huidige genderideologie is noodzakelijk en urgent. Deze strijd kan er echter zomaar toe leiden dat broeders en zusters die deze ideologie beslist niet delen, maar wel persoonlijk met ingrijpende genderproblematiek worstelen, zich misverstaan en in de kou gezet voelen.

Hier is een parallel te trekken met de benadering van homoseksualiteit. Het hoofdredactionele commentaar (RD 11-9) –naar aanleiding van het rapport van de onderwijsinspectie over de Gomarus in Gorinchem– stelt twee zaken naast elkaar: enerzijds de christelijke opdracht van scholen om elke leerling liefdevol en met respect tegemoet te treden. Anderzijds het vasthouden aan de identiteit van de school zonder water bij de wijn te doen. Het ene komt niet in mindering op het andere. Het gaat er juist om beide even zwaar te laten wegen.

Naar analogie hiervan stel ik eveneens twee polen naast elkaar: principieel protest tegen het transgenderisme én optimaal invoelingsvermogen voor mensen met genderdysforie. Het gaat mis wanneer een van beide polen eenzijdig wordt benadrukt. Het principiële mag het pastorale niet ondermijnen en het pastorale mag het principiële niet ontkrachten.

Aanvaarden vanaf geboorte

In de onlangs verschenen brochure ”Genderdysforie” (een handreiking aan kerkenraden met het oog op het pastoraat, uitgegeven vanwege het hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond in de Protestantse Kerk in Nederland) is een poging gedaan om aan deze tweesporigheid invulling te geven. Daarbij wordt enerzijds helder vastgehouden aan het Bijbelse uitgangspunt dat de fundamentele dualiteit in het mens-zijn (dus man en vrouw) niet een sociaal construct of een cultureel bepaald verschijnsel is. Mannelijke en vrouwelijke mensen vertonen samen in deze verscheidenheid het mens-zijn naar Gods bedoeling (zie Genesis 1:27). De normale lijn is dan ook dat ieder mens met dankbaarheid aanvaardt dat hij of zij vanaf de geboorte ofwel man, ofwel vrouw is. De genderideologie is te beschouwen als een frontale aanval op een Bijbelse overtuiging die eeuwenlang in onze cultuur gedeeld is.

Gebrokenheid

Echter, de zondeval bracht ingrijpende gebrokenheid, waarvan ook de problematiek van genderdysforie (mannen en vrouwen die zich in hun identiteitsbeleving ”verkeerd verbonden” voelen, als man in een vrouwelijk lichaam of als vrouw in een mannelijk lichaam) een schrijnend symptoom is. De brochure gaat uitvoerig in op de medisch-psychologische aspecten van deze complexe problematiek. We dienen immers goed te weten waarover en over wie we het hebben en we mogen de problematiek niet versimpelen door zwart-wittekeningen die aan de mensen in kwestie geen recht doen en de bestaande nood niet echt peilen.

Vanuit het gezichtspunt van christelijke ethiek vanuit medisch oogpunt bestaan er zwaarwegende bezwaren tegen transitie van transgenders en is een pleidooi voor grote terughoudendheid op zijn plaats. Dat roept temeer de vraag op hoe we kunnen voorkomen dat mensen met genderdysforie in nood aan zichzelf overgelaten worden.

Ander niet loslaten

De genoemde brochure biedt stippellijnen voor verbindend pastoraat. Ook hier geldt dat bewustwording van de pijn en zwaarte van het probleem waarmee men worstelt, een onmisbare voorwaarde is voor echte pastorale ontmoeting en begeleiding. Alleen van daaruit kunnen we in biddend opzien tot God en zo afhankelijk van de leiding van de Heilige Geest met de ander op weg gaan, intens luisterend en in liefdevolle betrokkenheid.

Het kan gebeuren dat pastor en pastorant van opvatting blijven verschillen over de stap naar transitie. Dat is een aangrijpend punt. Maar de pastor en de pastorale gemeente laten de betreffende broeder of zuster in elk geval niet los, welke weg deze ook uiteindelijk besluit te gaan. Grondregel is: „Zie de ander eerst als mens en open dan het Woord, ook in complexe situaties” (P. J. Vergunst). Of zoals prof. dr. M. J. Kater het in de genoemde brochure verwoordt: „Een pastor is ook geroepen tegenwicht te bieden en het ”zachte nee” ter overweging te geven als de weg die God van ons kan vragen vanwege de plaats die we innemen in ons gezin.” Toen prof. dr. W. H. Velema indertijd over deze problematiek schreef, bedoelde hij met de term ”het zachte nee” een ”nee” dat van liefde doordrenkt is en dat daarom de ander niet loslaat, wanneer die een weg inslaat die tegen dat ”nee” ingaat (vergelijk het rapport ”Transsexualiteit” (Prof. dr. G. A. Lindeboom Instituut, 1996) onder redactie van prof. dr. H. Jochemsen en de overwegingen van prof. dr. J. Douma in ”Medische ethiek”, 1997, 347-350).

Voor het te laat is

Als we terugblikken op positiebepalingen inzake homoseksualiteit binnen de gereformeerde gezindte zien we dat de laatste tijd herhaaldelijk is geconstateerd dat de Bijbelse principes wel zijn gehandhaafd, maar dat het liefdevol omzien naar de mens in nood meer dan eens ernstig tekortschoot. Gedane zaken nemen helaas geen keer. De schade die mensen is toegebracht, is in veel gevallen niet meer ongedaan te maken. Laten we ten aanzien van mensen met gen­derdysforie toch niet in dezelfde fout vervallen en ons er, eer het te laat is, grondig van bewust zijn dat zij liefdevolle aandacht en hartelijke betrokkenheid verdienen. In naam van de Heere Jezus, de grote Pastor voor schapen in nood, Die ontferming als geen ander koppelt aan het onderwijs in de geboden van Zijn Vader (Mattheüs 5-7).

Prof. Hoek schreef deze bijdrage in overleg met de auteurs van de brochure ”Genderdysforie”: prof. H. Jochemsen, prof. M. J. Kater, ds. P. Nobel, dr. P. J. Verhagen en drs. P. J. Vergunst. De brochure kan worden besteld op gereformeerdebond.nl.

Dit artikel is met toestemming van de auteur overgenomen uit het Reformatorisch Dagblad. Het originele artikel is hier te lezen. Bronvermelding: Hoek, J., 2021, Toon pastorale bewogenheid met mensen met genderdysforie, Reformatorisch Dagblad 51 (141): 24-25 (artikel).